home
info cursusnieuws  — sidra vd week varia


Sidra van de week

Bijbelgedeelte van de week, in de joodse traditie parasha of sidra van de week genoemd, commentaar door Rob Cassuto     Wilt u reageren? Klik hier.
Naar alle commentaren van Rob Cassuto

parasjat Mikeets   Beresjiet/Genesis 41-44:18 
Een droom, die niet is uitgelegd is als een brief die niet is gelezen

Joseef wordt uit de gevangenis gehaald om de droom van de Farao te verklaren, de beroemde droom van de zeven vette en de zeven magere jaren. Josef verklaart hem en geeft ook nog het recept om de na zeven welvaartsjaren verwachte hongersnood door te komen. De Farao verheft hem uit zijn nederige positie als bajesklant tot onderkoning en geeft hem een voorname vrouw tot echtgenoot. Joseef neemt zeer vooruitziende maatregelen en laat overal door het land voorraadschuren bouwen en vullen met koren en inderdaad komen de zeven jaren van hongersnood, die ook het land Kenaän bereiken en Jaäkov en zijn kroost. 
De broers van Joseef komen naar Egypte om koren te halen en worden voor de onderkoning gebracht, die ze niet als hun broer herkennen. 

Elders (In mijn boek ‘Reizen door de Tora') heb ik deze rijke parasja vanuit het aspect van de ommekeer van Joseefs broeders belicht, nu ga ik wat verder in op het in Joseef belichaamde fenomeen dromen. In de Tora wordt niet veel gedroomd, tien zijn er te traceren waarvan zes te maken hebben met Joseef als dromer en als droomuitlegger. De vier andere dromen zijn duidelijke boodschappen van de Ene (of zijn engel) en behoeven geen interpretatie, de droom van Avimelech (Beresjiet/Genesis 20:3 ev), Jaäkov's ladder (Ber/Gen 28:12 ev), Jaäkov's gespikkelde schapen (Ber/Gen31:10 ev), Lavan gemaand Ja'akov met rust te laten (Ber/Gen 31:24 ev). De twee dromen van Joseef en de vier die hij heeft geduid zijn in beelden verpakt en vereisen een goede uitleg. De ene droom van Joseef is die over de elf schoven, die zich voor hem buigen ( Ber/Gen37:5 ev), de ander die hij een tijd later droomt gaat over de zon, de maan en de elf sterren, die zich voor hem buigen (Ber /Gen37:9 ev). De schenker droomt over de wijnrank met drie knoppen en over dat hij Farao weer een beker overhandigt ( Ber/Gen 40:9 ev); de bakker droomt over de drie manden met brood op zijn hoofd die door vogels worden weggepikt (Ber/Gen 40:16 ev); Farao droomt over de zeven magere koeien, die de zeven dikke koeien opeten (Ber/Gen 41:1 ev) en diezelfde nacht over de zeven dunne korenaren, die de zeven dikke korenaren verzwelgen ( Ber/Gen 41:5 ev). 

De waarde van dromen wordt door vele commentatoren erkend. De Talmoed zegt, dromen zijn een zestigste van profetie. (‘vuur is één zestigste van Gehinnom (plm = hel), honing is één zestigste van manna. Sjabbat is één zestigste van de komende wereld, slaap is één zestigste van dood, een droom is één zestigste van profetie' , Talmoed Berachot 57b). 
Het beeld, dat de oude wijzen schetsen over de menselijke capaciteit om dieper te schouwen is dat van teruggang in de loop der mensengeschiedenis. Oorspronkelijk hadden alle mensen de gave van profetie. De gave ging verloren behalve voor profeten. In Talmoedische tijden achtte men de tijd van de profetie voorbij. Alleen dromen waren er nog als restanten van de oude profetische mogelijkheden. 
Maimonides, die ook de achteruitgang van de menselijke gave van profetie constateert is toch wat optimistischer, een waarlijk wijs en verheven mens zou in principe nog kunnen, profeteren. Evenals de Talmoedische wijzen ziet de oude middeleeuwse meester dromen als een onvolmaakte uiting van profetische verbeelding: ‘… en zij (de rabbijnen) herhaalden het idée in de Midrasj Beresjiet Rabba en zeiden “ dromen zijn de knoppen van profetie”. Dat is inderdaad een mooi beeld, want een knop is de vrucht die nog niet volledig is ontwikkeld, zo is ook de verbeeldingskracht ten tijde van de slaap precies datgene wat werkzaam is ten tijde van profetie, in een onvolmaakte en incomplete toestand'  ( Gids der Verdoolden/Moreh Nevoechiem 2:36}. 

Veel dromen zijn nogal chaotisch, maar te midden van verwarrende beelden kan toch een boodschap zijn verborgen. Daarom zijn dromen de moeite waard om herinnerd te worden en bezien te worden op hun mogelijke betekenis. In het tractaat Berachot van de Talmoed zijn interessante discussies te lezen over dromen en hun mogelijke betekenissen. De rabbijnen presenteren vele betekenissen van droombeelden van de meest wisselende aard. Sommige zijn echt verrassend. 
Rabbi Chisda zei: Een droom, die niet is uitgelegd is als een brief die niet is gelezen (Berachot 55a). Niet zozeer de droom op zich, maar hoe een droom wordt uitgelegd is bepalend. De rabbijnen van de Talmoed zeggen: ‘alle dromen volgen de mond (de uitleg). Is deze uitspraak volgens de Tora? Ja, volgens de verklaring van R. Eleazar. Want R. Eleazar zei: hoe weten we dat alle dromen de mond volgen? Omdat wordt gezegd, “en zoals hij ons uitgelegd had, zo is het gebeurd” (uit het verslag van de schenker aan Farao, Ber/Gen 41:13). Rava zei, alleen als de uitleg beantwoordt aan de inhoud van de droom   (Berachot 55b)'”.
Een droom kan dus alleen dan zijn belang hebben, als hij in woord en duiding door de dromer of zijn uitlegger is vertaald. 

Het kan lang duren voordat een droom uitkomt. Joseef heeft als jongen twee keer een droom gehad over dat buigen van zijn familie voor hem, twee keer, dat tekent het belang van de droom, zeggen de rabbijnen. De vervulling van Joseefs dromen duurt wel heel erg lang. Aanvankelijk lijkt er weinig uit te komen van het beeld van de meester voor wie zelfs de sterren buigen; integendeel niet lang na de dromen is Joseef slaaf geworden. Het duurt nog tweeëntwintig jaar voordat de broers van de inmiddels onderkoning geworden Joseef zich neerbuigen als de korenschoven van de jongensdroom. Dat de vervulling zo lang duurt heeft te maken met dat de dromen op verschillende dagen zijn gedroomd. De twee dromen van Farao daarentegen zijn op dezelfde nacht gedroomd; dat betekent, dat de boodschap bijzonder urgent is en hun vervulling aanstaande. Joseef benadrukt: ‘Dat de droom tot tweemaal toe aan Farao herhaald is, wil zeggen, dat de zaak bij God vaststaat, en dat God die spoedig zal volbrengen' (Ber/Gen 41:32). Let dus op dromen die zich vaak herhalen! 

Joseef is niet alleen een dromer, hij is ook en vooral een uitlegger. Daarbij ziet hij zichzelf als instrument, als kanaal voor de Ene. Als uitlegger moet je helemaal leeg zijn van eigen belang en subjectieve associaties en oordelen, dan kan je je voor de boodschap open stellen. Joseef begrijpt ook, dat de boodschap in de dromen van Farao vraagt om actie en hij komt onmiddellijk met een strategisch plan om de gevolgen van de voorspelde hongersnood na de zeven jaren van welvaart op te vangen. Als je de boodschap van de droom hebt begrepen kan je maar beter de vereiste actie ondernemen. 

De eerder genoemde Rabbi Chisda zei ook: ‘een slechte droom is beter dan een goede droom', waarmee hij bedoelde, dat de boodschap van een slechte droom de richting aanwijst voor ommekeer ( tesjoeva ). Hij signaleerde ook, dat noch een goede droom, noch een slechte droom ooit helemaal uitkomt. Zelfs de legendarische droom van superdromer Joseef kwam niet helemaal uit: de zon, de maan en de elf sterren, die zich voor hem bogen waren zijn vader, moeder en broers, maar zijn moeder zou nooit voor hem kunnen buigen, Rachel was immers al lang overleden. 

Dromen kunnen verwarrend zijn en soms misleidend, maar ze zijn geen bedrog, ze gebruiken allen allerlei trucs om de boodschap zowel te brengen als te verbergen, zoals Freud dat uitgebreid heeft beschreven. Mijn ervaring is, dat ze vrijwel altijd iets te zeggen hebben over de grondstemming in onze lichamelijke of psychische constitutie, die overdag vaak onder de oppervlakte van ons daags bewustzijn duikt. Vaak manifesteren dromen iets van onze al dan niet heimelijke verlangens, van de meest nobele tot de meest verwerpelijke. Gedachten, driften en frustraties kunnen stof leveren voor bizarre droomverhalen. Soms gaat een droom niet over onszelf maar over anderen, of zelfs de samenleving en de wereld. Dan naderen zijn de profetie. Het loont de moeite onze dromen niet te vergeten, maar ze onder ogen te zien en te overdenken. Ze dragen bij tot de kennis van onszelf. 

bronnen: Rabbi Jonathan Sacks over dromen:  http://www.ou.org/torah/parsha/rabbi-sacks-on-parsha/the_power_of_dreams/  
Rav Kook over Mikeets en dromen:  http://ravkooktorah.org/MIKETZ63.htm 
De passages over dromen zijn vooral te vinden op de folia 55a t/m 57b van het tractaat Berachot van de Talmoed, in Engelse vertaling te lezen op internet,
http://www.come-and-hear.com/berakoth/berakoth_57.html 
Degelijk artikel is  ‘Torah Dreams' , door Rabbi Dr. Hillel ben David (Greg Killian) 


Parasjat Wajisjlach  Genesis/Beresjiet 32:4 – 37
Nacht en nederigheid

Jacob is op weg van Charan terug naar de tenten van zijn jeugd. Zijn broer Esau, die hij tweeëntwintig jaar geleden ontvlucht was trekt hem tegemoet, beiden zijn welvarend geworden. Met angst en beven ziet Jacob de ontmoeting met zijn vermoedelijk wraakzuchtige broer naderen en hij vreest het ergste. Verschillende preventieve maatregelen treft hij. Hij verdeelt zijn mensen over verschillende plaatsen, zend rijke geschenken aan vee vooruit. Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje aan de beek Jabbok en vecht met een onbekende man

De nacht van Jacobs worsteling met de ‘man'  (iesj ) ontpopt zich als een beproeving. De paradox is dat de duistere kracht die Jacob aangrijpt en het op zijn ondergang voorzien lijkt te hebben, hem kwetst aan zijn heupspier, zich in de loop van het gevecht onthult als engel van licht die Jacob kan zegenen en hem een nieuwe identiteit (als ik dat beperkte woord kan gebruiken) in leidt. Het is Jacob die zijn inzet ten volle moet geven, maar als hij dat dan ook doet, wil de tegenstand wijken en blijkt daarachter de goddelijke zegen schuil te gaan.
In zijn jonge jaren was Jacob jaloers op Esau, hij wilde de macht en de ongeremde spontaniteit van de door de vader zo geliefde Esau hebben en aan het ziekbed van zijn vader kleedde hij zich zelfs in Esau's kleren, wilde als het ware in zijn schoenen staan. Nu vindt hij zijn werkelijke identiteit en zijn missie: man te zijn van de geest, die het primaat heeft boven de illusie van fysieke macht en materiële rijkdom. Het nachtelijk gevecht betekent ook de rekenschap die Jacob zich moet geven over zijn leugenachtig en jaloers gedrag t.o.v. zijn vader en zijn broer, een ‘ chesjbon hanefesj' , een zich rekenschap over het verleden op diep psychisch niveau; Jacob heeft ommekeer – tesjoeva – gedaan. Van een Jacob, een hielenvolger, een bedrieger, is hij een Godstrijder, Israël, geworden.
Toch is Jacob er niet zonder ‘kleerscheuren' vanaf gekomen.
Hij is gewond geraak aan zijn dijbeen, meer speciaal aan de zenuwpees die over de heup loopt, de nervus striaticus . Hebreeuws gied nasjee , je zou kunnen zeggen een variant van de Achilleshiel.  Daar op die plek wist de nachtelijke man/engel net nog voor het ochtendgloren, toen hij ‘op verlies' stond, Jacob nog te raken. De rabbijnen associëren dit met een stukje kwaad, dat Jacob zo met zich meenam en (zelfs dat dit mystiek gezien een opening bood voor rampzalige gevolgen als de verwoesting van de tempel), een denkwijze die doet denken aan soort van negatief ‘karma', dat toch aan de gelouterde aartsvader bleef kleven. Het staat dan voor de zwakke plek die wij allemaal hebben om te bezwijken voor hartstochten, die ons op een onbewaakt ogenblik kunnen overweldigen. Gied nasjee , letterlijk ‘de zenuw van het vergeten' , want wanneer die zwakke plek – volgens de Zohar niet voor niets vlak bij schaamstreek, - eenmaal geraakt is kunnen we alle morele scrupules en al het  rationele denken vergeten, overboord zetten. Zo verklaart men  het taboe, dat de Tora voor het eten van de heupzenuw geeft (1).
Als alternatieve uitleg zou je ook kunnen zeggen, dat Jacobs kwetsuur op indringende wijze weergeeft, dat alle intens ingrijpende ervaringen van fysiek en psychisch geweld een trauma nalaten. Je kan er overheen komen en er rijker uitkomen, maar de overwinning is nooit absoluut. Een litteken blijft schrijnen en herinnert de mens aan zijn worsteling om boven te komen, sadder and wiser.

De dag daarna loopt Jacob met zeven buigingen Esau tegemoet, gevolgd door de eveneens buigende vrouwen. De broer sluit hem in de armen, kust Jacob ‘ en zij huilden '. De oude rabbijnse wijzen houden van het construeren van duidelijke zwart-wit rolmodellen. Ze zien graag Jacob als onberispelijk en vroom, al Tora lerend bij de tenten Maar daarmee is tegelijk ook de behoefte geschapen antithetische modellen te scheppen van slechtheid en kwaad. Daar is Esau aan ten prooi gevallen (hoewel de Tora tekst daar geen aanleiding toe geeft). De oude uitleggers hebben moeite met in de tekst een echte verzoening te zien. Dat bracht met zich mee, dat er bijvoorbeeld een Talmoedische discussie is ontstaan over Jacobs aanbieding van geschenken in Genesis 33:9 ‘Maar ?Esau? zei: Ik heb veel, mijn broer. Laat wat je hebt, van jou blijven. Jakob? zei daarop: ‘Nee toch, als ik toch ?genade? in uw ogen gevonden heb, neem het geschenk uit mijn hand dan aan, want ik heb uw aangezicht gezien alsof ik het aangezicht van goddelijke wezens (zo vertalen de Oude Wijzen hier Elohiem ) zag, en u bent mij goedgezind geweest. Aanvaard toch mijn geschenk' .
De Talmoedrabbijnen vragen ze zich af (2): mag je slechte mensen tegemoet treden met vleierij. Rabbi Sjimon ben Lakisj antwoordt bevestigend en verwijst dan naar dit vers. Uitgaande van Esau als de belichaming van het absolute kwaad - waarbij ik dus elders een groot vraagteken hen neergezet (3) – vat Resj Lakisj dit vers op als vleierij: helemaal als Jacob Esau vergeleek met een goddelijke verschijning. Maar als Jacob dit doet, is het kennelijk OK. Rabbi Levi vergelijkt Jacobs gedrag met het volgende beeld: iemand nodigt een ander uit en de gast beseft dat zijn gastheer uit is op zijn dood. De gast zegt tot hem: de geur van dit gerecht doet mij denken aan het gerecht dat ik proefde in het huis van de koning. De gastheer zei toen tot zichzelf: de koning kent hem dus. En daarom was hij bang zijn gast te doden. Dus vleierij redt in dit geval een leven.

Maar positiever lijkt mij het zo op te vatten, dat Jacob gedurende zijn vele jaren van huwelijk, arbeid en struggle for life bij zijn oom Lavan in Paddan Aram zijn plaats heeft leren kennen in de wereld van macht, intige en geweld. In zijn benadering van de machtige Esau heeft hij zijn positie goed ingeschat en de juiste strategie utgevoerd. De geschenken en de buigingen dienden om de boze tegenstander te kalmeren, maar waren ook het gepaste betoon van nederigheid tegenover een bedrogen broer. In de Joodse deugdenleer van Moessar is dat de praktisering van ‘ anava' ofwel humility, nederigheid. (4)

Noten
(1) Zie verder bijv. op chabad.org
Voor de specialisten een uitgebreide kabbalistische behandeling door Isaiah ben Abraham Horowitz (c. 1555 – March 24, 1630) ofwel de Shelah in Shney Luchot Habrit op sefaria.org
(2) Talmoed Sota 41b
(3) Zie mijn commentaar op de parasja Toldot http://www.robcassuto.com/parasjot.html#dot
(4) Meer over nederigheid in Moessar op mijn website

Parasjat Wajetsee  (Beresjiet/Genesis 28:10 – 32:4) 
De bedrieger bedrogen 

Deze parasja vertelt over Jacobs tocht naar en verblijf in de streek Charan in het land Aram (ongeveer tegenwoordige Syrië), waar zijn oom, de Arameeër Laban, woont. Op de vlucht voor zijn uitzinnig boze broer en op zoek naar een vrouw. Het familieverhaal van de vorige parasja Toldot zet zich voort. Het bevat alle gevoelens en emoties die een familie kan beheersen, liefde, haat, jaloersheid, woede, angst, ambitie.

Een eerste fase van bewustwording van roeping en bestemming speelt zich af in de aanvang van de parasja ala Jacob zijn lange reis begint. ‘Jacob verliet dus Be'ersjeva en ging op weg naar Charan'(28:10)   . 's-Nachts ziet hij, slapend met het hoofd op een steen, de engelen langs een ladder naar de hemel ziet opklimmen en neerdalen en hij hoort hoe de Eeuwige zich aan hem bekend maakt met de woorden  "Ik ben de Hasjem , de God van je vader Avraham en de God van Jitschak. Het land waarop j e nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven etc."   Min of meer gelijke woorden hebben ook al geklonken voor grootvader Avraham en vader Isaak. De Eeuwige bevestigt hiermee de positie van Jacob als hoeder en doorgever van Avrahams erfenis. Isaak had bij het vertrek van zijn zoon deze positie ook al erkend (aan het slot van de vorige parasja, Ber/Gen 28:1 ev). Hoewel volgens de bijbelse leeftijd Jacob toch minstens veertig moet zijn geweest lijkt hier bij Bet-El de inwijding van een jongeman plaats te vinden, middels een openbaring, die eerst nu pas de zoon op het pad van een volwassen man brengt en op de weg van zijn bestemming (1). 

Een tweede fase wordt ingeleid door het prachtige verhaal van Jacobs ontmoeting bij de put met Rachel, voor wie hij onmiddellijk in liefde ontvlamt. Het blijkt de dochter van zijn oom Laban, de zoon van Avrahams broer Nachor, Jacob maakt kennis met zijn oom, die niet bepaald het toonbeeld van gastvrijheid blijkt te zijn, want Laban – volgens Rasji teleurgesteld omdat Jacob helemaal geen kamelen of juwelen bij zich had, arm als hij was - . blijkt een karakter te hebben dat niet bepaald getuigd van eerlijkheid, grootmoedigheid of gastvrijheid. Hij vraagt onmiddellijk of zijn neef voor hem wil werken. Jacob vraagt als loon om na zeven jaar arbeid te mogen trouwen met de mooie Rachel, en hij preciseert voor de zekerheid: ‘uw jongste dochter ( bitcha haketana ), want zoals de midrasj waarschijnlijk terecht veronderstelt, Jacob vertrouwt zijn lepe oom toen al voor geen cent. Er was immers nog een oudere dochter Lea, waar Jacob niet op viel, een meisje wier ogen ‘ rachot ' waren – soms vertaald als dof, soms vertaald als zacht. (Rasji vermeldt de midrasj, dat dat was omdat zij zich als oudere dochter tot haar verdriet gereserveerd voelde voor de oudere neef Esau).
Na zeven jaar werken – die voorbij gingen ke-achadiem jamiem , als ‘enige dagen' – eist Jacob Rachel op en waarachtig, als de huwelijksnacht voorbij is blijkt de kersverse bruid niet Rachel te zijn, maar de niet geliefde Lea, die waarschijnlijk de maniertjes van Rachel heeft afgekeken. Nadat Esau door Jacob is bedrogen, is nu de bedrieger bedrogen, een koekje van eigen deeg. De midrasj laat Lea op die ochtend van desillusie op Jacobs verwijt naar Laban zeggen, ‘mijn vader een bedrieger? En wie zei op de vraag van een vader: ben jij Esau?, ja ik ben Esau uw eerstgeborene?' Meteen een eerste ruzie met woorden waar Jacob niet van terug heeft. Gelijke munt. Boontje komt om zijn loontje. In Laban heeft Jacob in het spel van misleiding zijn evenknie gevonden. Laban zegt ter verontschuldiging, dat hij op deze plaats ( bimkomo) niet de gewoonte is om eerst de jongere weg te geven, Op deze plaats? Is het dan elders wel de gewoonte, dat de jongere voorrang krijgt op de oudere? De geleerden vermoeden, dat Laban hier een bedekte toespeling doet op de verwisseling van geboorterecht, die Jacob met Esau heeft gepleegd. (2)
Jacob krijgt na Lea ook Rachel, maar voor haar moet hij voor de prototypische uitbuiter die zijn oom is weer zeven jaar werken.
Een belangrijk deel van de parasja gaat over de ingewikkelde verstandhouding van de man met de twee vrouwen in zijn leven, zijn diepe hartsliefde voor de ene vrouw, Rachel, en het verstandshuwelijk met de andere vrouw, Lea. Met de twee vrouwen en de twee bijvrouwen Bilha en Zilpa krijgt hij gedurende zijn diensttijd bij Laban elf zonen en een dochter. 
In de loop van lange jaren wordt hij een welvarend man ondanks de listen van de sluwe Laban, die Jacob in zijn macht wil houden, en dankzij zijn eigen listige tegenzetten. Na twintig jaar trouwe dienst ontsnapt hij aan de greep van zijn oom en aanvaardt met zijn hele gezin en met zijn enorm gegroeide bezit aan knechten en vee de terugtocht naar het land van zijn vaderen. Er volgt nog een laatste ontmoeting en verzoening met Laban. Intussen trekt zijn broer Esau hem tegemoet, met naar Jacob met angst en beven vermoedt bepaald geen zachtzinnige plannen  Dan is een nieuw bedrijf in het drama van de twee broers aangebroken, dat in de volgende parasja Wajisjlach wordt uitgespeeld..

Noten
(1) Meer over de ladderdroom in Commentaren van Rob Cassuto op de vijf boeken van de Tora.REIZEN DOOR DE TORA, deel 1, van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus, deel 2, Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium.
Nu verkrijgbaar bij Stichting PaRDeS, Mastix Press in de reguliere boekhandel en Bol.com.
Zie ook http://www.robcassuto.com/parasjot.html#ets
(2) Dankbaar is gebruik gemaakt van Leibowitz Nechama: Studies in Bereshit/Genesis , WZO, Jeruzalem, 1981, 4e ed., p. 317 ev

Parasjat Toldot Beresjiet/Genesis 25:19-28:9
demonisering

Een gezinspsycholoog zou over Isaaks familie waarschijnlijk spreken van een gespleten gezin. Vader Isaak en moeder Rebecca hebben ieder hun eigen voorkeur en dragen ieder bij om de disharmonie tussen hun beide zonen te versterken.   
Vanuit het oogpunt van verhaal, intrige en toneel- of filmscenario is het verhaal van de broers vol spannend conflict en ligt het drama voor het grijpen. Esau is dan een onmisbaar en noodzakelijk ingrediënt van het drama. Goed de tekst bekeken is er niet zoveel mis met hem. Toegegeven hij is een onstuimige vent, een wildeman, maar ook een goed jager en waarschijnlijk een goede krijgsman (die naar de latere vaderzegen zal leven van het zwaard). Hij is een lastige klant, die naar het idee van zijn ouders de verkeerde vrouwen kiest, maar dat later tracht goed te maken door een kleindochter van Avraham te trouwen. Hij leeft in het moment, een gepassioneerd man. Misschien zou hij nu een stinkend rijke zakenman zijn, een ijzervreter van een kolonel in het leger, een stervoetballer zijn, kundig, toegewijd, populair, een paar jaar geliefd, en later vergeten, .   
Jacob is zijn tegenhanger, een rustige man, slim, een vent die vooruitkijkt, wiens ambitie verder reikt dan het moment van nu, een strateeg, die vooruit plant.   

Maar Esau zou in veel rabbijnse ogen het toonbeeld worden van het kwade, van de man die voor het slechte pad kiest.   Zijn andere naam Edom – de rode – zou het label worden van alle kwade machten die het op Israël voorzien hadden. Het volk Amalek, afstammend van Esau, Haman de afstammeling van Agag, ook een Edomiet, dan de Romeinen en zelfs Hitler werden door velen gezien in het teken van Esau.   
Vele commentaren en midrasjiem belichten duistere kanten van Esau en schilderen hem af als een onverschillige, liefdeloze, moordlustige man.  Er zijn tal van legenden om Esau geweven, die de slechtheid van Esau in kwade geuren en donkeren kleuren beschrijven. (1)

Een voorteken zagen vele uitleggers reeds het rode haar waarin de baby Esau was gehuld, waarbij de kleur rood als symbool gold van het te vergieten bloed.  Het kan heel goed, dat Avraham Esau nog heeft meegemaakt. Avraham was 100 toen Jitschak geboren werd, 140 toen Jitschak huwde en waarschijnlijk twintig jaar later vader werd. Jacob en Esau ongeveer waren nog jongens, toen Esau van de jacht terug kwam en de rode soep eiste. De legende wil dat tot dan Esau omwille van zijn grootvader zijn boze neigingen inhield. Maar op die dag dat Avraham stierf, 175 jaar oud, braken bij Esau de duistere krachten los.  Sterker nog, de legende luidt, dat op die dag Esau ook Nimrod had verslagen, de koning die Avraham al had vervolgd en die, nog steeds rebelleerde (Nimrod <‘marad'= rebelleren) tegen diens nageslacht en tegen die Ene G-d; Nimrod had het voorzien op Esau, waarbij het tussen hen ook nog zou gaan om het kleed van Adam, dat macht gaf over de wereld en de natuur.  Sindsdien zou Esau een machtige mensenhater zijn, die als een ziekte haat om zich heen zou verspreiden.
Mooie schrille verhalen, die op zich al weer roepen om duiding. Duidelijk is dat veel bijbelcommentaar en midrasj uit zijn op het construeren van duidelijke zwart-wit rolmodellen. Aan de ene kant zijn er heilige voorbeelden van het goede – vaak gevonden in Avraham, Isaak en Jacob, Mozes, David etc. De Oude Wijzen zien graag Jacob als onberispelijk en vroom, al Tora lerend bij de tenten en zo praatten zij het bedrog van Rebecca en Jacob bij het schijnbare sterfbed van Isaak goed (2). Maar – aan de andere kant - zijn daarmee ook antithetische modellen ontstaan van slechtheid en kwaad.
Die ‘arme' Esau is voorwerp geworden van het laatste. Goed beschouwd is hij toch eigenlijk niet meer is dan de ‘gewone mens' met zijn passies, de bully, de macho, de feestvierder, de vreemdganger, licht ontvlambaar, oppervlakkig, ja misschien de vijand van het ene moment en de vriendelijke buurtgenoot van het volgende moment.   Jacob is ook niet zonder smetten, hij heeft zijn eigen menselijke tekortkomingen. Hij is de man van de reflectie en verstand, die deze geestelijke attributen eerst verkeerd aanwendt voor list en bedrog en later met zichzelf en zijn broer in het reine komt. De Tora beschrijft eerder dan statische portretten van supergoede en intens kwade karakters de dramatische dynamiek van een proces tussen twee mensen, die de belichaming zijn twee polen; van geest en lichaam, van verstand en impuls, van reflectie en hartstocht. Beiden zijn aan elkaar gewaagd. Eigenlijk vormen ze een polariteit onder het teken van een overkoepelende eenheid. Ze hebben elkaar nodig, kunnen niet zonder elkaar. Maar Jacob is gekozen als voortzetter van Avrahams erfenis van inzicht in de onverbrekelijke eenheid in de schepping, van rechtvaardigheid en compassie. Hij is gekozen als  drager van de missie om het licht van de geest in een donkere en verwarrende wereld niet te laten doven. Maar dat Jacob is gekozen betekent niet, dat Esau is afgewezen, zoals Rabbijn Jonathan Sacks nadrukkelijk betoogt in een diepgaande herlezing van de tekst (3). Verliezen we dat uit het oog,dan is de basis gelegd voor overdreven heiligverklaring van de een versus demonisering van de ander.

Noten

(1) Louis Ginzberg . legends of the Jews, Volume 1:6, (1909 CE) In dit verhaal zijn allerlei aggadische vertellingen rond Esau samengevat.
(2) Zie bijv Radak (Rabbi David Kimchi ,1160–1235) ad Genesis/Beresiet 27:19
(3) In zijn boek ‘Niet in Gods Naam', Kok, 2016, deel II

Parasjat Chajee Sara     Beresjiet/ Genesis 23:1–25:18 
Gelukkige ontmoetingen  

De parasja Chajee Sara bevat dat het prachtige verhaal over hoe Avrahams vertrouweling, de knecht Eliezer, opdracht krijgt een vrouw voor Jitschak te zoeken en hoe hij deze opdracht volbrengt. Het verhaal wordt in geuren en kleuren verteld, het is een staaltje van de beste Tora-vertelkunst.   
Degene die deze regels heeft geschreven moet een begaafd schrijver of dichter zijn geweest. De spanning van de knecht Eliezer wordt subtiel weergegeven, als hij wacht bij de waterput totdat de meisjes van de stad de poort uit zullen komen om het kleinvee te gaan drenken. Hij bidt op een goede afloop en krijgt ingegeven aan welke test de toekomstige vrouw van de zoon van zijn meester zal moeten voldoen: ze zal hem op zijn verzoek onmiddellijk te drinken geven uit haar kruik en uit zichzelf aanbieden ook voor zijn kamelen water uit de put te halen om de beesten te drenken. En daar komt Rivka, jong mooi en maagd. Het lijkt wel of de oude knecht subsidiair voor Jitschak verliefd wordt op de knappe herderin. Op zijn verzoek om een slok geeft ze die onmiddellijk en inderdaad drenkt daarna de kamelen, snel en efficiënt. 
Opvallend in deze passage over Rivka's handelingen is hoe een aantal keren woorden met de stam ‘snel' en ‘rennen' –  maher  ,  rats  – voorkomen; het tekent de houding van achting en respect van de jonge vrouw voor de vreemdeling. We zijn deze woorden ook tegengekomen in de houding van Avraham als hij voor zijn tent de drie boodschappers ontvangt en een maaltijd bereidt.(1). 
De verraste knecht ziet in stille verbijstering aan hoe het meisje haar diensten voor hem verricht en als ze klaar is hakt hij de knoop door: God moet hem hebben verhoord, dit is de ware. Hij geeft haar de bedoelde geschenken een gouden neusring en twee gouden armbanden van tien sjekels goud zwaar. Twee armbanden, dat verwijst naar de twee stenen tafelen en tien sjekel verwijst naar de tien uitspraken (geboden) weten de Oude Wijzen (2) 
Dan pas vraagt Eliezer naar haar afkomst en dan pas blijkt zij tot de familie van Avraham te behoren. Dat was wel een gok. Blijkbaar waren de schoonheid en de uitmuntende eigenschappen van vriendelijkheid en hulpvaardigheid van Rivka zo overweldigend dat zij voorrang kregen boven status en afkomst, zaken die toch wel van eminent belang plachten te zijn. Als Avrahams afgezant later het verhaal doet aan de familie draait hij in zijn verslag wijselijk de volgorde van de gebeurtenissen om, lees het maar na. (Beresjiet/Genesis 24:47)(3) 
Meer saillante details verschillen in het mondeling verslag van de knecht aan de familie van Rivka. Want eigenlijk worden de gebeurtenissen tweemaal verhaald, eerst als vertelling in de derde persoon en dan als verslag van de knecht aan Rivka's broer Lavan, . Een stijlvorm die wij in onze moderne verhaalkunst niet zo zeer kennen, maar die hier op een of andere wijze bijzonder sterk werkt. Bij voorbeeld: in Beresjiet/Genesis 24:3 laat Avraham de knecht zweren bij ‘de Eeuwige, de God van de hemel en de God van de aarde'; in het verslag van de knecht over deze eed ( Beresjiet/ Genesis 24:37) vermeldt de man geen Eeuwige. Dit zou hij dan bewust in zijn verslag hebben weggelaten omdat Avrahams familie natuurlijk niet het Abrahamitische monotheïsme (om het mooi theologisch te zeggen) kende, maar hun eigen godendienst hadden; de knecht wilde dit natuurlijk respecteren en hen niet nodeloos kwetsen. Een zin later vertelt de bediende dat hij de opdracht had gekregen naar het vaderlijk huis en de familie van Avraham te gaan om een vrouw te zoeken. Avraham had het echter alleen over zijn ‘land en geboorteplaats' ( Beresjiet/Genesis 24:4). De knecht dacht strategisch en heeft het in zijn verslag maar iets toegespitst tot de familie, waar hij door dat (schijnbare?) toeval is aangeland.

Hij voert Rivka mee terug naar de tenten van Avraham en Jitschak.   
Rivka heeft kennelijk een scherpe intuïtie over haar lotsbestemming en de vastbeslotenheid om daar onvoorwaardelijk naar te luisteren en te handelen: ondanks de pogingen van de familie haar nog een tijdje te houden zegt ze op de vraag of ze onmiddellijk mee wil gaan: ‘Ja, ik wil gaan'.   
Jitschak zal meer dan voldaan zijn geweest: de man ‘bracht haar naar de tent van Sara, hij nam haar tot vrouw, hij beminde haar en troostte zich met haar na Sara' ( Beresjiet/Genesis 24:67). 

Hiermee bereikt dit verhaal een happy end. Idyllische momenten zijn er ook in de Tora. Gelukkige ontmoetingen bij een put, daar zijn er meer van in. Tenslotte is de put een archetypische ontmoetingsplaats in de samenleving van herders en kleine landbouwers. We denken aan Jaäkov, die zijn grote liefde Rachel ontmoette bij de waterput, misschien wel dezelfde als waar Rivka haar vee drenkte. De meest romantische scene in de Tora. Ook Mosjee ontmoette Zippora bij een waterput in de streek van Midjan. Waar het water vloeit zijn de condities voor geluk in de zin van geestelijk en lichamelijk welzijn aanwezig. (4)

Noten  
(1) zo ook Sforno ad loc 
(2) Rasji ad loc, 
(3) meer hierover in mijn boek ‘Reizen door de Tora. Van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus', p. 61 ev 
(4) Ik moet ook denken aan de ontmoeting van Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de waterput – de Jakobsbron - , Joh. 4:5, waarin opvalt hoe Jezus over 2 taboes heenstapt: hij spreekt met een Samaritaanse, waar ‘Joden niet mee omgaan' en hij spreekt met een vrouw, waarover de discipelen hun verbazing uitspreken.

Parasjat Wajera   Genesis/Beresjiet 18 – 23
Bidden voor andermans nood

In het bijbelstuk (parasja), getiteld Wajera, worden een aantal sleutelgebeurtenissen verhaald uit de oergeschiedenis van Israël. Een belangrijk deel van Avrahams leven speelt zich in deze passages af. Achtereenvolgens zijn dat:het bezoek van de drie ‘mannen' (engelen), die, gastvrij onthaald door Avraham, hem de geboorte van een zoon uit Sara aankondigen; de verwoesting van Sedom en ‘Amorra, die ondanks de discussie tussen Avraham en de Eeuwige, plaats zal vinden; het lot van Lot. die door tussenkomst van de engelen aan de verwoesting ontkomt en toevlucht vindt in een dorp in de buurt en later in een grot, waar zijn twee dochters hem twee zonen ontlokken; de ontmoeting met koning Avimelech, die Sara in zijn gevolg haalt en haar later, geschrokken door een droom, weer aan Avraham teruggeeft; de geboorte van Jitschak; het wegzenden van Hagar en haar zoon Jishmaël en de haar geschonken uitkomst; conflict en verbond met Avimelech; beproeving van Avraham met het gevraagde offer van Jitzchak, en de herhaalde belofte van een overvloedig nageslacht.

Uit deze rijke geschiedenissen richt ik de schijnwerper even op de  episode met Avimelech in Beresjiet 20.

Het lijkt wel een herhaling van de eerdere belevenis van (toen nog) Avram en Sarai in Egypte (Beresjiet 12:11). In Beresjiet 26 overkomt Jitzchak weer gedeeltelijk hetzelfde, nota bene ook met Avimelech. De topos (‘standaardgebeurtenis') is: 
de aartsvader is bevreesd voor de machtige heerser, dat zijn mooie vrouw wordt geroofd en hij gedood en hij zegt daarom of laat zeggen, dat de vrouw zijn zuster is (wat in Avrahams geval de halve waarheid was: Sara was zijn halfzuster). De vorst denkt straffeloos de vrouw te kunnen nemen, maar wordt toch tijdig gewaarschuwd. De vrouw wordt teruggegeven en de man wordt gecompenseerd met geld, vee of vrije vestiging. In het geval van Avraham wordt het huis van koning Avimelech getroffen door onvruchtbaarheid. In een droom wordt de koning ingefluisterd dat de vrouw Sara in zijn paleis wel degelijk de echtgenoot van Avraham is. Deze herhaalde gang van zaken wijst erop hoe gevaarlijk het zwervend leven was en hoe afhankelijk van de luimen van meer machtigen. Speciale aandacht richten we op het gedeelte van de verzen 20: 17 t/m 21 21: 2 (NBV). 

20:17 ‘Toen bad Avraham tot God, en God genas Avimelech en zijn vrouw en bijvrouwen, zodat ze weer kinderen konden krijgen; 18 de Eeuwige had namelijk bij alle vrouwen in Avimelechs paleis de moederschoot gesloten om wat er gebeurd was met Avrahams vrouw Sara.' 
21: 1 ‘De Eeuwige zag om (Hebr . 'pakad' ) naar Sara zoals hij had beloofd, hij gaf haar wat hij had toegezegd: 2 Sara werd zwanger en baarde Avraham op zijn oude dag een zoon, op de vastgestelde tijd, die God hem had genoemd.'  

De middeleeuwse bijbelcommentator Rasji zegt hierover (vertaald uit Engelse weergave): ‘deze afdeling is hier geplaatst om je te leren dat wie erom bidt dat een ander begenadigd wordt zelf éérst wordt geantwoord. Want er staat: “hij (Avraham) bad etc. en onmiddellijk daarna “De Eeuwige zag om naar Sarah”, wat wil zeggen, Hij had al naar Sara omgezien voordat Hij Avimelech had genezen.'

Hoe komt Rasj daarbij? 
Een gebruikelijk principe van Tora-uitleg is ‘ post hoc propter hoc' , plm is ‘erna is omdat'. Als in de Tora het ene onmiddellijk na het andere komt is dat niet zomaar, dan is er een verband. We zagen dat ook al bij Avrahams besnijdenis aan het eind van Beresjiet 17. In Beresjiet 18 onmiddellijk aan het begin verschijnt de Eeuwige aan Avraham, dus hij komt speciaal om zijn zieke uitverkorene te bezoeken. Hier bidt aan het eind van Beresjiet 20 Avraham om onvruchtbaarheid bij Avimelech en zijn vrouwen op te heffen. Begin Beresjiet 20 wordt Sarah zwanger, er is dus een verband.
Dat wordt nog verder verhelderd door de analyse van de Hebreeuwse woorden.
In dit geval kijken we naar de werkwoordsvorm van ‘De Eeuwige zag om naar Sarah'. Er staat ‘ pakad ', wat de voltooid verleden tijd is, dus eigenlijk staat er: had (al) naar haar omgezien (dit vertaalt Dasberg beter, hij vertaalt:  had  bedacht). Dat houdt in dat al vóórdat de Eeuwige op voorbede van Avraham de vruchtbaarheid in Avimelechs paleis bewerkstelligde Hij Sara al had bedacht met zwangerschap. 
Wie bidt voor de noden van een ander krijgt zijn eigen nood gelenigd, nog voordat hij bidt voor eigen nood. Nog wat meer uit de context losgemaakt: wie zich zonder enig eigen belang inzet voor een ander wordt in zijn eigen nood door God meer dan gehoord. Moge dat zo zijn. 

Parasjat Lech Lecha    Beresjiet/Genesis 12-18    
De universele Abraham

Verscheidene passages in de Tora houden in, dat in Abraham de volken van de wereld zullen zijn gezegend (zoals in de eerste zegening in Genesis 12:3, niwrechoe bechá kol misjpachot ha-adama ). Bijbelprofessor Umberto Cassuto signaleert: ‘we hebben hier de eerste toespeling op het concept van universaliteit dat inherent is in het geloof van Israel, dat verder ontwikkeld zou worden in de leringen van de profeten'. (1) 
Niet alleen voor de joden, ook voor andere religies is Abraham een voorbeeld van geloof en een inspiratie voor levenswandel. Zowel in het Christendom als in de Islam wordt hij boven zijn Joodse context uitgetild.

De apostel van het christendom, Paulus, wijdt een bij theologen befaamde passage aan Abraham. In zijn brief aan de Romeinen legt hij de nadruk op het onwankelbare geloof van Abraham in de Altijdzijnde. (2) Als ik het goed begrijp komt het op het volgende neer. Niet omdat Abraham zulke goede daden heeft verricht werd hij door God gerechtvaardigd, niet om zijn verdiensten, maar louter doordat hij op God vertrouwde; dat godsvertrouwen was al genoeg. En omdat hij al gerechtvaardigd werd toen hij zich nog niet had besneden en er sowieso toen nog geen geheel van wettische voorschriften bestond, is ook voor hen die niet besneden zijn – lees de niet-joden c.q. deniet-joodse christenen - het geloof in God – en natuurlijk voor de christenen het geloof in Jezus als messias en zoenoffer voor zonden – voldoende; het is voor rechtvaardiging niet nodig, dat je je aan allerlei voorschriften – lees de Joodse wet – houdt.

In de Koran speelt Abraham een belangrijke rol, in vele passages treedt hij op. Uit een artikel van prof. Karl Josef Kuschel (3) haal ik een belangrijk citaat uit de Koran: ‘O, mensen van het Boek, waarom redetwist gij over Abraham, wanneer de Tora en het Evangelie eerst na hem werden geopenbaard? Wilt gij dan niet begrijpen? Ziet, gij twist over hetgeen, waarvan gij kennis hebt. Waarom twist gij dan (eveneens) over hetgeen, waarvan gij geen kennis hebt? Allah weet en gij weet niet.  Abraham was noch een Jood, noch een Christen, maar hij was een oprecht Moslim. En hij behoorde niet tot de afgodendienaren.' (4) 
Het blijkt te staan in het hoofdstuk (soera) Al Imraam, o.a. een voor joden weerbarstige verhandeling over ‘het volk van het Boek'. Maar in bovengeciteerd vers ligt wel een helder statement: Abraham ging vooraf aan Tora, Evangelie en ook aan de Koran. Hij was ‘een vriend van God'.

Prof Kuschel neemt deze soera als uitgangspunt voor zijn pleitrede voor een Abrahamitische spiritualiteit en oecumene. In zijn interreligieuze werk vindt hij zijn grondslag in de verhalen van Abraham, zoals zij verteld worden in de Tora, in het Nieuwe Testament en in de Koran. In de verhalen over Abraham komt – zo stelt hij – iets tot uitdrukking dat als grondhouding van mensen tegenover het heilige, het Absolute, tegenover God ook in andere religies te vinden is: de kracht om op grond van radicaal vertrouwen op God op te breken en iets nieuws te wagen. Dit ziet hij als Abrahamitische spiritualiteit, het radicaal vertrouwen om ondanks de deprimerende geschiedenis van conflict en geweld tussen de religies en tegen de verleiding van berusting in, vol te houden en met erkenning van verschillen steeds te zoeken naar gemeenschappelijke grond.

Biedt de Tora in het verhaal van Abraham nog andere episoden, die inspireren tot een vredelievend samengaan van mensen van verschillende religies? Een late midrasj (5) verhaalt hoe een bezorgde Avraham na jaren tot tweemaal zijn zoon Ismael in de woestijn weer opzoekt en een derde keer zich met hem verzoent. Dit verhaal is in de islamtraditie in een aangepaste vorm overgenomen als basisuitleg voor de in de Koran vermelde bouw van de Kabaä door Abraham en Ismaël. Ismaël kreeg twaalf zonen. In Beresjiet/Genesis 25 wordt de laatste episode in het leven van Abraham beschreven. Hij neemt na de dood van Sara waarachtig nog een tweede vrouw, Ketoera – de midrasj zegt: dat is een teruggekeerde Hagar – en krijgt nog zes zonen bij haar. Inderdaad, een vader van vele volken is hij. (6) 
Hij wordt begraven door zijn twee oudste zonen, Isaac en Ismaël (Beresjiet/Genessis 25:9). Aan het graf van hun vader ontmoeten de twee rivalen elkaar weer, dat is een hoopgevend metafoor. 

Al eerder is in het leven van Abraham een signaal van een vreedzame oplossing van conflicten gegeven. Als de nog ‘jonge' Abram met zijn neef Lot is vertrokken uit Charan ontstaat er een conflict over de weidegrond voor hun vee. (Beresjiet/Genesis 13). De herders maken ruzie met elkaar. Er is te weinig levensruimte voor beiden. Dan zegt Abraham zoiets als: laten we toch geen ruzie maken, wij zijn immers mannen die broeders zijn! Ligt heel het land niet voor je open? Er is ruimte genoeg voor ons beiden, ga jij naar links dan ga ik rechts en ga jij rechtsaf, dan ga ik linksaf. 
Dat kan ook dienen als metafoor: er is ruimte genoeg voor allen, als we dat maar zien en elkaar dat gunnen. Eerst moeten we als joden, christenen en moslims ophouden ruzie te maken en elkaars waarheden aan elkaar op te dringen, stoppen met elkaar te onderdrukken en zelfs te doden. Dan kunnen we elkaar de ruimte gunnen, elkaars verschillen respecteren, dan kan een ontmoeting en werkelijke kennismaking zich ontwikkelen.  
Misschien gloort er dan iets als een oecumenisch gebeuren onder het patronaat van Abraham. 
De laatste tijden lijkt dat nog ver weg.

noten 

(1) U. Cassuto (1883-1951), A commentary on the book of Genesis, part two, from Noah to Abraham, Magnes Press, Jerusalem, 1977, p. 315 
(2) Romeinen hfst 4 
(3) Karl Josef Kuschel , ‘ Op weg naar een Abrahamitische spiritualiteit en oecumene' in : In de voetsporen van Abraham, vele bijdragen aan symposia 2003 en 2004 te Nijmegen, Damon 2004 
(4) Koran, Soera 3 (Al Imraan) 65-68 
(5) Pirkee de Rabbi Eliezer, hfst. 30 e.v. 
(6) Zie ook: Marcel Poorthuis, ‘Hagar's Wanderings: Between Judaïsm and Islam' (https://marcelpoorthuis.wordpress.com/publicaties/wetenschappelijke-publicaties/journal-articles/) 

Parasjat Noach Beresjiet/Genesis 6:9-11:32
Over bakstenen en digits

Er zijn in de geschiedenis van de mensen verscheidene kardinale technische ontdekkingen gedaan, die diep ingrijpende invloed hadden op maatschappij en samenleving, een invloed, die - als men de toenemende complexiteit, die het gevolg was van die ontdekkingen positief bekijkt - vooruitgang betekende. De lezer hoeft niet lang na te denken: de domesticatie van dieren, de mogelijkheid systematisch eetbare gewassen te verbouwen ofwel de landbouw, het wiel, het schrift, en later de boekdrukkunst, de stoommachine, de atoomsplitsing, de pil en recentelijk de computer.
Een van die lang geleden gedane, belangrijke ontdekkingen is de uitvinding van de baksteen. Vanaf de uitvinding van de baksteen konden stevige gebouwen worden gebouwd, kon worden gebouwd waar geen stenen waren, stevige woningen, die bovendien bestendig waren tegen zon, weer en wind. De mogelijkheid van de grote stad was geschapen.
Die ontdekking staat beschreven in de parasja Noach. Beschreven staat, hoe de mensen, de afstammelingen van Noach, deze ontdekking deden, toen ze na de zondvloed de wereld introkken en aanlandden in de vlakten van Babel en voor het bouwen van woningen geen stenen aantroffen. Besresjiet/Genesis 11:3 (HSV): ‘En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem' .
Een prachtige vinding, die een weids scala aan bouwmogelijkheden opende, maar die ook , veronderstel ik, een overweldigende ervaring betekende, een ervaring, die het gemoed vervulde met trots en gevoel gaf de wereld meer onder controle te krijgen.
Met hun vondst kregen de uitvinders van de baksteen de smaak te pakken en zoals dat in de geschiedenis en in de menselijke psyche verankerd ligt, gingen ze al gauw de grenzen opzoeken en de nieuwe techniek tot het uiterste uitproberen. Het verhaal in de parasja borduurt daarop voort. Ze gingen meteen een gigantische toren bouwen die tot in de hemel zou reiken. Zo werd de bouw van de toren van Babel het prototype van de aanwending van menselijke vindingrijkheid tot zelfverheerlijking. (1)

De leiders van de bouw – de legende zegt, dat het de machtige koning Nimrod was - werden bevangen door een roes, om door middel van de toren aan de hele wereld te laten zien hoe machtig en slim ze waren en zo de erkenning van hun dominantie af te dwingen. Dat kunnen we afleiden uit Beresjiet/Genesis 11:4 . (2) De onderdanen werden bezeten door een monomanie om het gebouw zo hoog mogelijk te krijgen. Dag en nacht joegen ze elkaar op. Als er een mens van de steigers viel kon het de anderen niks schelen, maar als er een steen viel moesten ze huilen, terwijl ze op de volgende steen wachtten, zo luidt een versie van de legende rondom de toren (3). Ik kan niet nalaten te denken aan de slavenarbeid in de Golfstaten, waar dagelijks slachtoffers vallen bij de bouw van prestigeobjecten, de glimmende torens, die hemelhoog afstekend tegen de blauwe woestijnhemel door CNN op ons televisie scherm worden gepresenteerd .

Een ander commentaar van een middeleeuwse wijze ziet in de bouw van de toren een poging van de mensen om op te klimmen tot de hemel om daar om orde op zaken in te stellen: eenmaal daar levend en wel aangeland zouden ze het misverstand van de eindigheid van het leven kunnen rechtzetten; ze zouden de handicap van de dood kunnen overwinnen en de hemelse beschikking van sterfelijkheid, afgeroepen over Adam, kunnen doen herroepen.(4). Zo kunnen we het verhaal duiden als een allegorie van de mens, die niet wil berusten in de dood en eeuwig op weg is met alle mogelijke middelen onsterfelijkheid te veroveren.
Terecht was de Eeuwige hier hevig bezorgd over. Hij zei (Beresjiet/Genesis 11:6) ‘ Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn '. Graag waag ik de veronderstelling, dat we dit tegenwoordig zo mogen uitleggen, dat de almachtsfantasieen van de mens en de illusies van alomvattende maakbaarheid van het leven op de lange duur tot mislukken gedoemd zijn. De Eeuwige zorgde er in het geval van de Babelse toren ervoor, dat de aanvankelijk monomaan eensgezinde mensen ruzie kregen – op zich een bij mensen te verwachten fenomeen – en in groepen uiteenvielen en naar alle kanten verder de wereld introkken, hetgeen een diversiteit opleverde, die de mensheid uiteindelijk verder bracht.

Zoals gezegd zijn na de baksteen nog vele andere technische revoluties gevolgd.
Ze hebben de mensheid altijd in een volgende ontwikkelingsfase met meer complexiteit en specialisatir geduwd. Dat ging en gaat steeds gepaard met een combinatie van grote zegen en veel misbruik en ellende, vanaf het buskruit tot de atoomenergie. Het blijft een grote bijna niet te bemeesteren kunst om bakstenen, letters, boeken, machines, atomen, internet en dergelijke te gebruiken binnen de menselijke maat.
Het extreme, het uiterste, blijft zijn magische aantrekkingskracht behouden. Dat kan leiden tot soms uiterst succesvolle resultaten, die een zegen voor de mensheid betekenen, maar veel te vaak tot uiterst schadelijke en destructieve ontwikkelingen. Wie zal uiteindelijk de balans opmaken …

Ik kwam een in dit verband een heel toepasselijke passage tegen in een artikel over de geruchtmakende Israëlische schrijver van de boeken ‘Sapiens' en ‘Homo Deus', Yuval Harari.(5) ‘Vanuit religieus oogpunt is Silicon Valley momenteel de interessantste plek op aarde, meent Harari. Daar lopen de nieuwe hogepriesters van het geloof in technologische vooruitgang, die in hoog tempo bezig zijn om de mens goddelijke kwaliteiten te verschaffen. Nieuwe levensvormen scheppen, op afstand communiceren, zich verplaatsen met hoge snelheden en het eeuwige leven leiden: in het verleden waren dit soort ‘supervermogens' enkel voorbehouden aan goden. Maar inmiddels leven we in het tijdperk van de  Homo Deus,  de mens-god'. Tot zover het citaat.
Is de digit de nieuwe baksteen?

Noten

(1) De moderne bijbelwetenschapper Umberto Cassuto (1883-1951 situeert de oorsprong van het verhaal in het midden van de zestiende eeuw voor de gewone jaartelling, in de tijd dat in de stad Babel de tempel van Mardoek, een ontzagwekkend bouwsel met een immens hoge toren (ziggurat), was verrezen en vervolgens verwoest. Het gebouw was opgetrokken met gebakken stenen, een revolutionaire vondst in die tijd gedaan. Zie verder   U. Cassuto , A commentary on the book of Genesis, part two, from Noah to Abraham, Jerusalem, The Magness Press, p.225 ev
(2) Dit motief vermeldt Ovadja Sforno (16 e eeuw) ad loc (op Sefaria.org)
(3) Zie voor de midrasj Genesis Rabba (een verzameling rabbijnse uitspraken uit de eerste eeuwen van de gebruikelijke jaartelling) 38, 6-7 en Pirkee de Rabbi Eliezer (een losse aangeklede hervertelling van de Tora uit plm 500 gewone jaartelling) hfst 24
(4) Aldus ook Rabbeinu Bachya (plm 1300) ad Beresjiet/Genesis 11:4
(5) geciteerd uit: Jaap Tielbeke, De betekenis van het leven, De evolutie volgens Yuval Noah Harari, De Groene Amsterdammer , 8 febr. 2017

Parasjat Beresjiet Beresjiet/Genesis 1:1-6:8 
De bewustwording omtrent seksualiteit,, een speculatie

De nieuwe leescyclus is weer begonnen en we gaan in op het verhaal van Adam en Eva, die ondanks het verbod de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad at en Adam verleidde ook te eten (Genesis hfst 3). Dit verhaal heeft diepe sporen nagelaten in de opvattingen over seksualiteit en de vrouw in de monotheïstisch godsdiensten Jodendom, christendom en islam, de vrouw als verleider tot het kwaad is diep ingebakken (geweest), zij het dat feministische theologie hier flink aan heeft gesleuteld. Mij leek het vruchtbaar eens vanuit een andere hoek het verhaal te benaderen en het te beschouwen als een herinneringspoor van een belangrijke ontdekking ooit in prehistorische tijden gedaan.

Wij kunnen ons in dit postmoderne tijdperk nauwelijks voorstellen, dat ooit de mens niet heeft geweten, dat het samengaan van man en vrouw in de seksuele gemeenschap het krijgen van een kind tot gevolg heeft, anders gezegd dat de rol van de man en zijn penis, onmisbaar is in de procreatie van nageslacht. Toch moet deze toestand van onwetendheid ooit de staat van het mensdom zijn geweest. Ooit moet hij plaats hebben gevonden, de doorbraak van het inzicht dat de mannelijke daad van opperste lust en plezier (en wellicht ook mannelijke macht) negen maanden later bij de vrouw zulk een indrukwekkend en ingrijpend gevolg had in de vorm van de geboorte van een kind. Negen maanden later, dat is een flinke tijdspanne tussen oorzaak en gevolg. Het moet een verbijsterend moment zijn geweest, een primordiale aha-erlebnis, in die prehistorie een krachttoer van causaal denken, een ‘giant step for mankind', een ontdekking die ieder mens als kind in zijn kleuterjaren weer overdoet. Ga nog even wat verder mee in mijn antropologische fantasie: vermoedelijk was deze pionier van de menselijke wetenschap een vrouw.

Dat klinkt nog door in het paradijsverhaal van Genesis; het is Eva die de kennisvrucht plukt. Ooit deelde een Eva dit schokkende kennisfeit (de schone vrucht) met een Adam en zo werden man en vrouw uit een prereflexieve wereld geworpen in een wereld waarin zij voortaan wisten dat hun gezamenlijke seksuele daad – die in hun nu voortaan bewust waargenomen naaktheid al als kiem besloten lag – onontkoombaar verbonden was met zijn gevolg, het kind. ‘Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten (1) ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van' (Gen 3:7). (2)

Dat moet een menigte revolutionaire psychische en maatschappelijke gevolgen hebben gehad. Waarschijnlijk hoort daartoe een enorme statusverhoging van de man en een taboe rond de machtige procreatieve organen. In een vergrote kennisruimte daalde het besef in over de barre noodzaak om de seksuele energie te kanaliseren in het belang van betrouwbare relaties en een veilige samenleving. Eros moest voortaan gereguleerd worden door de geest. De mannen ontkwamen er niet aan hun erotische aandriften in de hand houden. Dat dit project deels gelukt is een groot wonder, of men de aanzet daartoe nu legt bij de geboden van de Eeuwige, de stem van de oervader van de horde (Freud) of bij een sociaal contract tussen de stambroeders. Waarschijnlijk speelde de ontwikkeling van taal een essentiële rol. De beheersing van de anarchistische eros is een gigantische opgave. Het was onvermijdelijk, dat die geestelijke krachttoer sporen van wrok, boosheid of angst op de bodem van de mannelijke psyche heeft achtergelaten. De vrouw heeft in vele culturen een prijs betaald voor het feit dat de mannen hun eros met veel tegenzin hebben moeten inperken. In ruil daarvoor heeft de man in vele culturen, met name die in het middellandse zeegebied, met behulp van zijn fysieke kracht de dominante rol in relaties opgeëist. Met haar schoonheid, haar zinnelijkheid en haar verleidelijkheid brengt de vrouw bij de man vlagen naar boven van oerherinneringen aan een prijsgegeven wereld van vrije lusten. Zo is de man gespannen tussen de pool van enerzijds uiterste zelfbeheersing en anderzijds op de loer liggende lusten, hetgeen vaak is uitgelopen is of dreigt uit te lopen op een cultuur van dubbele moraal van openlijke zedigheid en verborgen lichtzinnigheid .

Ik denk, dat niet onderschat mag worden hoezeer de laatste zeventig jaar mede de vooruitgang van de techniek van geboortebeperking, met name de pil, de oude verhoudingen in de westerse wereld op losse schroeven heeft gezet. In brede bevolkingsgroepen in het westen heeft een nieuwe interpretatie van de seksualiteit plaatsgevonden in de richting van erkenning als bron van autonome geniering in vrijere verbanden. Vaak is dat ten goede geweest. Drukkende taboes zijn opgelost. De gelijkwaardigheid van de vrouw in recht en relatie heeft bij de meerderheid in de samenlevingen misschien nog geen volledige verwerkelijking, maar wel principiële erkenning gevonden.
De nieuwe permissiviteit in seksuele zaken is wel flink doorgeschoten. De markt heeft zich er meester van gemaakt. Seks is prestatie geworden, tot product gemaakt en wordt gretig gebruikt als middel om producten aan de man te brengen. Dat heeft bij veel mensen nieuwe onzekerheden en angsten wortel doen schieten. Dat maakt dat het besef veld wint dat het nodig is om een nieuw zicht te ontwikkelen op welke plaats seksualiteit en eros in het leven inneemt. Het is goed, dat daarbij oude waarden niet in hun geheel overboord worden gegooid

noot

(1) Merkten, in het Hebreeuws staat jad'oe, letterlijk ‘wisten, kenden' van het werkwoord jad'a , dat tevens gebruikt wordt voor het bedrijven van de geslachtsgemeenschap, vgl Genesis 4:1: De mens kende (jad'a ) zijn vrouw Eva en ze werd zwanger en baarde Kain.
(2) De middeleeuwse commentator Radak gaat een beetje in die richting. In zijn commentaar ad hoc beschrijft hij deze passage als het bewust worden van een opkomende drang om gemeenschap te hebben, waarbij Adam een erectie krijgt. Adam beseft, dat hij geen controle over zijn orgaan heeft. Radak beschrijft dit als een duidelijke achteruitgang t.a.v. de paradijselijke situatie en de oorzaak van schaamte.

Parasjat Nitsaviem-Wajelech Devariem/ Deuteronomium 29:9-31:30

Het begin van de wijsheid

De parasja Nitsaviem wordt in de meeste (niet-schrikkel) jaren tezamen met de parasja Wajelech gelezen. De tekst begint met: ' Hier bent u allen nu bijeen ( nitsaviem ), ten overstaan van de Eeuwige, uw God: de stamhoofden, de ?oudsten, de ?schrijvers, alle mannen, vrouwen en ?kinderen? van  I sraël, en alle ?vreemdelingen? die als houthakker of ?waterputter? in het kamp werken – bijeen om toe te treden tot het ?verbond? dat de Eeuwige, uw God, vandaag met u sluit, en de sancties die erbij horen te aanvaarden'.
Heel Israel, van hoog tot laag, mannen, vrouwen en kinderen (ik zie de vrouwen met kleuters om hen heen en baby's op de arm), stamhoofden maar ook waterputters, staan in onafzienbare scharen voor Mozes, en als het ware ook voor de Eeuwige. Hajom , vandaag, dat wil zeggen toen, maar ook nu heden ten dage nog steeds.
Binnenkort is het Rosj Hasjana en Jom Kipoer en staan ook wij weer daar tezamen in grote schare in sjoel. Ervaren wij als schare voor Zijn aangezicht nog hetzelfde als toen?
Kent de ervaring en de perceptie van het Altijdzijnde een (r)evolutie?

Gisteren is een bekende protestante theoloog overleden, Harry Kuitert , een man die van uit gereformeerde orthodoxie zich ontwikkelde tot theoloog, die uiteindelijk tot ontsteltenis van de gereformeerd-protestante wereld bekende: God bestaat niet. Van hem zijn de in protestante kringen beruchte woorden:
‘ Al het spreken over boven komt van beneden, ook als we zeggen dat het van boven komt' - een slogan, die voor velen klonk als een vloek en die voor anderen een bevrijding uit een orthodox keurslijf betekende. Voor Kuitert – als je hem ziet spreken in een interview op zijn 80 ste verjaardag een intens religieus man - betekende het dat de verhalen in de bijbel over God niet betekenisloos zijn, maar ze zijn wel door de menselijke geest gemaakt en geschreven.
In de Joodse sfeer wordt er naar mijn indruk niet zoveel gediscussieerd over of God (of de Eeuwige of Hasjeem) nu wel of niet bestaat. Het lijkt wel of het bestaan van de Eeuwige niet ‘im Frage' is. Zelfs al zingen de sjoelgangers een dienst lang ‘ Adonai Elohenoe' , Eeuwige onze God, over Hem wordt na de dienst bijna nooit gesproken .
Het doet mij denken aan die witz van de rijke Joodse New Yorker, al lang niet meer ‘observant', die de beste school van de stad voor zijn zoon wilde. Hij stuurde hem naar het katholieke Trinity College. Na een jaar vroeg hij zijn zoon, wat leer je daar nou allemaal. De zoon zegt, nou over de Heilige Drieenheid van God de vader, de Zoon en de Heilige geest.
Vader: ‘ik haal je direct van die school af: God is één, hoor je, al geloof ik niet in hem!'.

In de Joodse sfeer ligt het discours over God misschien anders dan in het christendom, en moet hij anders gevoerd worden, maar de ‘slogan' van Harry Kuiters geeft ons toch een uitgangspunt. Als al het spreken van beneden komt, ook het spreken, dat het van boven komt, hoe zit dat dan met het feit, dat uit de natuur (in de zin van Spinoza) een wezen voortkomt, dat het over ‘boven' kan hebben en zichzelf dit antwoord kan geven?
We kunnen het met Kuiterts antwoord deels eens zijn: de verhalen van de bijbel en ook van de Exodus en Sinaj zijn door mensenhand geschreven. Het zijn verhalen geworden, die Israel en later nog andere volken een basis hebben verschaft om een samenleving sturing en richtlijn te geven, succesvolle verhalen, die in hun eeuwenlange geschiedenis vele andere verhalen hebben overleefd (je zou bijna zeggen succesvolle ‘memen' in de zin van de atheist Daniel Dennett ), al verkeren ze heden wel in de gevarenzone. Verhalen, die in mijn visie niet de waarheidsclaim van de dogmatiek hebben, maar ook weer meer zijn dan poëzie. literatuur of mythologie. Verhalen, die steeds iedere generatie weer een nieuw antwoord vragen. Wat geeft die verhalen dan hun bijzonder karakter? Nu kom ik op een vruchtbaarder vraag dan de vrij zinloze vraag of God wel of niet bestaat, zinloos te meer omdat het woord God een woord is met een zo grote kring van associaties in alle richtingen, dat het of teveel of te weinig zegt.
Die vraag is: is er openbaring (revelation)? Is er bij religies - met name de monotheistische religies, voorop het Jodendom – sprake van een openbaring, die uitgaat boven de gebruikelijke kennisverwerving door schade en schande, noodzaak of nieuwsgierigheid? Toegespitst op het Jodendom: gebeurde er iets bijzonders op de heilige berg Sinaj of was het niet meer dan illusie of zelfhypnose? Of kwam de ervaring van de Ene en zijn tien geboden uit de onderverdieping van de psyche à la Sigmund Freud, als een troostende illusie in een harde wereld? (1)
De Joodse filosoof Martin Buber meent, dat er wel degelijk sprake was van een openbaring, niet van Gods essentie, maar van Zijn relatie met de mens. Buber is universalist. Er is sprake van een intense ervaring van Zijn presentie, die op zich nog geen geboden inhoudt. Maar de vertaling van deze ervaring in geboden (mitswot) is het werk van de mens Mozes.
Daarom zijn ze slechts bindend voor het individu in zoverre deze vanuit zijn persoonlijke ervaring van de relatie met de Ene geboden vrijwillig op zich neemt. Franz Rosenzweig, Martin Bubers medevertaler van de Tanach en medestichter van het Freies Jüdisches Lehrhaus , ging toch een stap verder. Rosenzweig erkent weliswaar, dat de openbaring van de presentie van de Ene niet de openbaring van de mitswot met zich meebrengt. Maar hij bepleit wel de acceptatie van het geheel van de mitswot. Dat is rationeel niet te beredeneren, maar vraagt een daad van geloof. Die daad van geloof springt voort uit de loyaliteit aan de voorvaderen, die het Hajom (‘vandaag') van toen tot het Hajom van nu maakt. Rosenzweig is particularist.(2)
De antropoloog en stichter van de psychoanalyse Sigmund Freud heeft de traditie geheel afgezworen. Hij accepteert ook Bubers mytieke presentie van de Eeuwige in relatie met de mens niet; religie, God en de goddelijke autoriteit van de geboden zijn een kinderlijke illusie van de mens. Freuds hoop is gevestigd op de Wetenschap, die met zijn Rede, de mensheid, als het meezit, uit zijn waanideeën zal helpen uitgroeien. En toch komt de atheïstische antropoloog er toe om in zijn boek over Mozes en het Monotheïsme te zeggen, dat het in het Jodendom gaat om de door Mozes gestichte en vooral door de profeten bewaarde en doorgegeven leer, dat ‘de godheid offers en ceremonieel afwijst en enkel geloof en een leven in waarheid en gerechtigheid (…) eist' (3). Freud noemt de ethische uitstraling van het Jodendomj een ‘geistige Leistung', maar niettemin is hij volstrekt areligieus.
Hoewel? Hij heeft ook geschreven: ‘Critici volharden in de gewoonte om een mens die openlijk uitkomt voor zijn gevoel van menselijke nietigheid en onmacht tegenover de hele wereld'(Freud bedoelt dus zichzelf, RC), ‘diep religieus te noemen, hoewel niet dit gevoel de kern van religiositeit vormt, maar (...) de reactie erop, die tegen dit gevoel een remedie zoekt\ (dus de religie RC). ‘Wie niet verder gaat, wie deemoedig genoegen neemt met de onbeduidende rol van de mens in de grote wereld, is juist in de waarste zin van het woord irreligieus'.(3)
Ik behoor tot de critici, die dit wèl een diep religieus besef noemen. Dit existentieel gevoel van de mens, verloren in het totaal open veld, kan inderdaad enerzijds brengen tot de sprong in de zekerheid van religieuze dogmatiek of (ultra)orthodoxe leerstellige waarheidspretentie, het vanzelfsprekende systeem, maar anderzijds kan die openheid ook betekenen – zet u even schrap - een beschikbaarheid voor een werkelijk contact met wat voorbij ligt aan wat menselijkerwijs is te weten, voor een ‘inbreuk' of ‘inbraak' van het oneindige op/in de totaliteit van het ons bekende en vertrouwde, in de zin van Emmanuel Levinas.(4), een inbreuk die niet rechtstreeks naar een God wijst maar vooral naar de Ander/het Andere.

Ik moet denken aan de bekende uitspraak uit Spreuken (Misjlee):
Het ontzag voor de Eeuwige ( jirat Hasjem, zeg het Freudiaanse ‘gevoel van menselijke nietigheid en onmacht tegenover de hele wereld') is het begin van de wijsheid ( resjiet chochma )..
Sjana Tova!

noten

(1) Sigmund Freud, De toekomst van een illusie, 1927
(2) Gebruikt is ook: Benny Kraut, THE APPROACH TO JEWISH LAW OF MARTIN BUBER AND FRANZ ROSENZWEIG, Tradition: A Journal of Orthodox Jewish Thought. Vol. 12, No. 3/4 (WINTER-SPRING 1972), pp. 49-71

(3) Sigmund Freud, Mozes en het Monotheisme, 1939, Boom, p. 64. 
Een lezing over Freuds boek, toetsing van zijn stellingen – waaronder ook de beruchte ‘moord op Mozes' – en de rol van het boek in de context van Freuds leven is in voorbereiding. 
(3) Sigmund Freud, De toekomst van een illusie, 1927
(4) Zie bijv. Emmanuel Levinas, Het menselijk gelaat , (tweede deel: Filosofie van het menselijk gelaat, Ambo, 1969, 1987, p. 191, over Sjemot/Exodus 33:23

Geciteerd ook in Rob Cassuto's commentaren op de vijf boeken van de Tora:
REIZEN DOOR DE TORA ,deel 1, van het Begin naar de Berg,  Genesis en Exodus
p. 167

Parasja Ki Tavo   Deuteronomium / Devariem  26:1–29:8

Een Egyptische erfenis?

De parasja Ki Tavo bevat de lange reeks afgrijselijke vervloekingen, die over Israel zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. We zouden bijna vergeten, dat de parasja ook essentiële zegeningen bevat (28:1-15) en eigenlijk heel feestelijk begint met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem (26:1 ev), laten we dat eens even lezen.
26: 1  (NBV) En wanneer u in het land komt dat de Eeuwige, uw God, u als erfelijk bezit geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het zó zijn 2 dat u van de eerstelingen neemt van alle vruchten van het land, die u binnenhaalt van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft; en u moet die in een korf leggen en naar de plaats gaan die de Eeuwige, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen  (dat is dus Jeruzalem).

Na het overhandigen van de korven met fruit aan de priesters bij de tempel  moest de overhandiger zeggen (Dev. 26:4-11):  ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. 6 De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. 7 Toen klaagden we de Eeuwige, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. 8 En de Eeuwige bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. 9  Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. 10 Eeuwige, hierbij breng ik u de eerste opbrengst van het land dat u me gegeven hebt.'
Daarna volgde een feestelijke maaltijd.

Deze formule, de  widoei bikoeriem ,  is eigenlijk heel bijzonder.
Het is één van de vele reminders, die in Devariem en in de Tora in zijn geheel zijn ingebouwd om het volk van Israël te herinneren aan zijn afkomst van onderdrukking naar bevrijding en zijn roeping tot een samenleving, die geordend is naar principes van gerechtigheid, omzien naar de ander, gastvrijheid en compassie, zoals geschreven  en geopenbaard in de woorden van de Ene.
In de Tora, de liturgie, de pelgrimsfeesten Pesach, Sjavoeot en Soekot en in het dagelijks gebed zijn die reminders ingebouwd. Je zou kunnen zeggen, het Jodendom zit qua mnemotechniek goed in elkaar. Steeds wordt gemaand het slavenverleden in Egypte en de daarna verworven vrijheid niet te vergeten en in te vullen met het naleven van de gegeven voorschriften.
De widoej bikoeriem wordt nog steeds uitgesproken. Dit kernachtige narratief vorm het centrale gedeelte van de Hagada, het ‘routeboek' met teksten en liederen, dat de jaarlijkse rituele Pesachmaaltijd, de Seider, begeleidt en waarin de slavernij en de bevrijding daaruit in iedere generatie herdacht wordt.
Tijdens die maaltijd en in de Hagada staat Egypte voor alles wat onderdrukt, wat tot slaaf maakt; het verleden, maar ook het heden passeert de revue en de maaltijdgenoten passeren de tijd vaak in drukke discussies over vrijheid en onderdrukking in de wereld of over het ‘Egypte' in het eigen leven. Dat is goed en we mogen spreken over een waarde volle traditie.

Maar laten we eens uit onze homiletische benadering stappen en wat historischer naar dat Egypte kijken. Welgeteld 537 bijbelverzen vermelden het woord Egypte. Dat moet duiden op een intense relatie. Dat doet vermoeden, hoezeer er een haat-liefde bestaat tussen Israel en Egypte. Egypte is meer dan alleen de meedogenloze onderdrukkers geweest. Het land is van oudsher een toevlucht in tijden van nood geweest.
Alle drie de patriarchen hebben er gastvrijheid genoten in tijden van hongersnood, last but not least Jacob, die er zijn nageslacht tot een talrijk volk zag uitgroeien, dat lange tijd een voorspoedig leefde in de Nijldelta. Een keerpunt was toen na vele jaren er een periode van onderdrukking en dwangarbeid aanbrak. Dat niet alleen de herinnering aan de onderdrukking door de Egyptenaren geboden is , maar dat ook hun gastvrijheid van ooit een rol speelt in de mitsvot, vinden we terug in het gebod om de Egyptenaar niet te verafschuwen, (Devariem 23:8, 9), ‘Want jullie hebben als ? vreemdeling ? in hun land gewoond'.

We kunnen ons afvragen, hebben die vierhonderd jaar, die de Tora aangeeft dat het verblijf in Egypte duurde helemaal geen indruk achter gelaten op de opvattingen en de cultuur van de Israëlieten?
Vele schrijvers uit de klassieke oudheid gaan zover, dat ze beweren, dat de Joden uit Egypte stammen. Vaak gaat dit al gepaard met een flinke scheut afkeer, zeg maar antisemitisme. Het zijn vaak mengsels van flarden vervormde waarheid en verzinsels, een compilatie is te vinden bij de Latijnse schrijver Tacitus (plm 100 CE). Deze baseert zich deels op de geschiedschrijver Manetho (plm 250 voor de CE), die melding maakt van een leger lepraleiders, die onder leiding van ene ‘Moses' na allerlei geweldadigheden - vernietiging van tempels, slachten van heilige dieren, ombrengen van priesters - het land verlaten richting Jeruzalem. De Joodse historicus Josephus (plm 100 CE) heeft genoeg van al die lasterlijke sprookjes en schrijft een lang pamflet om die verhalen te ontzenuwen, ‘ contra Apion'.
Een minder smadelijk verslag dan Tacitus en anderen geeft verstrekt de geograficus en historicus Strabo (plm 20 CE): ‘Een Egyptische priester genaamd Moses, die een deel van het land Neder Egypte bezat had ongenoegen over de gevestigde instellingen daar en verliet het land. Hij kwam naar Judea met een grote schare mensen, die de Godheid vereerde. Hij verklaarde en onderwees, dat de Egyptenaren en Afrikanen er verkeerde opvattingen op na hielden'.
Wat al die schrijvers, antisemitisch of niet, signaleren is, dat het gaat om een rebelse beweging, die zich afzet tegen de mainstream. Veel van hen valt het op, dat de gebruiken van de Israëlieten juist omgekeerd zijn aan die van de Egyptenaren: ze offeren dieren, die de Egyptenaren voor heilig houden en ze verbieden afbeeldingen van de goden.
Hebben dus de Israelieten dus juist helemaal niks van die Egyptenaren overgenomen?
Misschien niet het polytheïsme met zijn pantheïstische inslag. In die zin is het Jodendom wat wel een ‘tegenreligie' wordt genoemd. Maar misschien wel twee andere zaken: het monotheïsme en het ethisch appel.
Het monotheïsme, hoe kan dat? Wel, dat kan zijn gelopen via die uitzonderlijke periode, waarin voor amper twee decennia de ambitieuze farao Achnaton alle goden en gebruiken afschafte en het monotheïsme van de enige god, de zonnegod Ra, afkondigde en doorvoerde. Sigmund Freud was ook hevig geïnteresseerd in het ontstaan van het monotheïsme. Hij haakte in op wat Strabo had beweerd en kwam met een geruchtmakende stelling; ook hij zei: Mozes was een Egyptische priester en wel eentje in dienst van Achnatons Zonnegod. Nadat de opvolgers van Achnaton de oude orde weer hadden hersteld, bracht de missionaire priester Mozes dit nieuwe monotheistische geloof over op dat volk in de delta. Provocerend en bestrijdbaar (elders gaan we hier veel verder op in) (1).
Maar wat in ieder geval heel goed mogelijk is, is het volgende. Een belangrijk concept in de Egyptische religie was Ma'at, een begrip, dat geassocieerd werd met evenwicht in natuur en samenleving, met balans en gerechtigheid. Het werd soms wel eens afgebeeld als een vrouwelijke gestalte, maar deze werd niet als een aparte god vereerd.
Of Mozes nu een Egyptische priester was of misschien een hogelijk geassimileerde Hebreeër, wellicht heeft hij het begrip gerechtigheid overgenomen en– al dan niet gestimuleerd door Achnatons ideeen - verbonden met de hem geopenbaarde Ene God. De op zich tamelijk ‘seculiere' Ma'at werd nu ingepast in een divine context en daardoor krachtig ‘geautoriseerd' en geoperationaliseerd in de bekende ethische geboden van het ons bekende Jodendom.
Hierbij moeten we het even laten, u misschien in verwarring achterlatend. Maar: wordt vervolgd.

Noot
(1) Sigmund Freud, Mozes en het Monotheisme, 1939.
Een lezing over Freuds boek, toetsing van zijn stellingen – waaronder ook de beruchte ‘moord op Mozes' – en de rol van het boek in de context van Freuds leven is in voorbereiding.
Geraadpleegde literatuur:
Josephus, Contra Apionem. Against Apion
Tacitus, Histories 5.2-5
Strabo III:35
Jan Assmann, From Akhenaten to Moses, Ancient Egypt and Religious Change, 2014

Parasjat Ki tetsee Devariem/Deuteronomium 21:10 = 26    
Verafschuw de Egyptenaar niet!      

Deze parasja Ki Tetsee bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken en nog tal van andere zaken aan de orde. 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasja, de meeste van alle parasjot.    
Het is goed te beseffen: het zijn bepalingen die drieduizend jaar geleden zijn geschreven, in de grond weliswaar ingegeven door een diepgaande inspiratie en de omliggende Semitische wereld ver vooruit, maar ze zijn toch ook getekend door de situatie van een semi-nomadische maatschappij van zoveel eeuwen her.  Er zijn passages die ons verlicht aandoen. De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen maar de moedervogel moet laten vliegen, één van de bepalingen die zijn uitgewerkt tot het leerstuk over diervriendelijkheid ( Tsaär baälee chajiem)   . Anderen roepen vanuit het huidige tijdsgewricht bij de moderne humanistisch georiënteerde mens weerstand op. De bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. De wrede, in moderne ogen disproportionele sancties.
Latere rabbijnse uitleggingen hebben vele scherpe kanten van striktheid en wreedheid er vanaf geslepen, maar de vraag blijft iedere generatie: hoe moeten we er in Gods naam vandaag mee omgaan? Hoe begrijpen wij het intrinsieke eeuwige moment van inspiratie, waarmee ook aan ons nog steeds iets gezegd en geboden wil zijn en hoe kunnen wij het drieduizend jaar oude stof van geschiedenis en de contingentie van het menselijk psychisme van het zo lang geleden moment ervan af schudden? Ik denk, dat het helpt om de diverse bepalingen te zien, niet zozeer naar hun letterlijke inhoud als wel naar de intrinsieke waarden, waaruit zij voorvloeien en waarvan zij een door de historie gedetermineerde ‘operationalisatie' zijn.    
Zo getuigen de – voor die tijd vooruitstrevende - bepalingen rond de mooie vrouw, die door de man als krijgsgevangene wordt meegevoerd en begeerd, van het streven impulsieve wreedheid ten opzichte van de overwonnene aan banden te leggen en respect voor de weerloze mens te tonen (Devariem/Deuteronomium 21:11-14). Het zijn regels die in vele regionen van de wereld in oorlogssituaties als regel nog steeds niet zouden misstaan.

In het bijzonder treft ons het gebod om de Egyptenaren niet te verafschuwen (Devariem 23:8, 9). Hun kleinkinderen mogen zelfs tot de gemeenschap van Israel toetreden. Verrassend. Hadden die Egyptenaar niet opgetreden als wrede slavendrijvers en bevolen om de pasgeboren jongetjes i n de rivier te verdrinken? De tekst zelf geeft als reden: ‘W ant jullie hebben als ? vreemdeling ? in hun land gewoond' en de middeleeuwse commentator Rasji specificeert: de Egyptenaren hadden immers in tijden van hongersnood de Israëlieten in hun land opgevangen en hen daar onderdak verleend; pas na vele jaren gingen ze over tot hun misdaden. Slechte behandeling en onderdrukking laten bij wie dat is overkomen gevoelens van afschuw en haat achter, die vele generaties lang kunnen aanhouden; hoe goed kunnen we dat begrijpen. Maar toch: in de Tora klinkt de oproep om die afschuw en haat niet eeuwig te laten duren; verzoeningsgezindheid wordt hier op deze plaats van harte aanbevolen. Zoek argumenten, die helpen om oude vijandschap op te geven. Die richtlijn ten aanzien van de afschuw van de Egyptenaren van toen kan ons ook nu nog stimuleren om de verhouding met mensen die ons ooit iets misdaan hebben eens in een ander licht te bezien.
Ook de naburige Edomieten mag je niet verafschuwen, ‘want zij zijn jullie broeders', zegt Devariem/Deuteronomium 23:8-9. Het bewustzijn van gemeenschappelijke afkomst, van broederschap, kan een houding van verzoeningsgezindheid bevorderen. Onvermijdelijk denken we aan de iconische verzoeningsscene tussen Edom (Esav) en Jaäkov, de twee zonen van Jitschak; Edom haatte zijn broer, niet zonder reden, maar uiteindelijk rende hij hem tegemoet, sloot hem in zijn armen en kuste hem (Beresjiet/Genesis 33:4).
H et versterken van het besef van broederschap kan helpen de uitzichtloosheid van haat in te zien en een houding van bereidheid tot verzoening in te nemen. Vijandschap tussen personen, groepen, volken hoeft niet eeuwig te duren. Er kunnen openingen ontstaan voor het beslechten van oude geschillen, maar ook voor het oplossen van actuele conflicten.
Maar soms kunnen broeders het elkaar wel heel moeilijk maken. De ook met de Israelieten verwante Ammonieten en Moabieten (nakomelingen van Avrahams neef Lot) hadden - in tegenstelling tot de Edomieten - geweigerd de door hun gebied oostelijk van de Jordaan trekkende Israëlieten van eten en drinken te voorzien(Devariem 23:4 ). Wanneer je voedsel onthoudt aan je naasten maak je vreemden van hen en wanneer je voedsel geeft aan wie ver van je afstaan maak je hen tot naasten, tekent Rabbi Joc ? anan aan bij deze passages (Talmoed Sanhedrin 103b). Verzoening begint bij het gunnen van voedsel – en dus leven – aan je buren; het is een voorwaarde voor het slechten van de muur van afschuw en haat.

RC sept 2017

Parasjat Ekev Deuteronomium / Devariem 7:12–11:25
Jirat Hasjem  

In de parasjat Ekev zet Mosjee zijn lange laatste toespraak tot de Benee Jisrael voort. De spreker houdt het volk een God voor die het volk met machtige daden beschermt, liefheeft, vruchtbaarheid van mens, land en vee bevordert, het volk oproept niet bang te zijn, vijanden op de vlucht jaagt en vele andere zegeningen teweeg brengt. Maar die ook voortdurend waarschuwt geen afgoden te dienen en de geboden in acht te nemen, dat is de absolute voorwaarde voor de welvaart en overwinningen, die Hij bij monde van Mosjee in het vooruitzicht stelt. De oude leider roept de herinnering op aan de lange woestijnreis , waar er vele beproevingen zijn geweest van honger en dorst, maar dat waren toetsen om te leren, dat niet door brood alleen de mens leeft maar ook de redding van zijn machtige Schepper nodig heeft. Waak voor hooghartigheid en overmoed houdt Mosjee zijn mensen voor, want alle rijkdom valt je toe uit de hand van de Ene.  
De spreker schildert nog eens de gebeurtenissen op en rond de Sinaj. De machtige stem uit het vuur, de stenen platen, de grote zonde van het gouden stierkalf, de woede van de Eeuwige, Mosjee's smeekbeden het volk te sparen. Ook andere voorbeelden van verkeerde daden, van de woede van de Eeuwige, maar ook van wonderdaden van uitredding haalt Mosjee op, dit alles om het volk in te prenten om de goede weg te volgen van ontzag voor de Ene en het houden van de geboden. Aan het slot van de parasja keert Mosjee terug naar de beschrijving van het land, dat de Israëlieten op het punt staan te betreden, het land, dat vruchtbaar zal zijn en op de juiste tijden beregend zal worden, maar: de hemelpoorten zullen worden gesloten en geen regen zal er meer vallen, als het volk afdwaalt en andere goden gaat dienen. Deze laatste passages (Devariem 11:13-21) zijn deel uit gaan maken van het Sjema gebed als de tweede alinea daarvan.  

Deze toon van waarschuwing, vermaning om de geboden te volgen en ontzag te hebben voor de Eeuwige zal de grondtoon vormen van de rest van het boek Devariem. Inhoudelijk hebben de geboden in essentie tot doel om de anarchistische agressieve en erotische passies te kanaliseren tot een leefbare maatschappij en de willekeur van onderlinge verhoudingen met voorschriften in te perken in het belang van een vreedzame samenleving. Dit was alleen mogelijk onder de onbetwistbare autoriteit van een machtige en strenge rechtvaardige God, die als extern en verheven wordt ervaren en met een mengsel van vrees en liefde benaderd moet worden. Het unieke van het Jodendom is, dat de regelgevende autoriteit niet een menselijke heerser was, die vervangen kon worden door een andere, die met willekeur weer andere regels kon geven, maar een boven de tijd geheven en onzichtbare autoriteit, die bovendien de enige God was - en niet een uit een heel pantheon - en een God, die werkelijk oog had voor compassie en gerechtigheid - niet een van de amorele goden , die de mensen aan de grillen van het Fatum overlaten.
Momenteel verlangen wij vaak diep van binnen nog steeds naar een leidinggevende, beschermende, liefhebbende, maar rechtvaardige vader. Maar wij zien geen vader meer, extern in de hemel, niet de grote regisseur, die alle goede mensen beschermt en eerlijk beloont en slechte daden onmiddellijk straft. We voelen ons teruggeworpen op onze eigen menselijke verantwoordelijkheid. Liefde en recht is vooral iets, dat je moet geven of doen, aan jezelf en aan je medemensen, dan dat je het moet verwachten uit den hoge. Toch blijven we steeds speuren naar tekenen van Zijn werkzaamheid in de wereld en in onszelf, naar signalen van zin en opdracht en soms zijn we het zicht op Zijn werkzaamheid kwijt. Hoe dan ook, wij zien compassie en gerechtigheid als opdracht nog steeds recht overeind als bakens voor de mensheid.
En we blijven zeggen, dat de Eeuwige één is, dwz dat uiteindelijk alle verdeeldheid, tweedeling, duizenddeling, dat alle polariteit, alle diversiteit omvat wordt door het/de Ene. En ‘het ontzag voor Zijn Naam is het begin van de wijsheid' ( jirat Hasjem resjiet chochma , Misjlee/Spreuken 1:7 ) is nog steeds een uitspraak die een juiste inschatting van onze positie in de kosmos bevordert.

RC aug 2017

Parashat Wa'etchanan   Devariem / Deuteronomium 3:23-7:11
Vergezicht vanaf de berg Pisga opTsion

In zijn laatste dagen smeekt Mozes om het beloofde land Kenaän te mogen betreden, maar de Eeuwige staat hem dat niet toe. Wel mag hij op de top van de berg Pisga de zo lang verbeide contreien van grote hoogte overzien: ‘Beklim de Pisga en kijk vanaf de top uit naar het westen, het noorden, het oosten en het zuiden. Kijk goed om je heen, want je zult de ?Jordaan? niet oversteken' (Devariem/Deuteronomium 3:23). Wat zag de oude profeet aan zijn geestesoog voorbij komen?

Het was afgelopen dinsdag Tisja be'Av. Een goede aanleiding om mij voor te stellen, dat de blik van de bejaarde leider viel op de berg – in feite een fors geheuvelte - in Judea, waar ooit Avraham zijn zoon op het altaar legde voor het offer aan de Eeuwige, dat de Eeuwige op het laatste moment verhinderde, wantHij wilde – zeker op deze plaats - absoluut geen vergieten van mensenbloed. De berg, die voortaan een heilige plek zou zijn, heette Moria. In de tijd, dat Mozes op de Pisga over Abrahams offerplaats uitkeek, bevond zich daar een sterke vesting, bewoond door de Kenaänitische stam van de Jebusieten.
Maar in mijn verbeelding ziet de hoogbejaarde leider ook in de toekomst van de berg, die later Tsion genoemd zou worden. Misschien ging er een rilling door hem heen toen hij de sublieme gloriemomenten van zijn volk voor zich zag opdoemen en verzinken in een afwisseling met de afgrijselijkste dieptepunten. Een aantal flitsen daarvan zag hij passeren.

Daar komt koning David op, die eindelijk de Jebusietische vesting had ingenomen. Hij heeft er zijn hoofdstad Jeruzalem gemaakt. Hij koopt de dorsvloer, die een Jebusietische hoofdman op Tsion had, om er een altaar te maken, de kiem van de glorieuze tempel die zijn zoon Salomo zou bouwen.
Mozes' verziende blik rust even op een prachtgebouw, een wereldwonder van architectuur, waaruit he gezang van de levieten opklinkt. Vierhonderd jaar zou de tempel het toneel van eredienst, rechtvaardigheid en integriteit zijn, maar geleidelijk gaan verwaarlozing, corruptie, machtstrijd en en hypocrisie de boventoon voeren.. Profeten staan op, Micha, Jesaja, Jeremia en anderen , die net zoals hij, Mozes, waarschuwen om de kern van de boodschap van compassie en rechtvaardigheid hoog te blijven houden tegen de machten van corruptie en moreel verval.
Maar dan. In een volgend beeld ziet hij die prachtige tempel branden en zijn volk met alle kostbare parafernalia van de tempel weggevoerd naar het verre Babel. De bejaarde visionair zucht, hij zag het aankomen (1).

Maar kijk, op Tsion verheft zich na vele jaren van ballingschap op het puin weer een nieuw heiligdom, een tweede tempel. Opnieuw wordt de boodschap van compassie en rechtvaardigheid belichaamt in een prachtig heiligdom. Er rust weer zegen op de gewijde plaats.
Maar ook de eeuwen die volgen tonen aan de oude leider corruptie en bloedige machtstrijd tussen priesters, koningen, scherpslijpers en vrijdenkers . Dan opnieuw ruim vier eeuwen later, na bloedige veldslagen tegen bezettende legers , Romeinen, maar ook na onderlinge slachtingen tussen drie partijen, die in Jeruzalem elkaar naar het leven staan, slaan weer de vlammen hoog uit het enorme gebouw. Ook deze tempel wordt door brand verwoest. (2)
De oude profeet kan het beeld van rook en stromen bloed nauwelijks verdragen, het voorbijkomend geschreeuw pijnigt zijn oren.

Het profetisch oog van Mozes reist een paar eeuwen verder. Een treurig tafereel op de berg Tsion komt hem tegemoet, twee beelden van een keizer, genaamd Hadrianus, en vlak daarbij een grote steen met een holte daarin en een groep Joden, die de steen zalven en klagen en die hun kleren verscheuren, ieder jaar doen ze dat op de negende van de maand Av, de fatale datum van de ondergang van de heiligdommen op de berg.(3) .

Een volgend beeld komt de oude leider voor ogen. Drie eeuwen later, wordt er op de berg Tsion een nieuw gebouw opgetrokken op de puinhopen, die daar liggen, een voorlopig heiligdom, dat later zal worden verfraaid en uitgebouwd tot een moskee, met de naam El Aqsa (4). Het is niet Mozes' volk, de bouw uitvoert, maar de bejaarde leider herkent de bouwers, het zijn afstammelingen van een andere zoon van Abraham, Ismael, uit hem is kennelijk ook een profeet voortgekomen.

Mozes ziet ook af en toe stoeten geleerde mannen druk met elkaar in gesprek, mannen, die zich rabbijnen noemen en die zich bezig houden met de uitleg en uitwerking van de boodschap, die hij als profeet heeft ontvangen van de Eeuwige. Dat doet hem veel plezier en hij hoort in zijn verhorende oren het geruis van eeuwenlange, intense, geanimeerde gesprekken van deze rabbijnen passeren.
Hij begrijpt er vaak niet veel van, maar soms vangt hij iets op. Zo hoorde hij de geleerden zich afvragen, waarom de Tweede Tempel werd verwoest; daar werd toch Tora werd geleerd, mitzwot werden gedaan en goede daden? De ene rabbijn zegt: omdat er binnen en rondom die tweede tempel haat zonder enige rede heerste, sinat chinam (5). Een andere zei:   omdat de Joden obsessief precies alles deden. zoals de letter van de regels het zeiden, zelfs als ze in strijd de bedoeling van de regels kwamen (6).
Het deed de oude leider plezier, dat de oude wijzen van zoveel eeuwen na hem toch steeds weer probeerden terug te keren tot de essentie van zijn boodschap, zeker toen hij nog veel verder in de toekomst luisterend een rabbijn hoorde zeggen (7) dat de haat zonder rede (sinat chinam ) vooral slaat op zogenaamd ‘rechtschapenen', die anderen, die zich niet precies gedragen volgens hun geloof behandelen als ketters ( apikosim ). Met name die misplaatste vervolging leidde tot de verwoesting, want God, zo hoorde Mozes hen tot zijn genoegen zeggen, wil dit soort buitensporige rechtschapenheid niet, maar wel moreel gedrag in alledaagse zaken.

Misschien deed Mozes nog een uiterste visionaire inspanning en kon hij zijn verreikende blik tot in de eenentwintigste eeuw doen reiken. Wat zou hij gezien hebben..,,
Waarschijnlijk kan hij zijn visionaire ogen niet geloven. Wat een prachtig welvaren land, gevuld met heel veel Joden en ook veel afstammelingen van Ismael. Daar blinkt Jeruzalem, groter en rijker dan enige stad, die de grijsaard ooit heeft gezien, zelfs niet in Egypte. Dan zoomt hij in op die gepijnigde berg Tsion, in de hoop, dat er vrede rondom de gewijde plek zou zijn, dat de giftige sfeer van sinat chinam eindelijk verdwenen zou zijn.

Boven op de berg Tsion ziet hij afstammelingen van Ismael bidden, in en rond hun heiligdom, want hun profeet was daar ten hemel gevaren. Dat hadden de Joden, die weer na heel veel bloed, zweet en tranen weer een staat hebben kunnen stichten in het beloofde land en die zo weer de baas waren in Jeruzalem, goed gevonden. Maar de spanning is om te snijden. Vanaf het grote plein bij de berg stijgen gebeden, maar vooral ook verhit ruziënde stemmen ten hemel. De rechtschapen Joodse mannen hebben hun plek om te bidden geclaimd bij het stukje westelijke muur van de tweede tempel, dat de eeuwen heeft getrotseerd en dat heilig is verklaard. Er zijn ook andere Joodse mannen en vrouwen, die de rechtschapenen niet rechtschapen genoeg vinden om met hen hun gebedsplek bij de muur te delen; die Joden zouden graag in een hoek van het plein van de muur ook willen bidden, maar dat vinden de rechtschapen mannen niet goed. (8)
De berg Tsion is eens te meer het middelpunt van eindeloze ruzies tussen partijen, die menen dat zij de heiligheid van de plek in pacht hebben, en dreigen met geweld om dat kracht bij te zetten.
Het schaamrood zal Mozes naar de kaken zijn gestegen. Hij zal gezucht hebben. Hij zal een vreemd verlangen hebben gehad, dat alles en iedereen even helemaal weg zou zijn van de omstreden berg en dat er een leegte en een stilte zou heersen op de berg, waarin opnieuw de heiligheid zou neerdalen, gelijkelijk beschikbaar voor een ieder, die daarvoor open wilde staan.

Toen daalde de leider af van de Pisga om zich voor zijn laatste rede bij zijn volk te voegen. Want een profeet geeft de hoop nooit op. Zijn hoop is altijd net iets groter dan zijn teleurstelling. Zijn compassie is altijd net iets groter dan zijn boosheid. Toen begon hij met zijn laatste woorden.
(Devariem/Deuteronomium 4:1).

noten .

(1) 2 Koningen 25
(2) Flavius Josephus, De oorlog van de Joden, boek VI
(3) Ontleend aan het reisboek van de ‘pelgrim van Bordeaux', die in 333 AD Jeruzalem bezocht
(4) Ontleend aan ‘ The pelgrimage of Arculfus' , die in 670 AD Jeruzalem bezocht
(5) Talmoed Joma 9b
(6) Talmoed Bava Metzia 30b. Letterlijk: Rabbi Jochanan zei, dat Jeruzalem alleen maar verwoest was, ‘  omdat de joden (strikt) handelden volgens de letter van het recht (Tora) en niet voorbij wilden gaan aan de maat van het recht'  
(7) Aldus de Netziv , Naftali Zvi Yehuda Berlin, 19 e eeuw in zijn commentaar ‘Ha-emek Davar'
(8) Lees bijv. Ha'aretz Feb 26, 2016: http://www.haaretz.com/.premium-1.706640

Parasjat Devariem Devariem / Deuteronomium 1:1–3:22 

Mozes bij de rivier Jordaan

Het boek Devariem is ingekleed als een reeks machtige laatste toespraken van de hoogbejaarde leidsman Mozes, gehouden in het veertigste jaar van de grote woestijnreis naar het beloofde land. Volgens de midrasj vond dat allemaal plaats in de weken tussen 1 Sjevat en 6 Adar, de sterfdatum van Mozes.

De figuur van Mozes heeft mij altijd gefascineerd. Hoe men hem ook wil zien, hij was een unieke persoon, als hij was geen ander. Vele schrijvers en denkers hebben getracht om op grond van de woorden van de Tora en de daarin beschreven acties en gebeurtenissen een beeld te vormen van de man, die als het ware halverwege sage en historie zijn stempel op onze beschaving heeft gedrukt.
De Tora zelf (Bemidbar/Numeri 12:3) noemt Mozes ‘een zeer bescheiden man – niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij'. Maar goed bekeken was geen enkele emotie of karaktertrek hem vreemd. Met name valt naast andere karaktertrekken zijn woede op, die vaak parallel loopt met de woede van de Ene, die hem bij de doornstruik werd geopenbaard en van wie hij opdracht kreeg om de Israelieten te leiden naar de vrijheid. Een vogelvlucht makend over de geschriften maken we kennis met zijn gevoel van onrecht en compassie als hij het niet kan hebben als hij een Hebreeër mishandeld ziet worden en met zijn drift als hij de mishandelaar doodt. We zien zijn verlegenheid om het woord te voeren, zijn moed en volharding om de farao te trotseren, zijn bovenmenselijke inspiratie om de Tora (letterlijk: ‘onderwijzing') te ontvangen, zijn woede, als hij de twee wetstafelen coram publico stuk smijt, zijn mededogen als hij om het mededogen van de Ene smeekt, zijn letterlijk stralende verlichtheid als hij met nieuwe wetstafelen tot het volk afdaalt, zijn wanhoop, als de morrende Israëlieten, ontevreden over het voedsel, terug willen naar Egypte, zijn eros, als hij een tweede mooie Nubische vrouw neemt, zijn ergernis over het voor de zoveelste keer klagende volk, als hij met zijn staf de rots om water slaat.

Maar als hij als onderwijzer, volksleider en profeet aan zijn laatste woorden begint, dan is dat allemaal voorbij. Dan zie ik de oude man, gezeten in de buurt van de Jordaan, die hij niet mag en zal oversteken. Een man, aan het eind gekomen van een lang leven van toppen en dalen, gepokt en gemazeld als leider van een volk en gekneed, gevormd en opgeheven door de Stem, die hem samen met de hem toevertrouwde menigte tegen de klippen op voortdreef naar een de geografische, maar waarschijnlijk vooral geestelijke bestemming. Als wij ons focussen op dat beeld, dan zien we een heel of geheeld persoon, mens uit een stuk.

Letterlijk een beeld van Mozes is gehouwen door Michelangelo, bestemd om het graf van een paus te sieren (1). Eigenkijk een dubbele gotspe in Joodse - zeker in rabbijns-othodoxe – ogen, waarin afbeelding van mensen in strijd wordt geacht met de tweede uitspraak van de Tien Uitspraken – het beeldverbod - en waarin de paus bepaald niet de meest populaire spiritueel leider is. Als we dat even tussen haakjes zetten, kunnen we niet ontkennen, dat het beeld een onmiskenbaar machtige uitstraling heeft. De Joodse psychiater Sigmund Freud was door het beeld gefascineerd en al de keren, dat hij in Rome was ging hij het in de San Pietro in Vinculi kerk bezoeken om de Mozes (en zijn maker Michelangelo) te bestuderen en te doorgronden. Uiteindelijk heeft hij de associaties, die hij in zijn psychoanalytische blik opkwamen, samengevat in een essay ‘Der Moses des Michelangelo' (1914). Hij was het eens met de vele andere beschouwers, die meenden, dat in de geweldige sculptuur het moment was vastgelegd, dat Mozes de heidense dansen rondom het gouden kalf gewaar werd en op het punt stond de twee tafelen stuk te smijten. Sigmund Freud vond echter na zorgvuldig onderzoek van de details van de houding van de profeet, dat de beeldhouwer juist weergaf hoe Mozes zijn opkomende razernij had bedwongen. Hij drukte zij n twee tafelen aan zijn zijde om ze voor vallen te behoeden, kortom hij hield juist de primitieve woede-impuls onder de duim. Daarmee verhief de kunstenaar Michelangelo de figuur van Mozes als het ware boven de met grillige emoties worstelende persoonlijkheid, die voor Freud uit de incongruente Bijbelteksten oprijst. Zo maakte volgens de psychoanalyticus de beeldhouwer het beeld tot een uitdrukking van de ‘hoogste menselijke prestatie, die in een mens mogelijk is , het succesvol bestrijden van innerlijke hartstochten in dienst van de zaak, waaraan hij zich heeft gewijd. (2)

We horen hier in Michelangelo's Mozes geprojecteerd iets terug van Freuds opvatting, dat het onvermijdelijk en daarom aan te bevelen is om in de loop van het leven enigszins meester te worden over de (erotische en agressieve) impulsen, die de mens in zijn daagse bewustzijn belagen. In het beeld van Michelangelo betrappen we Mozes op een succes in deze worsteling. Daarmee is een zekere parallel met de Mozaïsche wetten niet te ontkennen. Immers ook de wetten en regels, die de Mozes van Deuteronomium nog eens bij de Israëlieten wil inprenten, hebben mede tot intentie de anarchistische impulsen van zijn volk - mede tot uiting komend in erotische vruchtbaarheidsriten rondom Kenaänitische afgoden - in de goede banen te leiden tot een geordende en leefbare samenleving. Zo heeft Mozes als stem van de Ene - de gestalte gekregen van de grondlegger van een ethisch bestel, onmisbaar om het volk samen te smeden . (3)

Als ik de foto van het beeld van Michelangelo eens goed bekijk, ben ik het wel eens met Freud, dat hier niet zozeer een persoonlijke portret is gemaakt als wel een icoon, dat ver boven de alledaagsheid uitstijgt. Toch kan ik mij voorstellen, dat het niet zozeer een icoon is van Mozes op het moment, dat deze het afvallige volk aan de voet van de berg ontwaart, maar veel meer van een Mozes in het begin van zijn laatste Deuteronomische redevoeringen, vlak voordat hij zijn eerste woorden gaat spreken, gezeten op een steen, zijn twee stenen platen vlak bij de hand. De reis is volbracht. De blik schouwt in de peilloze verte van de toekomst, waarin hij nu al weet heeft van de glorieuze hoogtepunten en de verpletterende tragedies die het volk van Israel nog zullen overkomen.
Maar dan neemt hij toch het woord, want hij kan niet anders; 'De Eeuwige, onze God, heeft bij de ?Ch o rev? tegen ons gezegd' en dan begint hij met een terugblik op de afgelopen veertig jaar

noten

(1) Michelangelo's Mozes is een marmeren beeldhouwwerk dat tussen 1513 en 1516 door Michelangelo Buonarroti is gemaakt. Het is een voorstelling van de Bijbelse persoon Mozes in de basiliek San Pietro in Vincoli in Rome, bestemd voor het graf van paus Julius de tweede. De hoorntjes op Mozes' hoofd zijn het gevolg van een verkeerde vertaling van keren or , keren kan zowel ‘hoorn' als straat betekenen: maar in Exodus 34:29 betekent het woord ‘straal' van licht ( or )
(2) Sigmund Freud, Der Moses des Michelangelo, 1914, vertaald door James Strachey als The Moses of Michelangelo, The Hogarth Press, Men vermoedt, dat in dit essay de met veel moeite bedwongen woede van Freud om de ‘desertie' van zijn volgeling Carl Gustav Jung doorspeelt.
(3) Michelangelo heeft zijn Mozes afgebeeld als een machtig gespierd mannelijk lichaam. Het valt mij op hoe hij de patriarchale autoriteit benadrukt en zo een reflectie geeft van hoe in de Tora - waar overigens de eenheid en ongeslachtelijkheid van de Eeuwige principieel wordt vooropgesteld - toch sterke associaties met het mannelijke principe, de koning voorop, worden gewekt.

Parasja Masee-Matot Bemidbar/Numeri 30:2-36:13
Prestige

De parasjot Matot en Masee worden dit kalenderjaat tezamen gelezen
Het onderwerp van de gelofte en de eed komt ter sprake.
In een aantal passages wordt de oorlog tegen Midjan verhaald.Tenslotte wordt veel aandacht gegeven aan het speciale verzoek van de stammen Reuven en Gad om tegen de oorspronkelijke plannen in een groot stuk van het transjordaanse in bezit te mogen nemen. In de parasja Masee passeren alle pleisterplaatsen van de veertigjarige zwerftocht door de woestijn nog eens de revue (1)

We focussen nog eens op de gelofte en speciaal op de gelofte die de rechter Jiftach (Jefta) heeft gedaan als aanvoerder van de stammen Israels tegen de Ammonieten, zie het boek Sjoftiem/Rechters

De eerste regels (30, 3) van de parasja Matot luiden:  
Wanneer iemand een gelofte tegenover de Eeuwige doet of een eed aflegt om zich van iets te onthouden, laat hij zijn woord niet schenden, al wat over zijn lippen is gekomen moet hij doen'. Gelijke bepalingen vinden we in Wajikra/Leviticus. 19:12 en Devariem/Deuteronomium. 23: 22 en 23.

In het oude Israel was het een ware rage om geloften af te leggen. Het bracht de vaak overijlde afleggers van geloften in moeilijkheden en bezorgde hen materiële en psychische problemen. Al in de Tora zelf wordt de status van geloften gerelativeerd en terughoudendheid aanbevolen, zie Devariem/Deuteronomium. 23:23: ‘Maar als u ervan afziet een gelofte te doen, is er geen zonde in u'.

De archetypische overijlde en onwijze belofte is die van de rechter Jiftach (Jefta). Jiftach was een bastaard en zoon van een hoer. Als jongeman werd hij door zijn broers uit huis verdreven en ontwikkelde zich tot bendeleider en geducht krijgsman. Toen de stammen van Israel weer tot afgoden waren vervallen en werden bedreigd door hun aartsvijanden, de Ammonieten, werd Jiftach gesmeekt om aanvoerder en legerleider te worden in de strijd. Hij stemde toe en aan de vooravond van de slag – die hij glansrijk zou winnen – deed hij een gelofte (Sjoftiem/Rechters 11:30-31): Hij beloofde de Eeuwige: ‘Als u de ? Ammon ie ten ? aan mij uitlevert,  dan zal het eerste dat me bij mijn behouden thuiskomst tegemoet komt voor u zijn; dat zal ik als ? brandoffer ? aan u opdragen. ' 
De eerste die hem tegemoet kwam aan het hoofd van vreugdevolle reidansen was zijn dochter. Jefta scheurde zijn kleren en riep: ‘Ik heb de Eeuwige een ? gelofte ? gedaan en daar kan ik niet op terugkomen' .

In drie opzichten is dit een tragedie.
De inhoud van Jiftachs gelofte was overijld en onoverdacht. De midrasj wijdt hier uitgebreid over uit (2). Zo had een onkosjer dier hem tegemoet kunnen komen, een varken, hond of kameel. Een dergelijk offer zou toch een gruwel zijn geweest voor de Eeuwige. De midrasj merkt op, dat Jiftach geen Tora-geleerde was – niet onlogisch voor een ruwgebolsterde bendeleide; hij was geen kenner van de kasjroet , over wat kosjer is en wat niet. Ten tweede, toch wel heel pijnlijk, hij had helemaal niet stilgestaan bij de absolute ongewenstheid van mensenoffers. De midrasj laat uit de mond van zijn dochter - die in de tekst van de Tanach zich gewillig lijkt te schikken - dan ook allerlei als verwijt klinkende voorbeelden noemen waarin het gelofte-offer juist niet een mens betreft (o.a. de gelofte van Chana (Hanna) om de baby Sjmoeël (Samuel) aan de Eeuwige te wijden en niet te offeren – beetje achronologisch, want deze gelofte zal pas in de tijd na Jiftachs drama plaatsvinden).
Een derde punt, waar de midrasj op ingaat, is van een opmerkelijke actualiteit. In sommige gevallen is het in een bepaalde gevallen mogelijk om in een ritueel van geloften ontslagen te worden (3). Misschien was dat in Jiftachs tijd nog niet zo gangbaar, maar voor de commentator is dat niet relevant; hij vraagt zich af: waarom ging Jiftach niet naar de hogepriester Pinchas (4)? Die had hem toch van de gelofte kunnen ontslaan? Waarom bekommerde de hogepriester Pinchas zich niet om de nood van Jiftach en zijn dochter en kwam hij niet tussen beiden om de gelofte ongedaan te maken? Het antwoord luidt, dat een prestigestrijd de beide mannen verhinderde te doen wat nodig was om het leven van Jiftachs dochter te redden. Pinchas voelde zich te hoog verheven, 'ik ben immers hogepriester en de zoon van een hogepriester; zou ik mij moeten vernederen om naar een domkop ( am ha-arets ) als Jiftach te gaan?'. En Jiftach voelde precies zo hoog verheven, ‘ ik ben het hoofd van de stammen van Israel en de chef van de rechterlijke macht, moet ik mij vernederen om naar een gewoon burger te gaan?'. De midrasj knoopt aan het verhaal van Jiftach de uitspraak van Misjlee/Spreuken vast (11:30): ‘ De vrucht van de rechtvaardige is een boom des levens,en een wijs man vangt zielen ( lokeach nesjamot )' . Misschien mogen we nu vertalen als: een wijs man zorgt ervoor dat hij geen domme commitments maakt, zich niet door valse trots laat leiden en daardoor het leven van mensen niet in gevaar brengt. Zo zien we, dat de midrasj een eeuwig probleem van de mensheid aankaart: prestige, hoogmoed, valse trots, arrogantie, noem maar op.
Prestigestrijd heeft mensenlevens gekost en dat doet het nog steeds.

noten

(1) Zie voor meerdere commentaren op Matot en Masee mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA , deel 2, Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomium , Mastix Press, 2016

(2) Midrasj Tanchuma Buber Bechukotai 7:1

(4) Chronologisch gezien kan het Pinchas niet geweest zijn, het drama speelt zo'n driehonderd jaar later

(3) ‘ Wanneer men zich realiseert, dat het onmogelijk is om een gedane gelofte te vervullen, kan men naar een grote geleerde gaan of naar drie leken om de gelofte te laten opheffen. Men moet dan verklaren dat men op het moment van het afleggen van de gelofte niet volledig de implicaties daarvan realiseerde. Had men zich dat wél gerealiseerd, dan had men deze gelofte nooit afgelegd. Daarom is de gelofte in dwaling geschied en kan hij opgeheven worden' (ontleend aan rabbijn mr. Drs. R. Evers, commentaar Matot-Masee, NIK)

(5) Dezer dagen speelde bijv. de onmacht in de senaat van de Verenigde Staten om een Gezondheidszorgwet aan te nemen, te wijten aan het verlies van prestige, dat de Republikeinen zouden lijden als ze dat in samenwerking met de Democratische partij zouden aanpakken, wat de meest logische oplossing zou bieden.

Parasjat Balak Bamidbar / Numeri 22:2-25:9  
Bilam, een innerlijk tweestrijdige figuur

Altijd als ik de parasja Balak onder ogen neem, wordt ik weer gefascineerd door de figuur van Bilam, de om zijn effectieve vervloekingen befaamde sjamaan uit het oosten die wordt ontboden door koning van Edom, Balak, die doodsbang was dat zijn koninkrijk onder de voet zou worden gelopen door het volk van Israel; dat was bezig met een zegevierende opmars langs de oostelijke oever van de Jordaan. Bilam werd geprest om een effectieve vervloeking uit te spreken ten einde de militaire macht van de Israelieten te verlammen.

Op zich lijkt het verhaal van Bilam een Fremdkörper , een sage, die door de oerredacteur van Devariem kunstig in de tekst is ingevlochten. Om het verhaal heen heeft zich nog een heel weefsel van midrasjiem en legenden geweven. Daarin komt Bilam er bepaald bekaaid af. Gaan we het commentaar (vooral gebaseerd op de midrasj Tanchoema) van de middeleeuwse commentator Rasji bij de psoekiem (verzen) lezen, dan is Bilam vanaf het begin bezield van boze plannen, hij is een doorgewinterde slechterik en wat hij ook doet of zegt wordt in de commentaren uitgelegd als getuigend van zijn perverse intenties. Hij is een man die van diepe haat naar Israel is vervuld. Maar tegelijk is hij in de macht is van De Eeuwige die Bilams mond als een buikspreker bespeelt, iets dat beroemde sjamaan maar het liefst wil negeren, hopend op een moment, dat hij even aan deze macht ontsnappend zijn vervloekingen toch kan uitspreken. ‘Want Bil'am haatte hen (de Israelieten) meer dan Balak', zegt Rasji ad vers 11, hfst 22.

Toch, als we al die midrasjiem even tussen haakjes plaatsen en alleen met een neutraal oog de tekst lezen, kan er ook een ander beeld van de magier naar voren komen, een interessanter en minder zwart-wit beeld, het beeld van een man met ‘zwei Seelen in einem Brust'. Laten we aannemen, dat de man geobsedeerd was door professionele ambitie, rijkdom (de midrasj voegt toe: seksuele begeerte (1)). Mogelijk was hij een eerzuchtige professional, ijdel en niet wars van materiële beloning, gespitst om overeenkomstig zijn reputatie zijn opdrachten correct te vervullen. Op zich hoeft dat nog niet te betekenen, dat Bil'am de Israelieten haatte. Met dat al was hij tegelijk blijkbaar ook gevoelig voor een stem, die boven deze zaken uitsteeg, de stem, die hem steeds coachte om aan deze neigingen niet toe te geven, iets dat we nu misschien mogen omschrijven als een geweten of een diepe of hoge wijsheid van de ziel zouden, iets dat hij niet tot zwijgen kon brengen, zo u wil een Goddelijke stem. Dat zorgde voor een heftige tweestrijd, waarvan het verhaal een tragikomisch verslag doet, dat als een van de hoogtepunten kent de trialoog tussen gedreven Bilam, de wijze ezel, waarop hij naar het kampement van de Israelieten op weg was en de ambivalente God, die hem eerst tegenhield en dan weer leek toestemming te geven.
Ons even ontdoende van de taal van de legende zien we in de dialogen tussen Bilam en zijn God opeens ook ons alledaags marchanderen over hoe wetend wat het goede is we ten slotte genoegen nemen met het mindere. Opeens moet ik denken aan al die adviseurs, managers, consultants, spin doctors die, niet gedreven door idealen, liefde voor het hogere doel of bestrijding van misstanden, maar door opportunisme of louter financiele motivatie met een slecht geweten bereid zijn hun kunsten in dienst te stellen van de meest machtige baas of de hoogste bieder. 

In drie fasen – gemarkeerd door een enorm spektakel aan altaren en offers van stieren en rammen - spreekt de ziener in plaats van vervloekingen alleen maar uitgebreide zegeningen uit over het volk van Israel tot afgrijzen van zijn opdrachtgever Balak. ‘Zie een volk dat alleen woont en zich onder de volken niet rekent' is een van de uitspraken van de magiër in de eerste ronde, een uitspraak, die ver boven het gewicht van de tijd uitgaat. Er is veel te zeggen over Bilams profetieën, maar het derde visioen valt extra op, met name doordat dit wordt voorafgegaan door de woorden .'…daarom ging hij niet als de vorige keren op wichelarijen af maar richtte zijn blik naar de woestijn. Toen Bilam zijn ogen opsloeg en Jisraël daar naar zijn stamindeling gelegerd zag, kwam de geest van God over hem.' (Bamidbar 24, 1-2, vert. Dasberg). Ook zonder tovenarij en zwarte kunsten, maar juist met een houding van open en helder kijken naar de realiteit in al zijn gelaagdheid kan in iemand een dieper geïnspireerd schouwen plaats vinden in nog verborgen mogelijkheden en toekomstige potentie. Zo'n moment heeft beleeft kennelijk ook Bil'am bij deze derde visie, die wederom een reeks zegeningen en profetische uitspraken bevat: de krachtige uitstraling van de strijdbare massa's in het geordende legerkamp maakt ook zonder wichelarij indruk op de geïnspireerde ziener. ‘Hoe goed zijn uw tenten, Jaäkov, uw woningen, Jisrael!', roept hij uit en ook nu nog zingen wij hem deze uitroep na in het begin van het avondgebed. Het is moeilijk te begrijpen, dat na al deze ervaringen Bilam nog bezield zou zijn door een persoonlijke haat tegen het volk, dat hij zo intensief in al zijn glorie had geschouwd en bezongen. In de eerste visionaire sessie spreekt de magiër zelfs zijn verlangen uit tot dit gezegende volk te mogen behoren: ‘Moge ik sterven als die rechtvaardigen, moge ik heengaan zoals zij' (23:10). Je vraagt je bijna af, waarom hij zich niet voor aansluiting heeft aangemeld bij dit gezegende volk, zich niet heeft aangemeld voor een   gioer.

Ik had graag willen geloven dat in Bilam toch een zekere ommekeer had plaats gevonden. Hij had de almacht van de goddelijke stem ervaren en had aan den lijve gemerkt hoe door zijn mond een grotere kracht ten goede spreekt. Maar aan het slot van de parasja lezen we over de ontucht van het volk met de meisjes van Moäv. Dat bleek een veel effectievere politiek om het volk te ondermijnen dan de tussenkomst van een magiër. De sterfte van 24.000 mensen was het gevolg. Even verderop in de parasja Matot (Bamidbar 31:16) is te lezen dat op advies van Bilam het volk van Israël tot deze ontrouw werd verleid. 
Zo is de tweestrijd in de borst van Bilam beëindigd met een katastrofale uitkomst. De midrasj vertelt dat Bilam aan één oog blind was. Een man met Sjtoem ha-ajin (Pasoek 24:3) zegt Bilam van zichzelf, meestal vertaald met een man ‘met een open oog' ; met talmoedische logica zegt de Talmoed (2): het andere oog was dus niet open, dus blind (in het modern Hebreeuws betekent het trouwens ‘eenogig', zie Pimentels woordenboek). Misschien was aan de ene kant de man begaafd met helder zicht, maar aan de andere kant was zijn blik een en al Bemidbar / Numeri 22:2-25:9   blinde vlek. En zo eindigden zijn avonturen met een morele nederlaag (3) en tenslotte zelfs met een geweldadige dood (Bamidbar 31:8).

Noten
(1) Hij zou zelfs hebben gedacht of gedaan aan seksuele handelingen met zijn ezel…
(2)Talmoed Sanhedrin 105a
(3) Als een van de weinigen vertolkt Maimonides een genuanceerde visie op Bilam; hij zou wel degelijk een hoogstaand profeet zijn, maar raakt tenslotte moreel ‘aan lager wal' . Zie o.a. Maimonides' Guide to the Perplexed p. 242

Parasjat Choekat Bamidbar c
Het met te weinig respect afgedwongen waterwonder bij Meriwa leidt tot de aankondiging van de dood van haar twee broers; niet veel later bestijgt Aharon, ontdaan van zijn ambtskleren, de berg Hor om daar te sterven. Twee jaar later zal ook Mosjee op de berg Nevo tot zijn voorvaderen worden vergaderd.
Maar een vitale nieuwe generatie is opgestaan. Na de overwinning op de koning van Arad, trekt het volk verder en ook dan worden militaire successen geboekt. Am chaj!

Een eigenaardig intermezzo trekt de aandacht (Bamidbar/Numeri 21:4-9). Op hun tocht, zuidwaarts de woestijn in treffen droogte en andere ontberingen het volk. Het heft het morrend volk weer een oude klacht aan: er is geen water, het voedsel (manna) is minderwaardig, ‘waarom zijn wij uit Egypte gebracht, om hier in de woestijn te sterven?'
De Eeuwige is ‘not amused' en laat als respons op dit protest giftige slangen ( nechasjiem sarafiem ) los op het volk die de mensen bijten en velen sterven. Dat brengt de Israëlieten tot ommekeer en ze smeken de oude leider om een oplossing. Mosjee krijgt een merkwaardig idee ingegeven. Hij maakt een koperen slang ( nechasj nechosjet ) en houdt deze op een standaard ( nees ) omhoog; wie ernaar kijkt, zal worden genezen, en aldus gebeurt. Volgens de tekst heeft de Eeuwige het zelf overigens niet over een koperen slang, maar alleen over het maken van een ‘seraf', een (soort) engel, of ‘iets brandends' (van ‘saraf' branden). Het is Mosjee, die besluit, dat het een slang moet zijn en wel eentje van koper.

Begaat Mosjee met die koperen slang niet een brute overtreding van het tweede gebod van de Tien Woorden, het afbeeldingverbod (Sjemot 20:4 (1))? Talmoedische rabbijnen vragen zich dit af in deze vorm: kon de slang dood of leven brengen? (2) Nee, het ging erom de Israëlieten het hoofd te doen heffen, omhoog naar hun hemelse vader om hulp en als ze dat deden, begon de genezing, hieven ze het hoofd niet, dan trad de dood in. De slang was dus niet het doel, maar het middel dat omhoog wees naar de Allerhoogste. In de slang zelf is geen godheid geïnvesteerd, het is geen object dat verering verdient. Rituele voorwerpen in het Jodendom hebben geen inherente heiligheid en herinneren alleen aan en verwijzen naar mitswot, zoals A.J. Heschel (3) uitdrukkelijk stelt. Toen de vrome koning Chizkijahoe (Hizkia) de koperen slang zag, die eeuwen lang in de tempel werd bewaard, vond hij dat maar niks, ‘hij sloeg de koperen slang die Mosjee gemaakt had aan stukken. De Israëlieten hadden namelijk nog altijd de gewoonte voor deze slang, die de naam Koperslang ( Nechoesjtan ) droeg, wierook te branden' (2 Koningen 18:4). De verleiding om objecten als de slang tot doel te maken van verering en aanbidding is vaak onweerstaanbaar. Misschien goed om ons eens af te vragen: welke zaak hebben wij al te heilig verklaard?

Even een zijsprong naar het christendom; daar hebben christelijke theologen de Tenach (min of meer het Oude Testament) – tot ongenoegen van de rabbijnen - naarstig afgespeurd naar gebeurtenissen en beelden, die de geschiedenis en met name het lijden van Jezus en zijn rol als verlosser van zonden zou voorafschaduwen. In deze parasja zijn er twee van deze zaken, die vele christenen als zo'n voorafschaduwing zien. Zo is Jezus te zien als de ideale en perfecte Rode Koe die ons reinigt van de dood. De omhooggeheven en genezing brengende koperen slang is te beschouwen als een voorafschaduwend beeld van de gekruisigde Jezus, die de mensen van hun slangenbeetziekte – hun zonden – verlost. Het evangelie van Johannes heeft tot dat laatste beeld aanleiding gegeven, waar deze apostel meldt, dat Jezus zichzelf heeft vergeleken met de reddingbrengende koperslang (Joh. 3:14 ()).

Noten
(1) Sjemot/Exodus 20:4-5 U zult voor uzelf geen beeld maken,  geen  enkele afbeelding  van  wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de Eeuwige, uw God, ben een na-ijverig God, etc.

(2) Talmoed Rosj Hasjana 29a

(3) In ‘Man's quest for God', ch. 5

(4) Johannes 3:14-15: En zoals ?Mozes? de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

Parasjat Korach       Bemidbar/ Numeri 16:1–18:32
Een dwaze en een wijze vrouw  

In deze parasja lezen we over wat tijdens de veertigjarige woestijntocht wel de meest ernstige betwisting heeft betekend van de autoriteit van Mosjee en Aharon. Vier vooraanstaande mannen treden in de volksvergadering naar voren met een ernstige aanklacht, Korach van de stam van Levi. Datan, Aviram en On van de stam van Reöeven, die gelegerd is naast de clan van Kohatieten in het zuiden van het kamp. Wee de kwaadwilligen en hun buren, roept Rasji uit; als slechteriken je buren zijn ben je nog niet jarig. Waarmee komen ze? Mosjee matigt zich veel te veel macht aan, vinden ze. Waar haalt hij het recht vandaan over hen te beslissen, zich boven hen te verheffen? Ze stonden toch allemaal als gelijkwaardige burgers bij de Sinaj?
Als Mosjee dit hoort valt hij op de grond (16:4). Rasji zegt: uit wanhoop, het is al de vierde keer, dat er wordt gerebelleerd, en de oude leider vreest dat hij dit maal het volk niet meer zal kunnente redden van de woede van de Eeuwige.
Als psycholoog zou ik zeggen: het was een doodschrik, hij viel flauw, zoals wel gebeurt als een mens verschrikkelijk slecht nieuws hoort.
De chassidische rebbe Sjne'oer Zalman van Liadi (18 e eeuw) oppert: Mosjee sloot niet uit, dat middels Korach de Allerhoogste hem een boodschap wilde doorgeven met betrekking tot zijn leiderschap. Hij had tijd nodig om in zichzelf te onderzoeken of er inderdaad een spoor van zelfverheffing of trots in hem was. Daarvoor viel hij op de grond. Toen hem duidelijk was, dat dat niet het geval was, stond hij weer op en kon hij Korach zien voor wat hij was: een ruziezoeker. Ga altijd na of de boodschapper met zijn boodschap zijn eigen belang voor ogen heeft of dat hij werkelijk de intentie heeft iets van waarheid en waarde te onthullen.

De midrasj laat een onverwacht licht schijnen op de vrouwen. Achter de schermen van een mannenmaatschappij hebben ze vaak grote invloed, zijn ze ‘the brains behind pa'.  Ze kunnen je maken of breken, zoals Misllee (Spreuken) 14:1 zegt: ‘ Wijze vrouwen bouwen hun ? huis ? op, maar  een  die zeer dwaas is, breekt het met haar handen af'. Van beiden geeft de midrasj een voorbeeld in de personen van de vrouw van Korach en de vrouw van de Rubeniet On. (2)

Want naast Korach heeft zijn vrouw heeft een groot aandeel in de rebellie. Zij heeft hem flink aangestookt. Mosjee had hem, Korach, doodeenvoudig genegeerd bij de benoeming van hoge posten, zei ze, Mosjee deed aan nepotisme en benoemde zijn neefjes tot priester; de boeren moeten de priesters hun deel geven, maar de levieten krijgen niks en moeten gewoon belasting betalen, en hij Korach (='kale') had als gewonen leviet het vernederende afscheren van lichaamshaar moeten doorstaan. En ook andere voorschriften zoals de tsietstietplicht en het mezoeza voorschrift, belachelijk allemaal, zo ridiculiseerde zijn vrouw als een echte demagoog achter de schermen.  
Nee dan de vrouw van de Rubeniet On. De man On wordt na zijn introductie in vers 1 van hoofdstuk 16 niet meer vermeld; hij is kennelijk aan de rampzalige afloop van de rebellie ontkomen. Dat heeft hij volgens de midrasj aan zijn vrouw te danken. Die zag hem samenzweren met Korach en diens kornuiten. Ze raadde hem dringend aan uit te stappen, hij zou zelfs bij het slagen van de rebellie er toch niets wijzer van worden. Hou je gedeisd, zei ze, blijf in je tent, ik hou je uit de wind. Ze gaf hem wijn te drinken en ging voor de tent zitten. Daar ging ze uitgebreid heur haar kammen en tot een ingewikkelde en coiffure kappen, een langdurige procedure waar mannelijke ogen zich niet op mochten vestigen: die moesten uit de buurt blijven. Toen ze daar eindelijk mee klaar was waren was de rebellen al afgelopen. Korach, Datan en Aviram en hun familie waren al door de grond verzwolgen en door het vuur verteerd. Weet met wie je een (echtelijke of politieke) partij vormt.  

Maar de zonen van de rebel Korach werden gespaard (Bamidbar 26:11), ze waren het niet eens met hun vader of ze waren te jong. In de tijd van koning David vormden hun nazaten een koor van tempelzangers. Ze componeerden elf beroemde psalmen, waarmee ze wellicht iets van de slechte naam van hun voorvader hebben goedgemaakt.

Noten

(1) Gebaseerd op Sipurei Chassidim, vermeld op http://www.kabbalaonline.org/kabbalah/article_cdo/aid/683765

(2) Daät Zekeniem (selectie van commentaren uit de Tosafot, 13 e eeuw) op Numeri 16:1 op sefaria.org

Parasjat Sjelach Lecha Bemidbar/Numeri 13:1-15:41

Alternatieve feiten

Na de dood van Mirjam breken de Israëlieten hun kamp op en trekken verder. Met goedkeuring van de Eeuwige gebood Mosjee het land Kenaän, aan de grens waarvan zij na twee jaren zwerftocht door de woestijn waren aangeland te verkennen. ‘Sjelach Lecha' wordt vaak letterlijk vertaald met ‘zend voor jezelf' (Dasberg, vertaling Chabad.org). Dat ‘voor jezelf' duidt erop, dat het geen oorspronkelijk idee van de Eeuwige is om te verkennen, maar meer een hemels fiat achteraf van een menselijk verlangen, aldus de midrasj (1). De versie van het verhaal in Devariem 1:22 , als Mosjee terugblikt op deze gebeurtenis, bevestigt dat: het is een idee, dat de mannen uit het volk aan Mosjee hebben opdrongen. De leidsman gaf er aan toe en wees een groep van twaalf uitgelezen mannen aan, een uit iedere stam. De rabbijnse uitleggers neigen ertoe, dat deze verkenning niet had gehoeven in de ogen van de Almachtige, die immers vooral een beroep deed op het rotsvast vertrouwen van zijn volk in Zijn bescherming. Toch is het begrijpelijk, dat op rationeel menslijk niveau men graag vooraf informatie wilde krijgen over het land; is het inderdaad mooi en vruchtbaar en wat zijn de strategische mogelijkheden voor een succesvolle invasie.

Drie fasen in wat er vervolgens gebeurt zijn te onderscheiden. De eerste is opdracht van Mosjee: rapporteer hoeveel mensen er wonen, zijn ze sterk of zwak, is het land goed of slecht, wonen de mensen in open dorpen of in versterkte steden, is de grond vet of arm, zijn er bomen, neem wat vruchten van het land mee. Wees moedig. Een duidelijk omschreven instructie. Het gezantschap vertrekt en reist van zuid tot noord veertig dagen rond.
De tweede fase speelt zich af bij de terugkomst van de twaalf mannen. Ze geven ten overstaan van Mosjee en het volk een zakelijk verslag van wat ze hebben aangetroffen. Inderdaad vloeit het land over van melk en honing, en getoond worden de meegebrachte vruchten. De steden zijn versterkt en groot. De bevolking maakt een krachtige indruk en een overzicht van de etnische groeperingen wordt gegeven. Het is duidelijk, dat een moeilijke onderneming voor de deur staat.
Een logische stap zou nu zijn om al deze gegevens op een rij te zetten en een strategie te bepalen; misschien zou een bepaalde tactiek van de militaire underdog toch succes hebben. Misschien zou enig uitstel wat adem geven voor het opschalen van de krijgskunst.
Maar dat gebeurt niet, want in het schijnbaar objectieve verslag is toch een adder verborgen. Dat zit hem in het woordje èfès-ki , dat in vers 28 ‘echter' betekent (in modern Ivrit betekent èfès ook: nul),: ‘Het volk echter … is sterk etc'. (2) Dat zet een sombere ondertoon in en de omstanders voelen dit haarfijn aan, want kennelijk ontstaat er grote onrust onder hen, wat Kalev ertoe brengt om de gemeente kalmerend toe te spreken; hij en Jehosjoea geloven er nog heilig in, maar in de menigte zakt de moed in de sandalen. De andere tien mannen van het gezantschap bekennen nu openlijk: we redden het niet, die volken in het beloofde land zijn sterker dan wij. Er zou nu nog een beraad tussen de partijen kunnen volgen over pro's en contra's, een heftig maar realistisch debat, maar zover komt het niet.
Er breekt een derde fase aan, waarin emoties van angst en woede het heldere zicht gaan verduisteren. De tien mannen gaan de tenten van het kamp rond en verspreiden laster en kletspraat. Ze stoken het vuurtje op. Rijzige bewoners van Kenaän worden reuzen, het land is opeens een land dat zijn bewoners opeet en de Israelieten zijn machteloos als sprinkhanen (13:32). De harde feiten worden verdraaid, opgeblazen, uit hun verband gerukt We zouden tegenwoordig spreken van desinformatie of ‘alternative facts' . Angst maakt alles buiten ons groter en binnen ons kleiner. De angst heeft de tien mannen te pakken en ze besmetten met hun negatieve propaganda de massa van het volk ermee als met een besmettelijke ziekte. Het leidt tot rebellie tegen Mosjee en Aharon, tot een amper door Mosjee afgewende afschrijving van Israel door de Eeuwige, tot een onbezonnen en verloren veldslag tegen de Amalekieten en tenslotte tot het achtendertigjarig uitstel van de entree in het beloofde land,
We zien hier een proces zich afspelen, dat door vele psychologen en sociologen is beschreven (3) . Het is een bekend verschijnsel: de massa is enorm suggestibel. Soms pakt dat uit in de richting van nobele doelen, waar de massa zich met het vege lijf voor inzet, maar vaker vinden alternatieve feiten en leugens een welkome voedingsbodem in de menigte, wat leidt tot opgewonden meutes, waarin ook de meer verstandige zijn kritische vermogens verliest en wordt meegesleept in een neerwaartse roes op weg naar destructie van beschaving en eliminatie van vermeende zondebokken. Verschijnselen van alle tijden, die we ook nu nog steeds in onszelf kunnen bespeuren en om ons heen zich zien afspelen. Sinds kort (historisch gezien) is daar een nieuwe speelruimte bijgekomen: het internet, waar nieuwe massavorming zich adembenemend afspeelt. .
Even terug naar de parasja. Het belangrijkste euvel, dat aan de Israëlieten wordt voorgeworpen is hun gebrek aan geloof en vertrouwen, hetgeen uiteindelijk leidt tot de achtendertigjarige verlenging van hun woestijnzwerftocht. Het valt mij op hoe in deze parasja dit verval van geloof en vertrouwen gepaard gaat met een parallel loslaten van een rationeel nadenken en het prijsgeven van een moedige analyse van de problemen en hun mogelijke oplossingen. Het lijkt er sterk op dat een stevig spiritueel geloof een kalme analyse van de contingente feiten niet uitsluit en zelfs nodig heeft en omgeleerd het effect van een kalme analyse van de feiten en hun mogelijkheden duizendvoudig wordt versterkt door een sterk geloof in idealen, zinvolheid, bestemming, het goede of God, zo je wil. Het zijn twee handen van één lichaam.

Noten
(1) Rasji ad loc.
(2) Nechama Leibowitz, Studies in Bamidbar , p. 139
(3) Bijv. Sigmund Freud, Massenpsychologie; Ortega Y Gasset, Opstand der Horden; Elias Canetti, Massa en Macht

Parasjat Behaälotcha Bemidbar/Numeri 8:1 – 12:16
Eros en God

In de Tora is seksualiteit een niet bestaand begrip en spelen romantiek en sensuele genieting geen of een ondergeschikte rol. De oerkracht van eros is wel een onderliggende laag en wordt door regels en geboden onder het patronaat van de Eeuwige in geordende banen geleid (vooral in het boek Wajikra). Seksuele gemeenschap en procreatie zijn wel belangrijke onderwerpen; het samenleven van man en vrouw wordt door een flink aantal geboden gereguleerd. In latere tijden geven vele geboden en gebeurtenissen in de Tora wel aanleiding tot een voortdurend rabbijns discours over de rol van eros, dat tot in onze tijden resoneert. Heel pregnant gecomprimeerd gaat het om: eros en/of God (1)
In deze parasja zien we een goed voorbeeld van hoe de rabbijnen een passage in dat verband uitleggen.

De laatste episode in deze parasja beschrijft de aantijgingen van Mosjee's zuster en broer, Mirjam en Aharon, tegen Mosjee: Bemidbar 12:1   Mirjam nu sprak, en Aharon, tegen Mosjee, naar aanleiding van de vrouw, de Koesjitische, die hij genomen had; want hij had een Koesjietische tot vrouw genomen. 2 En zij zeiden: Heeft dan de Heere maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de Eeuwige hoorde het!  
Een gangbare rabbijnse verklaring van deze duistere passage is, dat de vrouw uit Koesj niemand minder is dan Tsipora, die dochter van Jitro, de Midjanitische priester, die Mosjee gastvrij opnam in zijn familie, toen laatstgenoemde van Farao's hof was weggevlucht. Als we de uitleg van de midrasj en Rasji (2) volgen dan betekende ‘vrouw uit Koesj' in het toenmalig taalgebruikgewoon ‘heel speciaal, schoon in uiterlijk en deugd' en dat wijst dus op Tsipora.
Het merkwaardige is, dat de mededeling, dat Mosjee een vrouw uit Koesj (volgens de rabbijnen dus Tsipora) had genomen niet betekent, dat er een nieuwe vrouw in het leven van de man is gekomen, maar geduid moet worden in de voltooid verleden tijd: hij was gehuwd en nu is hij van zijn gangbare vrouw gescheiden. De leidsman van Israel is blijkbaar overgegaan tot het celibaat! Het was Mirjam opgevallen – zo zegt de midrasj - , dat Tsipora zich niet meer opmaakte zoals de andere gehuwde vrouwen en toen ze haar schoonzuster vroeg waarom antwoordde deze: ‘je broer doet er niet meer aan' (bedoelend: aan seksuele gemeenschap). Een latere midrasj (Tanchoema) verhaalt in nog meer detail: Miriam stond naast Tsipora, toen ze hoorde hoe Eldad en Medad als profeten het kamp rondgingen (eerder in deze pararasja verhaald Bemidbar 11:26 ev). Tsipora zei toen: “Wee hun vrouwen, als ze de taak krijgen profeet te zijn, want ze zullen scheiden van hun vrouwen, net zoals mijn echtgenoot (Mosjee) van mij scheidde”. Profeet zijn is niet te combineren met seksuele omgang is de implicatie. Voortdurende communicatie met God en echtelijke vereniging met de vrouw gaat niet samen.

De rabbijnse uitleg uit de vroege middeleeuwen projecteert een belangrijke problematiek in deze scene, een problematiek omtrent de relatie tussen de ervaring van Gods nabijheid en seksualiteit. Sluiten die elkaar uit?
Staat seksuele activiteit spirituele ontwikkeling in de weg of is een combinatie mogelijk? Daarmee hebben de rabbijnen uit alle eeuwen zich intensief bezig gehouden. Het vermeende celibaat van Mosjee staat daarmee aan het ene extreem. Een man die constant in verbinding staat met de Eeuwige is boven de wereld van seks en gemeenschap uitgestegen. Dit ideaal is echter uniek en vrijwel voor niemand weggelegd. Bovendien is daar de onverbiddelijke mitswa om kinderen te krijgen en wel binnen het huwelijk. Het procreatie-gebod eist van de man om periodiek tot zijn vrouw te komen. Celibaat is in het Jodendom van alle tijden geen optie.
Even terug naar de Tora-tekst en Rasji. Volgens Mosjee's zuster Mirjam is die extreme abstinentie van haar broer ook niet nodig. Mirjam komt op voor de opvatting, dat om profeet te zijn je geen celibaat hoeft te beoefenen. Zij en Aharon zijn wel getrouwd en net zoals Mosjee zijn ook zij profeten met zienersgaven! Dat verklaart volgens Rasji hun uitroep in het tweede vers van hoofdstuk 12:  ‘ Heeft dan de Eeuwige maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? ' Waaraan Rasjii toevoegt:  ‘ En wij hebben ons toch niet onthouden van echtelijke gemeenschap!'.
Tegelijk komt Mirjam daarmee op voor haar seksegenoot Tsipora en haar recht op echtelijke aandacht (later geformaliseerd in de mannelijke plicht periodiek tot zijn vrouw te komen, de mitswa ona )

In het rabbijnse discours door alle eeuwen blijft het spanningsveld van de kwestie ronddwalen; als een paal staat boven water, dat echtelijke gemeenschapp een plicht is, tegelijk komt daarmee de vraag:in hoeverre mag die gemeenschap gepaard gaan met genot. Mag je de lust ten volle ondergaan of moet eros binnen de perken gehouden worden, zo niet geheel onderdrukt worden om het contact me de hemel open te houden.
In talmoedische tijden zijn op dit gebied tamelijk milde geluiden te horen.
Zo onderwees Rabbi Josef (3): ‘haar lichaam vraagt direct lichamelijk contact, dwz dat hij haar niet zoals de Perzen behandelt, die hun echtelijke plichten gekleed verrichten. Dit bevestigt een regel van Rabbi Hoena, die verordende, dat een echtgenoot, die zei: “ik doe het niet tenzij zij haar kleren draagt en ik de mijne”, haar echtscheiding moet verlenen'.
In de middeleeuwen komen we een scala aan opvattingen tegen (deels ook door het christendom beïnvloed). Aan de ene kant ontmoeten we enige tamelijk ‘plezier-tolerante' geleerden als Inb-Ezra en Rabbi Abraham ben Yosef (Rabad) (4), welke laatste vier aspecten aan de echtelijke samenleving onderscheidt, die in de komende wereld worden beloond: de procreatie, het welzijn van de foetus, het tegemoet komen aan het genot van de echtgenote en het tegengaan van overspel. Het is zelfs de plicht van de man om zijn vrouw haar genot te bezorgen.
Daarentegen ontpopt Maimonides (5) zich als een strenge meester ten aanzien van lichamelijke genietingen. Deze kampioen van de geestelijke discipline ziet de erotische prikkelingen en sensuele ervaring als afleidend van het doel van het superieure geestelijk genot van het intellect, dat naar eenheid met het goddelijke streeft. Een sterke preoccupatie met zaadlozing buiten de geslachtsgemeenschap
kenmerkt vele middeleeuwse geleerden en ook deze middeleeuwse meester, die lof spreekt van de profeet Elisja, die volgens de Oude Wijzen nooit aan seks dacht en nooit werd betrapt op een nodeloze zaadlozing, terwijl aartsvader Jaäkov pas zijn eerste zaad stortte ter verwekking van zijn eerstgeboren zoon Reoeven.
De lijn van Maimonides heeft zich in de volgende eeuwen in diverse vormen doorgezet. Vele mystieke stromingen gingen behoorlijk tot sterk genotsvijandige tendenzen aanhangen. In de sfeer van de kabbala leek het wel of de eenwording met het goddelijke gelijkwaardig, zo niet superieur te achten was aan de seksuele gemeenschap. De echtelijke vereniging met de vrouw is weliswaar een mitswe – de ona , bij voorkeur te verrichten op sjabbat – maar dat moet dan maar snel en met zo weinig mogelijk lust worden volbracht. Opvallend is, dat het mannelijk spiritueel heil vooropstaat.
In het in de 18 e eeuw ontstane chassidisme heeft deze tendens zich in sterke mate voortgezet en in verschillende ultravrome stromingen die heden ten dage nog te vinden zijn zien we dat nog terug. Bij de gelijktijdige niet-chassidische meer op Tora-Tamoed studie gefocuste richtingen ( mitnagdiem ) in de 19 e eeuw zien we een gelijkvormige erotisering van de Tora, waarvan de bestudering verre superieur is aan de huwelijkse genietingen. Het sensuele Hooglied gaat niet over de aardse devotie van het minnespel, maar over de intellectuele vereniging met de goddelijke dimensie.
Grotendeels is het bovenstaande natuurlijk vooral een (wel heel ruwe) schets van de rabbijnse en geleerdenelite van het Joodse volk, dat over het algemeen wat betreft de seksuele mores een lossere mainstream praktijk volgde. Toch mogen we wel stellen, dat het chassidisme in het Oost-Europa van de 18 e , 19 e en een deel van de 20-ste eeuw een grote invloed had op de bevolking.

Natuurlijk opende voor velen de Verlichting de deuren naar een bevrijding uit de ook op seksueel gebied benauwende traditie. De vraag is of de vrijkomende eros rond de overgang van 19 e en 20 ste eeuw niet ongemerkt in de knellende banden kwam van het van de gojiem overgenomen bekrompen bourgeois-ideaal dan wel werd gesublimeerd in het ideaal van de fysiek competente ascetisch-zionistische landbouwpioneer (waarmee ik wel heel kort door de bocht een hoofdstuk uit David Biales boek (1) comprimeer). De angst voor een vrije seksualiteit bleef eigenlijk daarmee ook buiten de traditioneel religieuze grenzen gehandhaafd.
Tegelijk heeft Sigmund Freud, de Mozes van de psychoanalyse, de oerkracht van de seksualiteit in onze psyche in het licht gezet en tegelijk de onontkoombaarheid deze oerkracht in het leven zijn plaats te geven.
Intussen mag je zeggen, dat in tweede helft van de 20 ste eeuw de westerse wereld het grotendeels seculiere of liberale dan wel traditionele Jodendom terecht is gekomen in de mainstream van het burgerlijk huwelijk met een redelijk verlichte seksuele moraal.
De ambivalente relatie tussen de krachtige aandrift tot een vervullende ongebonden genieting van het lichamelijke en de nog steeds geldende dringende noodzaak deze te begrenzen, welke noodzaak vroeger op sacraal niveau tot uiting kwam in (vaak zeer benauwend uitgelegde) religieuze geboden, is van alle tijden.
In iedere generatie uit dit zich in nieuwe vormen.
Ook nu zijn mensen druk bezig met het zoeken naar seksuele vervulling en genieting van wat het aardse te bieden heeft. Het lijkt of – tenminste in het westen –na het verbreken van knellende banden in de 60-er jaren van de vorige eeuw - seksuele en materiële genieting het summum is. Maar evenzeer blijft hardnekkig – misschien vaak ondergronds, ongeweten – zich een behoefte voelen naar begrenzing en containment, niet uit angst voor de zonde, maar uit gepassioneerd verlangen naar overstijging van het eigen ik met zijn privé-belangen, begeerten en bezit naar een hoger niveau van beleving en zingeving (God, zo je wil).

In Israel hebben we enerzijds Tel Aviv, de “poel der zonden”, de samenballing van uitbundige vrijheid; daar wordt het leven in al zijn bonte uitersten gevierd, eros kent daar geen grenzen, anderzijds hebben we Jeroesjalajiem, het centrum van religieuze observantie, van vrome kuisheid, waar oude zeden nog opgeld doen. Mischien moeten we tussen Tel Aviv en Jeroesjalajiem een nieuw gouden midden vinden ergens in de buurt van Modi'ien, waar eros en God (6) zich eindelijk verzoenen.

Noten
(1) Dankbaar is gebruik gemaakt van Biale, David: Eros and the Jews : from Biblical Israel to contemporary America , Basic Books, Harper Collins, 1992. Passim
(2) Rasji ad loc, Sifrei Bamidbar 99 en 100
(3) Talmoed Ketoebot 48a
(4) Zie David Biale op cit, p. 95ev
(5 Maimonides, Moses: The Guide of the Perplexed (Moreh Nevuchim) , translated by M. Friedländer, New York, Dover Publications, deel III, hfst VIII
(6) Natuurlijk: God, zoals wij hem naar ons toe interpreteren

RC juni 2017

Parasjat Behar-Bechoekotai Wajikra/Leviticus 25:1-27:34
Een rouwperiode

In deze twee parasjot, in de meeste jaren samen gelezen, worden – heel kort samengevat - het sjabbat jaar en het Jowel jaar geïntroduceerd en verordend. Daarop volgen de zegen en de vloek: als de geboden worden nagekomen zal het het volk en zijn land goed gaan, maar als ze in de wind worden geslagen zullen de meest verschrikkelijke rampen plaatsvinden, van welke een flink aantal schrikwekkende voorbeelden beeldend worden geschilderd. Elders (1) ben ik daarop ingegaan.

Deze week wil ik terugblikken op een stukje rampgeschiedenis, dat in deze dagen wordt herdacht, ten minste in de meer orthodoxe kringen. De parasjot Behar en Bechoekotai worden gelezen middenin de periode van de zogenaamde Omertelling, die eigenlijk een tijd is van lichte rouw, alleen doorbroken door het zg Lag BaOmer feest op de 33 ste dag van de telling. Waarom die lichte rouw en waarom het feest?
Interessant om eens na te gaan.

Lag baOmer en Sjimon bar Jochai
 

Op Lag BaOmer, 18 Ijar (afgelopen zondag 14 mei), vond een positieve keer plaats in de Bar Kochwa opstand tegen de Romeinen (maar niet voor lange duur). Tegelijk is die datum de sterfdag van een van de grootste oude wijzen uit die eerste eeuwen van de gewone jaartelling Sjimon bar Jochaj.

Eigenlijk zijn de 49 dagen Omer-telling – oorspronkelijk een vreugdevolle periode op weg naar de graanoogst – een periode van lichte rouw geworden, die gedenkt, dat een vreselijke pestepidemie de 24 000 leerlingen van Rabbi Akiva wegvaagde in de tweede eeuw van de gewone jaartelling. De legende (in de Talmoed (2)) zegt, dat deze epidemie het gevolg was van hun gebrek aan respect voor en jaloersheid op elkaar. De leerlingen van Akiva, allen hoogbegaafd en fanatiek, verloren de grenzen van hun taak uit het oog, gingen vurig op in hun eigen brille en verdroegen de mening van hun collega's niet meer. Sommige oude wijzen hebben begrip voor de passie van de leerlingen, die alle grenzen uit het oog verloren in hun streven naar de opperste nabijheid bij God. Tegelijk destilleren uitleggers de les, dat fervente passie de kunst van de terughoudendheid broodnodig heeft.

Op historisch niveau bekeken lijkt me de veronderstelling niet ongerechtvaardigd, dat de dood van deze menigte studenten geplaatst moet worden in de oorlog tegen de Romeinen, die de Joden, geprest door de onbarmhartige verboden van keizer Hadrianus – o.a. om te besnijden - en zijn plan om een Romeinse tempel op de plaats van de in 70 verwoeste tempel te bouwen, in 132 waren begonnen onder militaire leiding van Sjimon bar Kochwa en onder spirituele leiding van Rabbi Akiva, die overtuigd was, dat Bar Kochwa de vurig verhoopte Masjieach was. Aanvankelijk boekten de opstandelingen successen. Aangenomen werd, dat het keerpunt in de opstand ten gunste van de Joden plaats vond op de achttiende van de maand Ijar, de dag die nu de rouwperiode even onderbreekt, de dag die we nu Lag baOmer noemen. Later zou men aannemen, dat op die datum het sterven van de Akiva-studenten gestopt zou zijn. Ruim twee jaar was er even weer een Joods Rijk, van 133 tot 135. Sjimon bar Kochwa werd door velen als Masjieach gezien en hij kreeg de titel ‘nassi', vorst. Maar de Romeinen rukten ten slotte met overmacht op en in de slag bij Betar, 135, werden de Joden verslagen. Rabbi Akiva werd gekruisigd.

De vele leerlingen van Rabbi Akiva, zouden die niet als toegewijde soldaten zich bij het leger van Sjimon bar Kochwa hebben aangesloten en zouden ze niet met passie hebben gestreden voor hun leraar en de Masjieach en tegen de Romeinen? Waarschijnlijk zijn ze dan als krijgers op het slagveld gesneuveld of door de Romeinen na de capitulatie geëxecuteerd, net zoals hun leraar. In de Talmoed is dan dit gebeuren, zou men kunnen zeggen, getransformeerd tot een verhaal in religieuze en morele sfeer. Dat de Omer-periode een rouwperiode is geworden is vermoedelijk door de Middeleeuwse rabbijnen bevorderd (3).

In ieder geval is één leerling van Rabbi Akiva aan de dood ontsnapt door zich voor de Romeinen verborgen te houden: Sjimon bar Jochaj. Rabbi Sjimon bar Jochaj was een van de belangrijkste leerlingen van de wijze Rabbi Akiva, die een van de grondleggers was van de Misjna. Sjimon bar Jochai bleef ook na de opstand onverzoenlijk en was wars van ieder compromis met de weer toenadering zoekende Romeinse autoriteiten. Bang voor verraad vluchtte hij met zijn zoon Elazar en zocht toevlucht in een grot, 13 jaar lang.  
De legende (4) verhaalt dat zij dronken uit een riviertje dat plotseling vlakbij ontsprong, aten van een carobeboom die vlakbij ontsproot en dat zij in de grot alleen kleding droegen bij het bidden en zich tussendoor met zand bedekten om hun kleding te sparen. Dertien jaren verdiepten zij zich in de geheimen van de Tora. Hier werden de kiemen gelegd voor de esoterische wijsheid van de ‘Zohar', die later in de dertiende eeuw werden opgeschreven door R. Moses de Léon. Na twaalf jaar stierf keizer Hadrianus en werd er een amnestie afgekondigd. Rabbi Sjimon en zijn zoon verlieten de grot. De eerste man die zij zagen was een boer die zijn koren maaide. Rabbi Sjimon kon na twaalf jaren diepgaande verzinking in de Tora niet begrijpen dat iemand zich met dergelijke wereldse zaken bezig hield. Zijn borende ogen verzengde de eenvoudige boer die in een hoop as en beenderen veranderde. De vertoornde stem van de Eeuwige, hij zij geprezen, riep: “Wil jij mijn wereld vernietigen? Ga terug naar je grot!”.   Weer een jaar van intense verdieping volgde. Nu konden zij zich wel verzoenen met de wereldse gang van zaken en het alledaagse gedoe van hun medemensen. Voor Tikoen Olam moet je echt de wereld in is de moraal.
Met grote blijdschap werden Rabbi Sjimon en zijn zoon verwelkomd. Vele wonderen zijn aan hem toegeschreven en vele anekdotes over wijze uitspraken zijn overgeleverd.   Verhaald wordt dat hij zo intensief Tora studeerde dat hij het bidden mocht overslaan.  
Op 18 Ijar stierf Sjimon bar Jochaj, op de 33ste dag van de Omer telling, dus Lag baOmer gedenkt ook vooral dat; de Hebreeuwse letters l en g vormen samen het getal 33. Omdat de Joodse wijze bepaald had, dat die gedenkdag een feestdag moest zijn, is er op die dag een onderbreking van de rouwperiode met allerlei vieringen. Gedurende de laatste eeuwen is de gewoonte ontstaan om de sterfdag van Rabbi Sjimon te gedenken door zijn graf te bezoeken. Vele duizenden met name chassidische joden bezoeken op deze dag zijn tombe op Mount Meron in het noorden van Israël, bij Tsfat. Grote vreugdevuren worden ontstoken, en driejarige jongetjes worden voor het eerst van hun leven geknipt, de zg ‘opsheren' ceremonie. In de Omer periode worden geen huwelijken gesloten behalve op deze dag.  
In de kabbala wordt aan deze dag een grote lichtkracht toegeschreven.

Noten

(1) Bijv. in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomiu, p. 80 ev  
(2) Talmoed Jevamot 62b, waarin de ziekte overigens vertaald wordt als kroep (difterie). Het aantal van 24.000 doet denken aan Bamidbar/Numeri 25:9, waarin 24.000 slachtoffers worden vermeld van de epidemie, die de Israelieten trof n.a.v. de omgang met de meisjes van Moäv en Midjan. De Talmoed vermeldt overigens 12.000 en de legende geeft dit aantal later verdubbeld.
(3) Zie ook het verhaal op Aish.com
(4) Talmoed Sjabbat 33b -34a

Parasjat Emor Wajikra/Levitivus 21:1-24:3

Brood en Woorden 

In de parasja Emor (‘spreek!') worden onder meer de drie pelgrimfeesten behandeld en beschreven, Pesach, Sjavoeot en Soekot. Opvallend is, dat Sjavoeot alleen als oogstfeest wordt beschreven en nog niet in verband wordt gebracht met het geven van de Tora, het is (nog) niet   chag matan Tora geworden, het feest waarop gevierd wordt, dat de Tora op Sinai aan het volk werd geopenbaard.   Hoe komt het, dat, blijkbaar in latere tijd, dat verband werd gelegd?  

Historisch bekeken lijkt het aannemelijk, dat na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem in 70 van de gewone jaartelling een proces van de-agriculturisering van de rituelen is versneld. Het centrum van de offerdienst was vervallen en offers konden niet meer gebracht. Bovendien was er al een aanzienlijke diaspora buiten het heilig land. De Tora kon niet vernietigd of afgeschaft worden en reisde altijd mee.   Dat riep om een nieuwe interpretatie van deze hoogtijdag van de akkerbouw.  

De Rabbijnen begonnen eens goed te rekenen: de uittocht uit Egypte was begonnen op 14 Niesan, de dag van het Pesachoffer. De Tora schrijft voor daarna vanaf 15 Nisan zeven weken lang iedere dag te tellen tot het oogstfeest, het zg omer-tellen (21:15,16). Na zeven weken reizen in de woestijn moet het volk op de zesde van de Joodse maand Sievan dan dus aangeland zijn bij de Sinaj. Dat duidt op een verband tussen wat er op die datum op de Sinaj is gebeurd - de schenking van de Tora - en het op die zelfde datum voorgeschreven feest van de eerste graanoogst, Sjavoeot

Het verband brengt ons op een spiritueel ontwikkelingsproces tussen Pesach en Sjavoeot.   Op Pesach worden ongedesemde broden gegeten. Het zijn ‘matsot', ongerezen broden die nog niet ‘af' zijn.  De bevrijding is ook nog niet af. Zij zoekt nog naar een voltooiing. Op Sjavoeot worden twee gerezen broden aan de Eeuwige aangeboden, gebakken met zuurdesem (chameets), zoals uitdrukkelijk voorgeschreven (23:17). De broden zijn nu ‘af', gebakken van het graanmeel, dat de basis is voor het fysieke bestaan. Zo heeft de uittocht uit de verdrukking zijn afronding gevonden in de woorden van de Tora, de basis voor het spirituele bestaan. ‘Zonder meel geen Tora, zonder Tora geen meel' zegt Rabbi El'azar ben Azarja ( Pirkee Avot 3:17 ). Daarom worden op deze sjabbat de Tien Uitspraken in Sjemot 20 gelezen.

Als we de relatie tussen Pesach en Sjawoeot nog wat verder trekken kunnen we zien hoe vrijheid een bestemming nodig heeft en een vorm van begrenzing.   De Israëlieten reizen uit de slavernij niet zomaar de leegte van de woestijn in.   Ze worden geleid naar de Sinaj, naar de eerste bestemming, waar ze vernemen hoe hun vrijheid in te bedden in essentiële waarden en leefregels om een goede samenleving te vormen. (De tweede bestemming, het beloofde land, mogen we ‘ontgeografiseren' als een wereld van rechtvaardigheid en liefde, een messiaans beeld, dat ergens in ons als een vonk van verlangen blijft gloeien)

Ook de vrijheid, die we in ons eigen leven aan ons lot willen ontworstelen, heeft een bestemming nodig. Deze sjabbat, de 32 e dag van de Omer-telling, is misschien een goede gelegenheid om eens goed te luisteren of onze vrijheid goed is ‘afgestemd'.  

Olemesjolem. Ipv parasja vd week op 4 mei 2017

We hebben een periode van herdenken achter de rug, Jom haSjoa, Jom haZikaron, vandaag, dat ik dit schrijf is het 4 mei. We kijken terug op de Tweede Wereldoorlog, op de verschrikkingen, die alleen de ouderen onder ons nog aan den lijve hebben ervaren, op de systematische moord op aanvankelijk nietsvermoedende onschuldige Nederlandse burgers van Joodse signatuur. Sta mij toe om in deze week van herdenken iets van een persoonlijk herdenken met u te delen.

Ten tijde van de bevrijding in mei 1945 zaten mijn moeder en ik – toen vier jaar oud - nog in een Japans interneringkamp op Java en lag mijn vader ziek in een barak aan de Burma-spoorweg. Communicatie met Europa was afwezig. Mijn ouders hadden geen flauw idee van de catastrofe rond de Joden in Nederland.
Mijn vader kwam na de capitulatie van Japan terecht in een herstellingsoord in toenmalig Brits-Indie. Hij wist niets van de lotgevallen van onze familie in Nederland. Pas in november 1945 bereikte een eerste levensteken mijn vader in de vorm van een brief die de hele wereld was rondgezworven; zijn ouders – mijn grootouders - en zijn twee broers hadden na een levensgevaarlijke onderduik de oorlog overleefd.. In volgende brieven wordt voorzichtig iets onthuld van de dood van andere familieleden in Nederland. Mijn vader schrijft:aan zijn ouders in maart 1946: ‘Deze week ontvingen we jullie brief van 19 Januari met het ontstellende nieuws van Hetty's dood. Het heeft ons zeer zwaar getroffen en werd ik me weer eens duidelijk bewust hoe dierbaar jullie me bent, want het leed dat één van jullie treft, treft mij meer dan je kunt denken.''

Hetty was de dochter van een broer van de moeder van mijn vader, een pittig en muzikaal meisje. Ze was verloofd met zijn mijn vaders broer, maar ze was ook mijn vaders lievelingsnicht. Ze was ondergedoken, eerst samen met haar verloofde, later apart en toen verraden. Naspeuringen veel later leerden dat ze vermoedelijk is vermoord in het dwangarbeiderskamp Dorohucza in 1943, nog net geen 21 jaar oud. Ook haar moeder Esther (tante Es) en haar broertje Max David (Deetje) kwamen in dat jaar om in Sobibor. Vader Jacob Winkel (oom Jaap) was in 1941 aan een ‘gewone' hartaanval overleden.

Na een lange omweg uit Java werden mijn moeder en ik begin januari 1946 als een klein wonder met hem herenigd in Calcutta. Na veel administratieve rompslomp in mei 1946 werden wij herenigd met de familie in Nederland, precies op 5 mei 1946, de allereerste Bevrijdingsdag. Natuurlijk was er grote blijdschap; mijn hele kerngezin van grootouders, en ouders en ooms (broers van van mijn vader) was nog compleet, iets wat maar erg weinig Joodse kinderen konden zeggen. Maar er waren er natuurlijk grote verliezen geleden buiten de kernfamilie. Ik heb in de jaren na de oorlog en eigenlijk later ook nooit bewust de namen horen noemen van de omgekomen familieleden. Over hen werd voornamelijk gezwegen.

Tegenwoordig vinden we het essentieel om de namen van de nooit meer teruggekomenen niet te vergeten en juist wel te noemen. Zojuist heb ik op de gedenkplaats nabij de synagoge de bijna vijfhonderd namen horen noemen van de uit de Nijmeegse samenleving weggeplukte en naar de dood gevoerde Joden, hele gezinnen, van A tot Z
Daarom noem ik hierbij in dit stuk de vergeten namen van de vermoorde familieleden uit de generatie van mijn beide grootvaders: drie zusters van mijn grootvader aan vaderskant Ies Cassuto, t.w. Rachel Tas-Cassuto, Anna Waas-Cassuto en Simcha Danser-Cassuto; drie broers van mijn grootvader aan moederskant Albert van Zuiden: Samuel Heiman van Zuiden en zijn vrouw Bettij van Zuiden-Nathan, Abraham (Bram) van Zuiden en zijn vrouw Penina Duque, Bernard van Zuiden en zijn vrouw Sientje van Zuiden-Snijders; de zuster van Albert, Elisabet (Lize) van Zuiden; de zuster van Albert van Zuidens vrouw Betsy van Zuiden-van Praag – mijn oma - : Marie Kamerling-van Praag en haar man Isedoor Kamerling.

Op 4 mei heb ik stil gestaan bij het onvoorstelbare afgrijzen, dat zij moeten hebben gevoeld, toen hun moorddadig lot hen in het gezicht keek, zoals dat ook gebeurde met de ruim honderdduizend mede-Joden en de Sinti en de Roma en nog zovele anderen.
Wat ik me uit mijn kindertijd wel kan herinneren is dat mijn oma van moederskant vaak iets mompelde als ‘olemesjolem'. In mijn kinderoren klonk het als een soort toverspreuk, zoiets als ‘simsalabim'. Maar het was natuurlijk Jiddisj voor ‘alam ha-sjaloom', ‘zij mogen rusten in vrede' en dat zeg ik haar nu na: alam ha-sjaloom

Na tweeënzeventig jaar lijkt de vrede ons te omgeven als een vertrouwde jas. Vanzelfsprekend. De ijskou van de oorlog is voor de meeste niet eens meer een herinnering. Laten we de vrede niet verspelen aan onwijze waaghalzen, die in het kader van een zich hernieuwend nationalisme uit narcisme dit kostbare goed in de waagschaal stellen.

RC 4 mei 2017


Parasjat Tazria-Metsora
  Wajikra/Leviticus 12-14 en14-16)  
De plaag

De parasja Tazria (“zij die zwanger wordt”) handelt over de reinigingshandelingen die de vrouw na de geboorte van haar kind moet verrichten; vervolgens gaat het hoofdstuk verder grotendeels over procedures rond de huidziekte tsaraät , vermoedelijk een vorm van melaatsheid, soms vertaald als ‘huidvraat'. Het is aan de priester om te bepalen, wanneer daarvan sprake is; in het bevestigende geval is de lijder onrein en moet hij buiten het kampement verblijven tot de priester concludeert, dat genezing heeft plaats gevonden. In de volgende parsje Metsora volgen vergelijkbare voorschriften voor de aantasting van muren, gebouwen en kleden met tsaraät en tenslotte zijn er de regels voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en de bijbehorende reinigingshandelingen.  
Hoe men met de moderne wetenschappelijke kennis van nu hierover moge denken, men kan de Israëlieten van toen een intuïtie voor het belang van hygiëne voor gezondheid en welzijn niet ontzeggen.

Toch zien de meeste de oude wijzen tsaraät niet zozeer als een medisch-hygienisch verschijnsel als wel als een fenomeen, om te waarschuwen voor afdwaling van het rechte pad. Wat subtieler gezegd: als een uiting van een ‘innerlijke spirituele verstoring in de relatie tussen de lijder aan tsaraät en zijn Schepper' (1) . Met name wordt dan gedoeld op Lasjon Hara , letterlijk ‘kwade tong, kwade taal'. Hieronder verstaat men menselijke verbale uitingen over andere mensen, die geen bewuste aperte leugens zijn, maar die wel schade aan anderen kunnen toebrengen, bijv. laster, roddel, geruchten, achterklap, geklets, ongecheckte verhalen, verzinsels (2). We moeten tsaraät dan niet meer letterlijk opvatten als een lichamelijke ziekte, verschimmeling van kleden of ondermijning van muren, maar als een aandoening van het innerlijk (de ziel) of een ondermijning van de samenleving.
De Tora verbiedt liegen en laster ook uitdrukkelijk (3), maar vindt een rijke aanvulling in de rabbijnse uitleg van lasjon hara . De melaatsheid en de aantasting van kleden en huizen zien zij daarbij als een metafoor voor het effect van lasjon hara. Tezamen vormt dit een boodschap, die voor onze moderne tijd nog niets aan actualiteit heeft verloren.

Roddel, laster, kwaadspraak en de immer draaiende geruchtenmolen zijn van alle tijden, maar heeft sinds de drukpers een enorme versterking gekregen. Natuurlijk heeft de uitvinding en invoering van de drukpers een zegen betekend voor beschaving en vooruitgang, maar tegelijk heeft dit mooie medium het ook mogelijk gemaakt om op papier via propagandakanalen massaal strategisch leugens en halve waarheden te verspreiden. Sensatiebladen hebben via enorme oplagen op volle toeren geprofiteerd van eindeloze roddelverhalen en nog steeds. Intussen heeft het internet zijn intrede gedaan. Je kan wel raden wat ik ga beweren. Dat betekent naast het ontegenzeggelijk nut van dit inmiddels onmisbare medium een duizendvoudige verruiming van lasjon hara . Momenteel kan (en mag tot op grote hoogte) iedereen via sociale media laster, kwaadspraak, verzinsels over de hele wereld uitstrooien. Individuen en instituten in dienst van duistere belangen kunnen strategisch verzinsels de wereld insturen. Ik hoef de termen ‘alternative facts' en ‘fake news' (nepnieuws) niet meer te noemen.
Deze fenomenen betekenen een gevaarlijke ondermijning van de geloofwaardigheid van de maatschappelijke informatievoorziening. Wie en wat kan je nog als waarheid vertouwen?

Maimonides (4) signaleert de volgorde van het verval ten gevolge van lasjon hara: eerst begint de ziekte in de muren van het huis en als de getroffene niet tot inkeer komt gaat de plaag over naar zijn bed en huisraad en heeft ook dat geen effect, dan worden zijn kleren aangetast en tenslotte wordt zijn lichaam met ‘huidvraat' getroffen. Maar je kan het ook omgekeerd zien. De ziekte begint bij het individu, dat kwaadspreekt; als deze niet omkeert, besmet hij anderen en tenslotte de hele stad en zijn alle huizen met verval besmet.
Onlangs las ik ‘De Pest' van Albert Camus (5). Onvermijdelijk moest ik n.a.v. de parasja aan deze geweldige roman denken. De pest overvalt de Algerijnse stad Oran – toen nog onder Frans beheer – . Het is niet voor niets denk ik, dat Albert Camus deze ziekte als thema neemt. en de stad Oran, waar de plaag zich nestelt, als metafoor van de maatschappij. We lezen hoe de verschillende personages, de dokter dr. Bernard Rieux – min of meer de hoofdpersoon - , de rentenier, de ambtenaar, de journalist, de voortvluchtige crimineel en de priester – worstelend met Gods bedoeling met de plaag - omgaan met een samenleving, die complex en onbegrijpelijk is geworden. Ieder voor zich proberen zij betekenis te vinden in een wereld, die in de ban van een onbegrijpelijk lijden van zin ontdaan lijkt te zijn. Of proberen zij op zijn minst een reden te ontdekken om voort te gaan met handelen. Zeker kan je de roman opvatten een illustratie van het ‘humanistisch existentialisme' van de schrijver.(6). Maar bedenk ook, dat de schrijver het boek heeft geschreven vlak na de Tweede Wereldoorlog, waarin hij aan het Franse verzet heeft deelgenomen. De pest kan dan ook gezien worden als metafoor voor fenomenen, die kenmerkend zijn voor het nationaal socialisme, het systeem, waarin afwezigheid van moraal regel was en leugen, misleiding en propaganda de motor was die het voortdreef.(7)

Tegen het slot van de parasja Metsora wordt verordend, dat het huis, waar de plaag niet verholpen kan worden – ‘dan is het een kwaadaardige melaatsheid in het ?huis; het is ?onrein' (14:44) - moet worden afgebroken en buiten de stad worden gebracht. Dan heeft – in de sfeer van de metafoor - de waarheid het veld geruimd en heeft leugen en misleiding de fundamenten en de muren fataal aangetast.
Ik denk soms, dat een sluimerende plaag zonder dat we het merken – of willen weten - zich in kelders en muren nestelend klaarmaakt om ons te overvallen. En dat we moeten oppassen dat onze samenleving niet een huis wordt, dat steeds meer wordt ondermijnd door een inflatie van integriteit en feitelijke waarheid. En tenslotte moet worden afgebroken.
Camus besluit zijn boek met deze passage:
‘ Luisterend naar de vreugdekreten, die uit de stad opstegen – de pest is voorbij (RC) - , bedacht Rieux, dat deze blijdschap nog steeds bedreigd werd. Want hij wist, wat die menigte onbekend was en wat men kan leren uit boeken, dat de bacil van de pest nooit sterft of geheel verdwijnt, dat zij tientallen jaren kan blij­ven sluimeren in de meubels en het linnengoed, dat zij geduldig wacht in de kamers, de kelders, de koffers, de zakdoeken en paperassen en dat wellicht de dag zou komen waarop, tot onheil en lering der mensen, de pest haar ratten weer zou wekken en uitzenden om te sterven in een geluk­kige stad'.
Zou Camus soms hebben gedacht aan het huis in deze parasja?

noten

(1)  Aldus het commentaar van Nechama Leibowitz op de parasja Tazria, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 115 ev
(2) Dit is als leerstuk van Sjmirat Halasjon tot in de meest subtiele details uitgewerkt door
Rabbi Israel Meir HaCohen Kagan, de bijgenaamd Chafetz Chaim (eind 19 e eeuw).
(3) Sjemot/Exodus 20:16 U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.
Sjemot/Exodus 23:1 ‘U mag geen vals gerucht verspreiden'
Sjemot/Exodus 23:7 ‘Houd u ver van bedrieglijke zaken'
Wajikra/Leviticus 19:16 ‘U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan',
(4) Moses Maimonides, The Guide of The Perplexed , p. 370
(5) Albert Camus, De Pest, De Bezige Bij, 1953. Er is inmiddels een nieuwe vertaling.
(6) Zie o.a. het Tijdschrift Raster, #90, 2000 , http://tijdschriftraster.nl/camus/albert-camus-de-pest/
(7) Een bevestiging vond ik in deze op internet gevonden passages in het boek over Camus van Carina Gadourek, Albert Camus , Uitleg en Antekeningen bij zijn Werk , van Gorcum, 2000 p. 59 ev

RC april 2017

Parasjat Sjemini   Wajikra 9:1 - 12:1
Fanatisme en verontschuldiging

Nadat Mosjee zeven dagen lang Aharon en zijn vier zonen heeft voorbereid op hun priestertaak en geïnstrueerd heeft over de te brengen offers breekt de achtste dag aan – jom ha-sjemini - , de grote dag, dat de vijf mannen ter inwijding van de tabernakel de eerste offers gaan brengen. Nadat alles gereed is gemaakt en de menigte verzamelde Israëlieten in spanning afwacht daalt de presentie van de Eeuwige neer en een bliksemvuur verteert het brandoffer. Dit overweldigende gebeuren brengt het volk tot gejuich en het valt neer in heilig ontzag. Het is in deze sfeer, dat we zien hoe de twee oudste zonen van Aharon, Nadav en Avihoe, aangeraakt door grote geestdrift, impulsief ieder een vuurpan pakken en er wierook opleggen, daarmee het zorgvuldig uitgelegd ritueel doorbrekend. Dat betaalden ze met hun leven, een tweede vuur schiet neer en verteert de twee priesters.

De rampzalige dood van deze twee zonen van Aharon heeft menige lezer voor vragen gesteld. Wat heeft de Eeuwige aan hun zo toegewijd gebracht reukoffer niet behaagd? Wat hebben ze verkeerd gedaan? De moeilijkheid om een bevredigend antwoord te vinden wordt geïllustreerd door de menigte aan uiteenlopende oplossingen, die zijn aangedragen.   Een overzicht daarvan is te vinden in een ander commentaar van mij (1).

Een over brede linies gedeelde slotsom is wel, dat Nadav en Avihoe – overigens zeer gerespecteerde en vooraanstaande mannen – zich door een overstromende bezieling en blind enthousiasme geleid hebben gestort in een hyperindividuele daad, die het zorgvuldig opgezette systeem om heiligheid te benaderen, fataal heeft doorbroken. Nadav en Avihoe zijn als het ware opgebrand aan hun fanatieke vroomheid en – zoals sommige kabbalisten opperen (2) – zijn, net zoals in de Griekse mythe van Icarus te dicht bij de zon vloog, te dicht bij de Eeuwige genaderd.
Misschien moeten in deze trant de woorden van Mosjee begrepen worden, die hij na dit drama als bedoeling van de Eeuwige aan Aharon verklaarde: ‘In hen die tot Mij naderen, zal Ik ?geheiligd? worden' (Wajikra/Leviticus 10:3).
De twee zonen kunnen ook staan als archetypen voor fanatieke leidslieden, die in hun onvoorspelbaarheid en onberekenbaarheid tot en impulsieve daden kunnen komen met soms zegenrijke, maar meestal fatale gevolgen, als egomotieven voorop gaan staan. Volgens de kabbalisten zijn de onstuimige zielen van Nadav en Avihoe overgegaan op Pinchas en dan weer naar de profeet Elija (3). Als we rondkijken in onze wereld is het niet moeilijk politici te ontdekken, die aan deze archetypen beantwoorden en die met vuur spelen.

Laten we nog even kijken naar wat er volgt op de tragische dood van deze twee zonen van Aharon.
Als Mosjee in de woorden van pasoek 10:3 aan zijn broer heeft overgebracht, wat kennelijk de onderliggende grond van het drama is, geeft de beproefde vader geen antwoord. ‘En Aharon zweeg'.
Waren de woorden van Mosjee een schrale troost of zweeg Aharon uit onbegrip, of juist uit begrip en respect. In ieder geval rekent de midrasj hem zijn zwijgen als verdienste en dicht hem een beloning toe En inderdaad zien we in de pesoekiem 8 tot en met 11 van hoofdstuk 10, dat de eer aan Aharon toevalt, dat de Eeuwige het alleen tegen hem heeft en niet tegen Mosjee, zoals in vrijwel alle andere gevallen. Het gaat in dit geval om het aan de hogepriester meegedeelde verbod aan de priesters om wijn of sterke drank te drinken tijdens hun dienst, opdat zij het onderscheid tussen gewijd en ongewijd en rein en onrein kunnen maken. (4)
Duidelijk neemt de Tora (en in het algemeen de Joodse praxis) de positie in, dat in zaken van (religieus, maar ook ander) levensbelang drank en drugs niet passen. Waren Nadav en Avihoe soms dronken tijdens dat ongevraagde reukoffer vraagt de midrasj zich dan ook af en is dat de aanleiding geweest voor deze bepaling.

Priesters moesten zich verre houden van de dood en daarom werden de lijken van Nadav en Avihoe niet door hun broers, maar door verre verwanten weggehaald en buiten het kamp gebracht. Aharon en de twee jongere zonen Itamar en Elazar mochten ook geen rouw betonen, nu zij de zalvingsolie nog op zich hadden (de overige Israëlieten mochten wel rouwen). De ruw onderbroken inwijdingsplechtigheden moesten gewoon doorgaan. Die bestonden vooral uit het consumeren door de priesters van de gepleegde offers.

Aan het slot van de ceremonie vindt nog een merkwaardig incident plaats. Mosjee controleert of de consumptie van de offers door de priesters ook volgens de regels heeft plaats gevonden en constateert, dat het zondebokoffer niet is gegeten maar verbrand. Dat had naar de mening van de leider niet gemogen en hij vaart uit tegen Elazar en Itamar. Maar nu neemt Aharon het voor hen op en ditmaal zwijgt hij niet stil. Het komt erop neer – als ik de onduidelijke tekst en de complexe rabbijnse uitleggingen goed begrijp (4) -, dat in dit geval verbranding het juiste was, omdat het hier ging om priesters die net een bloedverwant hadden verloren.
Maar daar gaat het mij nu niet om; de rituele precisie, die het boek Wajikra (en de latere halacha) doordesemt heeft zijn relevantie in de moderne wereld verloren. Mij gaat het om de reactie van Mosjee: hij geeft Aharon gelijk (10:20). Rasji expliceert: de leidsman ‘gaf zijn vergissing toe en schaamde zich daar niet voor. In plaats van te zeggen “ dat heeft de Eeuwige niet gezegd”, zei hij “Hij heeft het gezegd, maar ik heb het vergeten”' (daarmee ook Aharons uitleg legitimerend). Populair gezegd: sorry broer, ik heb ongelijk, nu heb jij gelijk. Als Mosjee een vergissing toegeeft zonder zich te schamen, hoeveel te meer moet schaamte of trots ons niet weerhouden om een vergissing ruiterlijk erkennen…( kal we-chomer )
En op maatschappelijk en politiek niveau, hoe vaak zien we dat: een bewindsman of president uit vrije wil (dus zonder pressie of imago-overwegingen) een vergissing toegeeft en sorry zegt?

Noten
(1) Rob Cassuto, Reizen door de Tora , deel 2, Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomium, p. 44 ev

(2) Shney Luchot HaBrit, Shmini, Torah Ohr, op Sefaria org

(3) Meer hierover in mijn commentaar op de parasja Pinchas, in Reizen door de Tora op cit., p. 132 ev

(4) Rasji ad loc

(5) Zie Talmoed Zevachiem 101a en b

RC 2017

Verhaal van de week  

Aan de seidertafel: Magied

door Rob Cassuto

Het bevrijdingsproces kan starten als we ons bewust worden in hoeverre we slaaf zijn geworden.  Daarom moeten we steeds het verhaal van de Uittocht uit Egypte, de Jetziat Mitsrajim , aan elkaar vertellen. Het is een geschiedenisverhaal, maar we kunnen het daarnaast vertellen als een allegorie van onze weg door het leven. Zoals het in de Hagada staat onder de titel Magied (1) is het een citaat uit Deuteronomium 26 (woorden die de aanbieder van de eerstelingen van de oogst uitspreekt tegenover de priester), aangevuld met aanhalingen uit voornamelijk Exodus.

Mijn vader was een zwervende Arameeër .
Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk.
Het verhaal begint met een geboorte. De geboorte van een volk, het volk Israël, dat zoekend naar overleving van hongersnood landt in de echte maatschappelijke politieke wereld van het Midden-Oosten van toen, in Egypte. De 70 mensen rond Jacob groeien voorspoedig uit tot een heel volk, een politiek belangrijke minderheid in dat land. Minderheden zijn kwetsbaar, bedreigend voor de meerderheid. Vatbaar om als zondebok te dienen.
Daarnaast zou je het verhaal kunnen zien als de allegorie van de geboorte van onze ziel in deze wereld, de incarnatie van onze essentie in de materiële wereld. Aanvankelijk is de ziel nog onbesmet en schoon. Ezechiël vergelijkt in zijn profetie Jeruzalem en daarmee het Joodse volk met een baby, een meisje, waarover God zich ontfermt en dat opgroeit tot een mooie vrouw, aanvankelijk nog helemaal naakt.

Maar de Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen.
Na een aanvankelijk voorspoedig uitgroeien en opgroeien begint de onderdrukking en steeds meer neemt zij toe. De sociale en politieke werkelijkheid – de materiele wereld - dringt zich steeds onvermijdelijker op met zijn eisen, druk, ontberingen en verleidingen. Steeds meer wordt het volk Israël – en allegorisch gezien onze essentie, onze ziel – in een nauwer fysiek en psychisch keurslijf gedwongen. Een scenario, dat steeds weer herhaald zal worden in de geschiedenis. De Joden als archetypische vreemdeling, als bedreigende minderheid.
Identificatie met de ons omringende wereld, het systeem van eisen en verwachtingen is eigenlijk onvermijdelijk. In de allegorie is het de weg van de ziel door de wereld van de noodzaak, het lot, de macht, het geld, de seksuele afleidingen, (de afgoden in het bijbelverhaal).

Toen klaagden we onze nood bij de Eeuwige, de God van onze voorouders.
Het kan er dan toe komen, dat – vaak onderhuids – de benauwenis ondraaglijk wordt, de pijn doorbreekt - ‘de kinderen van Israël schreeuwden het uit en hun hulpgeroep steeg op tot G-d' (Ex. 2-23). Na lange tijd was dit wellicht het eerste werkelijke gebed om hulp van de grotendeels aan de Egyptische afgoden gewend geraakte en geassimileerde Israëlieten. 
Helemaal vergeten en ontkennen van wie je in essentie bent is op den duur onmogelijk. Uiteindelijk is daar, op die plek de kern van ons levensbeginsel. We worden genoodzaakt onder ogen te zien, dat we gevangen zitten en dat we een uitweg willen zoeken.

En de Eeuwige bevrijdde ons uit Egypte.
Die hulp komt door bemiddeling van Mozes. Hij realiseert zich dat hij niet thuis hoort bij de Farao en zijn staf, maar bij de onderdrukten, en hij besluit te kiezen voor hun bevrijding en de verlossing. In de Hagada wordt hij niet genoemd, om alle eer aan de Eeuwige te schenken, die Mozes als zijn spreekbuis heeft gekozen.
Allegorisch gezien is Mozes de innerlijke gids, die als krachtig brandpunt zich in ons openbaart en diep in ons weet wat het beste is om te doen:op weg gaan naar bevrijding uit onze oude beperkende gedachten en gedragspatronen. Als we open staan voor die stem - vaak hoor je hem nauwelijks, je moet je afstemmen om er contact mee te krijgen - dan krijg je een idee over de weg die te gaan is.
Soms zijn verliezen, ziekten, kortom: de plagen (in het hebreeuws de makot ) nodig om het ego (‘Farao') te brengen tot erkenning, dat niet hij maar G-d is te dienen. Dan pas komt Farao ofwel het ego ertoe om ons diepste verlangen vrij te laten, het verlangen om op weg te gaan naar wie we in wezen zijn.
Dan ligt de leegte van de woestijn open. De problemen zijn nog niet voorbij, maar het zijn onze eigen authentieke problemen. De zekerheid van de slavernij hebben we niet meer en iedere dag moeten we opnieuw vertrouwen schenken. 

(1) Zie o.a. de zogenoemde  ‘ Brede Hagada ' van het Verbond voor Progressief Jodendom onder 8 e.v.

RC 2017

Wilt u reageren op dit commentaar? Graag! Klik hier .

Parashat Tsav ,   Wajikra / Leviticus 6: 1-8:36
Offer

Evenals in de parasja Wajikra bevat de parasja Tsav (Draag op …) regels over het offeren. Tevens wordt beschreven, hoe Mosjee zijn broeder Aharon en diens zonen tot priester heeft gewijd.
Wij offeren dieren en graanproducten niet meer, sinds de tempel niet meer bestaat en het lijkt erop dat onze geestelijke ontwikkeling aan dierenoffers voorbij is.

Wel kunnen wij uit de beschrijving van de offerdienst soms allegorisch nog inzichten uitdiepen. In het Toracommentaar van Harvey Fields (1) worden een paar van die inzichten genoemd. Zo noemt hij Wajikra/Leviticus 6:5, het vuur op het altaar moet altijd brandende worden gehouden, het mag niet uitgaan. Zo moet onze toewijding, onze aandacht actief blijven en gericht op Tora leren, gebed en tsedaka en ik zou willen toevoegen: gericht op ontvouwing van het beste in ons op elk moment.

Het begrip offer zelf is niet verouderd. Het begrip offer in de zin van het afstaan en aanbieden van iets dierbaars of kostbaars voor een doel dat boven ons eigen belang uitgaat of voor het herstel van de verbinding tussen ons en de schepping om ons heen (of met de Schepper, als u daarin gelooft) heeft nog alle actualiteit.

Laten we eens proberen een lijstje van soorten “eigentijdse” offers te maken.   Als offer zou je kunnen worden aanmerken:
- het ophouden met verslavingen. Het offeren van de dierbare sigaretten, de onmisbaar geachte slok alcohol, overmatig eten, automatisch op de bank televisie kijken.
- het afstappen van telkens terugkomende negatieve gedachten over Zelf en Anderen
- het afstappen van gewoonten die schadelijk blijken te zijn voor het milieu. Denk aan de auto. Bewuster omgaan met energie in het belang van het milieu.
- het een keer niet uitspreken van een (zogenaamde) waarheid uit compassie met een ander, een keer niet je winst binnenhalen, je succesvolle act uitspelen e.d., het belang van het groeiproces van een ander laten wegen boven je eigen scoren.
- het afstaan van iets kostbaars voor een hoger doel, een flink deel van je inkomen of vermogen schenken aan een ander belang dan jezelf, je kind, je groep, een goed doel.

Het grootste offer is het offeren van je leven, kiddoesj Hasjem , zoals de dappere zioniste Hanna Senesh, die in 1943 vanuit Israël weer naar haar geboorteland Hongarije is gegaan om bij de partizanen mee te werken aan de redding van Joden uit de Duitse handen. Ze is opgepakt en na wrede martelingen, waarbij ze geen namen prijs gaf, geëxecuteerd.

Volgende week is het Pesach, het feest, dat wellicht is ontstaan uit het lentefeest van de herders, die de eerstgeboren lammetjes offerden, en dat nu het een feest is geworden van bevrijding, van uittocht uit de slavernij. Dat Pesach samengaat met de parasja Tsav lijkt niet zonder zin. Het offer wil de voorwaarden te scheppen voor verzoening en vernieuwing. Het offer beoogt om een innerlijke en tussenmenselijke plek te maken, die onbezoedeld is, ruim en open, waarin de gemeenschap zich kan vernieuwen tot een nieuwe etappe in de levensweg.

Noot
(1) Fields, Harvey J., Een Toracommentaar voor onze tijd , Vol. 2 Exodus and Leviticus, Stichting Sja'ar, 2003 .

Herzien 2017 RC

Parasjat Wajikra Wajikra/Leviticus 1:1 – 5:26
Roeping

et derde boek van de Tora – na Beresjiet en Sjemot - heet Wajikra (Leviticus). De eerste parasja heeft dezelfde naam: Wajikra – Hij riep - en bestaat uit de hoofdstukken 1-6.   een uitgebreide beschrijving van de verschillende soorten offers, brandoffers, vredeoffer, meeloffers, zondeoffers en schuldoffers. In talmoed en midrasj zijn de voorschriften over de offers, tempeldienst, de priesters en de levieten tot in detail verder uitgewerkt en becommentarieerd
Na de verwoesting van de tweede tempel is de offerdienst vervallen.
Voor de praktiserende - met name liberale - Joden hebben studie, gebed en goede daden de plaats van de animale offers ingenomen. Toch zijn in en onder de oude woorden onverwachte betekenissen te destilleren. Alleen al de eerste zin geeft aanleiding tot vele gedachten.

Die eerste zin van de parasja luidt (HSV):' De Eeuwige riep ? ( ??????????, Wajikra ) Mosjee en sprak tot hem ( jedaber ) vanuit de ? tent ? van ontmoeting: Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen etc.'
In de midrasj werd gesignaleerd, dat er eerst een roepen is en dan pas het spreken; kriya gaat voor dibboer .(1) Dat doet denken aan twee eerdere gevallen, waarin Mosjee eerst werd geroepen om dan pas te horen wat de Eeuwige hem te zeggen had. De eerste ‘roeping' vindt plaats als Mosjee, gevlucht uit Egypte, als herder in afgelegen streken zijn kudde hoedt en bij de brandende doornstruik kennismaakt met zijn levensopdracht, de Israëlieten uit Egypte te leiden. Sjemot 3:4:'Toen de Eeuwige zag dat hij (Mosjee) ging kijken (naar de brandende doornstruik), riep (wajikra) God tot hem uit het midden van de doornstruik en zei: ? Mosjee , ? Mosjee ! Hij zei: Zie, hier ben ik (Hinenni)!'
De tweede ‘roeping' klinkt als Mosjee wordt gemaand de berg Sinaj te bestijgen om daar de woorden van de Tora te ontvangen. Sjemot 19:3: ‘ De Eeuwige riep ( wajikra ) tot hem vanaf de berg: Zo moet u tegen het ? huis ? van ? Jaäkov ? zeggen en de Israëlieten verkondigen etc.'

Duidelijk gaat het bij dit roepen steeds om kardinale momenten in het leven van Mosjee en tegelijk om richtingbepalende openblikken in de ontstaansgeschiedenis van het volk van Israel, mijlpalen, die worden ingeluid door een roepen.
Zo ook bij de derde ‘roeping'. Wanneer de tabernakel is voltooid daalt de presentie van de Eeuwige is neer, zoals beschreven aan het eind van Sjemot/Exodus (40:34). In Wajikra/Leviticus wordt de draad meteen weer opgenomen en is er weer zo'n moment aangebroken: vanuit de net voltooide misjkan wordt - Mosjee geroepen. De midrasj zegt, dat dat met met dezelfde woorden gebeurde als in Sjemot 3:4, ‘Mosjee, Mosjee', beantwoord door de geroepene met Hinenni , hier ben ik'. Als Mosjee de tabernakel dan is binnengegaan klinkt de boodschap van de Eeuwige vanuit het binnenste van de misjkan en onthullen zich de vele voorschriften over offers en reinheid, maar ook geboden als ‘heb je naaste lief als jezelf'.

Dat roepen is een oproep om werkelijk met hart en ziel te gaan luisteren, een wake-up call om aan te geven, dat een belangrijke boodschap op het punt van doorbreken is. De middeleeuwse meester Rasji hoort in de oproep een toon van genegenheid ( chava ) doorklinken
Kunnen we dat nog transponeren naar ons eigen leven, in die roerige moderniteit, die zo anders is als het seminomadische leven in de steppen met zijn semitheocratische leiderschap?
Worden wij nog met onze naam geroepen vanuit een binnenste? Worden wij nog met genegenheid vanuit een hoogte of een diepte gemaand om met hart en ziel te luisteren naar dringende boodschappen, die gehoord willen worden om ons richting te wijzen in ons leven?

Noot
(1) Sifra, Vayikra Dibbura d'Nedavah, Chapter 1:1`

Wajakhel-Pekoedee   Sjemot 35:1- 40:38
De misjkan als blauwdruk

De parasjot Wajakhel en Pekoedee – in de meeste kalenderjaren tezamen gelezen – beschrijven hoe en met welke materialen de misjkan (tabernakel) wordt gebouwd en op welke wijze, met welke materialen en op welke wijze bewerkt de attributen daarin worden samengevoegd en gemaakt, zoals de altaren, de ark, de menora, de tafel met de toonbroden, het wasbekken etc. In de parasjot Teroema en Ki tisa zijn al de uitgebreide instructies beschreven die Mosjee op de Sinaj had ontvangen, nu wordt in grotendeels gelijke bewoordingen in detail beschreven, dat ze ook zo worden uitgevoerd onder leiding van de prototypische kunstenaar en ambachtsman Betsalel.
Dat de uitgebreide beschrijvingen in Teroema en Ki tisa in de onderhavige parasjot weer in detail worden herhaald (alles bij elkaar wel een derde van Sjemot) berust volgens Umberto Cassuto op de narratieve gewoonte uit die periode in het Midden-Oosten om wanneer een voorbereiding uitgebreid is beschreven niet te volstaan met een ‘en zo gebeurde het'.(1)
Er gaat een literaire en bijna sacrale kracht uit van deze repetitieve opzet: wat door de Ene zo is gewild is ook precies zo uitgevoerd. De triomf van wat met deze geweldige inzet is bereikt wordt nog eens in een sterke en mooie stijl onderstreept . Wat begonnen is als een zwerftocht van een berooide massa van net vrijgelaten slaven vindt zijn bekroning in deze artistieke en ambachtelijke krachttoer.

De misjkan bestond uit een grote omheinde ruimte, de voorhof, met achterin de tent der samenkomst (ohel moëed ), die weer bestond uit twee ruimten, de achterste ruimte was het heilige der heilige waar de ark stond en de voorruimte bevatte de menora, de tafel met de toonbroden en het gouden reukaltaar. In de voorhof stond het koperen hoofdaltaar.
In de sfeer van de kabbala wordt de misjkan ook opgevat als een soort spirituele blauwdruk van de kosmos en de mens. In een uileg van Rabbenoe Bachya (2) kunnen we deze drie ruimten zien als vertegenwoordigend de drie onderdelen van het universum: de wereld van de engelen (het heilige der heilige), de wereld van de hemellichamen (de voorste ruimte van de tent) en onze wereld (de voorhof). Het bestaan op aarde is eveneens onderverdeeld in drie onderscheiden afdelingen, resp. de schepselen die kunnen communiceren, de planten en dieren en de onbezielde natuur. Ook in de mens zijn drie lagen te bekennen, Corresponderend met het heilige der heilige in de mens is het hoofd, dat via de hersenen de toegang tot wijsheid bezit; corresponderend met de voorste ruimte in de ohel moëed is het levengevende hart en corresponderend met de voorhof is het onderlichaam, waaruit het leven voortkomt en waarmee dus ook de dood is gegeven.

Wat mij aanspreekt is de indeling van de misjkan te zien als een schema van de staat van existentieel bewust zijn. De voorhof is dan de sfeer van ons dagelijks bewustzijn, met zijn beslommeringen van alle dag, van de grotere en kleinere interacties met de omgevende wereld, met zijn zorgen en zijn vreugden, zijn eindeloos gepieker en zijn creatieve invallen. In de voorruimte van de tent begint de inkeer, het diepere schouwen, het is de plaats van gebed en meditatie, waarbij de focus op het licht van de menora, de rijkdom van het brood en de geurige adem van het gouden reukaltaar kan helpen. Dan is de stap in de ruimte van het heilige der heilige soms gegund, het oord van een blij vermoeden, van alomvattende vergeving, van het verticaal reikend contact met de bron van het bestaan, welke naam je er ook wel of niet aan wil geven..

In de midrasj wordt de creatie van de misjkan wel gesteld naast de schepping van de wereld, zoals beschreven in Beresjiet/Genesis 1-2:3.(3). De gelijkenissen klinken soms geforceerd, - zo wordt de inzameling van het water in de zee in Beresjiet/Genesis 1:3 vergeleken met de vervaardiging van het wasbekken. Maar zeker frappant is de parallel van Sjemot/Exodus 39:43 met Beresjiet/Genesis 2:2-3. Sjemot 39:43 (vertaling Dasberg): ‘Mosjee overzag het gehele werk; ja, zij hadden het tot stand gebracht! Zoals de Eeuwige het Mosjee bevolen had, zo hadden ze het gedaan. Toen zegende Mosjee hen'. In gelijksoortige woorden wordt de voltooiing van de schrapping van het universum beschreven: Beresjiet/Genesis 2:2-3 (NBV) ‘Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte Hij van het werk dat hij gedaan had.  God zegende de zevende dag en verklaarde die ?heilig, want op die dag rustte Hij van heel zijn scheppingswerk'.
De zegen, die Mosjee uitsprak wordt uitgebreider beschreven in Bemidbar/Numeri 7:1: ‘Op de dag waarop ?M o zes? de laatste hand legde aan het opbouwen van de ?tabernakel, zalfde hij die, met alle toebehoren, en ook het ?altaar? en het altaargerei; zo heiligde hij alles'. 
Rasji ad locum verschaft ons de woorden, die de oude leider daarbij heeft gesproken; dat waren volgens deze bijbelcommentator de mooie woorden van psalm 90, pasoek 17 (HSV): ‘De lieflijkheid van de Eeuwige, onze God, zij over ons; bevestig het werk van onze handen over ons, ja, het werk van onze handen, bevestig dat.

noten

(1) Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Exodus, The Magness Press, Hebrew University, Jerusalem, 1998, p. 478
(2) Bv Daat Zkenim op Exodus 38:25:1
(3) Rabbenoe Bachya, parafrase van een citaat in Shney Luchot HaBrit, Terumah, Torah Ohr 34.op sefaria.org. Er zijn overigens twee Rabbeinu Bachya's in de geschiedenis: Rabbeinu Bachya Ibn Pakuda (11 e eeuw) en Rabbeinu Bachya ben Asher (14 e eeuw). Ik vermoed, dat de laatste hier is bedoeld.

Parasjat Ki Tisa Sjemot/Exodus 30:11-34:35

Een spoor

Alom bekend in deze parasja is het verhaal over de afvalligheid van een deel van het volk rond het gouden kalf. In de nasleep van deze traumatische gebeurtenis heeft Mosjee in een lang proces en met inzet van zijn eigen heil verzoening met de Ene zeker gesteld. Aangemoedigd door diens gunstige gestemdheid doet Mosjee een opmerkelijke stap. Hij vraagt hij om de goddelijke verschijning ( kewodècha ) te mogen zien (Sjemot/Exodus 33: 18).
Regelmatig heeft Mosjee de auditieve ervaring van de nabijheid van de Ene, die met zijn middelaar spreekt zoals iemand met zijn vriend spreekt' (Sjemot/Exodus 33:11). Maar nu vraagt Mosjee om een visuele ervaring van de essentie ( paniem ) van de Ene. Het zou hem een hart onder de riem steken als de Ene substantieel zichtbaar deel zou blijken uit te maken van de menselijke verschijningswereld. Hoe herkenbaar is dat: een zeker bewijs willen hebben van Gods bestaan. En de ogen zijn toch het meest zekerheid biedende zintuig. Misschien moeten we dit ‘willen zien' opvatten als: willen begrijpen van Zijn essentie.

Maar dat staat de Ene toch niet toe, ‘want geen mens kan Mij zien en in leven blijven'. Hij zal Mosjee op een rots zetten en aan hem voorbij gaan, maar het gezicht van Zijn vriend zal Hij bedekken. Dan volgt: ‘Als Ik dan Mijn handen wegneem, zal je zien wat achter Mij is. Maar Mijn aangezicht mag niet gezien worden' (Sjemot 33:23).

Een mysterieuze en intrigerende zin. In Zijn voorbijgaan is de Ene voor de zinnen afwezig – absolute kennis is niet mogelijk, mag je misschien zeggen - maar In wat achter Hem is, daar waar Hij voor altijd voorbij is, daar waar Hij niet meer is, daar is blijkbaar wel iets waar te nemen. Het is een paradox, die de poging dit met woorden te begrijpen hardnekkig uitdaagt. Dat ‘achter Mij' ( achoraj ), wat is daar dan te kennen?
Een vrome Talmoed Rabbijn zegt: Hij liet de knoop van de Tefillien op het achterhoofd zien (Berachot 7a). De middeleeuwse Rasjbam zegt: het gaat om Gods attributen. Over welke dat zijn (bijv. eenheid, almacht, wijsheid, compassie) is veel getheologiseerd. Een modern commentaar (1) zegt eenvoudig: ‘daden en acties die het bestaan en de aard van God openbaren'.

De Joodse filosoof Emmanuel Levinas ziet in deze raadselachtige zin een hoeksteen voor zijn filosofie. Levinas: ‘Hij toont zich alleen door zijn spoor, zoals in het boek van de Uittocht hoofdstuk 33' (2). Voor Levina is het begrip ‘spoor' een manier om de relatie tussen de onkenbare God en de wereld van de mens te benaderen. Waar deze filosoof zich ophoudt in het grensgebied van wat gedacht en gesproken kan worden, moet men mij ten goede houden als ik zijn behoedzame en eigenzinnige termen als volgt probeer samen te vatten. Dat ‘achter Mij' Mij' in Sjemot/Exodus 33:23 wil zeggen dat de Ene een spoor achterlaat. God als zelfstandig ervaarbare entiteit in de menselijke wereld afwezig. Hij is ‘voorbij gegaan'. Het spoor, dat Hij achterlaat wijst niet naar Hem, maar wel naar al de anderen. Zijn spoor verschuilt zich in het gelaat van de ander, het gelaat dat mijn zelfgenoegzame wereld doorbreekt en mij oproept tot een relatie van dienstbaarheid. Met deze eigenlijk onmogelijke samenvatting laat ik je achter, in de hoop dat een en ander je toch positief te denken geeft.

noten
1. The Torah, a modern commentary , editor W. Gunther Plaut , p. 601. Over deze ‘theofanie' zegt hij opmerkelijk genoeg verder niets.
2. Emmanuel Levinas, Het menselijk gelaat , (tweede deel: Filosofie van het menselijk gelaat), Ambo, 1969, 1987, p. 191.

RC 2017, bewerking uit Rob Cassuto . Reizen door de Tora Van het begin naar de berg: Genesis en Exodus , Mastix Press, 2016

Parasjat Tetsavee  Exodus/Sjemot 27:20 - 30:11
Sjabbat zachor, Amalek, Poeriem  en antizionisme

Vaak valt de parasja Tetsavee vlak voor Poeriem en er wordt dan gelezen uit een tweede sefer Tora. Het is 'sjabbat zachor', een van de vier speciale sjabbatot voor Pesach. Zachor (herinner!), omdat dan wordt opgeroepen niet te vergeten, dat er van de verraderlijke Amalekieten niets op aarde mag blijven herinneren. Gelezen wordt dan:
Deuteronomium: 25:17:   Vergeet niet wat de Amalekieten u hebben aangedaan tijdens uw tocht uit Egypte. 18  Toen u uitgehongerd en uitgeput was hebben ze gewetenloos, zonder enig ontzag voor God, de achterhoede overvallen, waar de zwaksten zich bevonden. 19  Vergeet het niet! En wanneer straks de Eeuwige , uw God, u vrede heeft gegeven in het land dat u als grondgebied van hem krijgt, door u te verlossen van de vijanden die u omringen, zorg er dan voor dat niets op aarde nog aan het volk van Amalek herinnert.  

De haftara (aanvullende profetenlezing) bij deze parasja is dan ook I Sjmoeël 15:2-34. De profeet Sjmoeël herinnert koning Sjaoel aan dit gebod en beveelt de koning oorlog te voeren tegen Amalek en alle Amalekieten inclusief hun vee om te brengen. Sjaoel voert deze order niet honderd procent uit en spaart na zijn overwinning op de Amalekieten hun koning Agag.   De profeet Sjmoeël is woedend. Radicaal en resoluut onthoofdt de spirituele leider de hem voorgeleide Agag.  
Zo komen we bij Poeriem. Er was toch nog een afstammeling van koning Agag overgebleven, die kans zag eeuwen later de Joden, die ooit uit het heilig land naar Babylonië weggevoerd en nu in het Perzenrijk levend, in het nauw te brengen, Dat was Haman, de grootvizier van de koning van Perzië, wiens snode genocidale plannen door Mordechai en Ester werden verijdeld; die uitredding wordt gevierd met Poeriem, het feest dat in deze tijd met veel vrolijkheid en lawaai wordt gevierd en in de toekomst gevierd zal worden, zelfs nog in de tijd, als de masjieach is gekomen.

In alle hilariteit van Poeriem beseffen we toch dat het hier gaat om verijdeling van de eerste poging – afgezien van die van de farao – de Joodse minderheid systematisch te elimineren. In mijn bewerking van het verhaal van Ester heb ik in de pleitrede van Haman bij de Perziche koning om de Joden uit te roeien passages van Luther, Hitler en Ahmedinejad ingevoegd, die daar naadloos passen.
Tegenwoordig is antisemitisme bepaald geen afnemend fenomeen. Actuele rapporten wijzen op alarmerende stijging, zoals het CFCA rapport over 2016 ..
Een relatief nieuwe manifestatie is antisemitisme, vemomd als antizionisme.
Nuttig is dan kennis te nemen van de voorbeelden daarvan uit de werkdefinitie van antisemitisme, zoal opgenomen op de website van het European Forum on Antisemitism :

het Joodse volk het recht op zelfbeschikking ontzeggen, bijvoorbeeld door te stellen dat het bestaan van de staat Israel een racistische onderneming is;

het meten met twee maten door van Israel gedrag te verlangen dat niet wordt verwacht of geëist van enig andere democratische staat;

het gebruiken van symbolen en beelden die verbonden zijn met klassiek antisemitisme (bv. beweren dat de Joden Jezus hebben vermoord, of het bloedsprookje) om Israel of Israëli's te typeren;

vergelijkingen trekken tussen het hedendaags Israëlische beleid en dat van de Nazi's;

Joden collectief verantwoordelijk houden voor de daden van de staat Israel. 

Echter, kritiek op Israel die vergelijkbaar is met kritiek tegen een ander land kan niet worden beschouwd als antisemitisch.

RC mrt 2017

Parasjat Teroema   Sjemot/Exodus 25 - 27:20
Een Grote Designer: de Menora  

Korte inhoud

In de parasja Teroema krijgt Mosjee opdracht om aan het volk te zeggen, dat het gaven ( teroema ) moet geven, allerlei kostbaarheden, ieder zoals zijn hart hem ingeeft. Van deze gaven zal een heiligdom gemaakt worden; verder wordt beschreven hoe de te vervaardigen heilige arke, ha-aron ha-kodesh , de rituele objecten en verder de tent der samenkomsten, de misjkan , eruit moeten gaan zien. Dit alles volgens de modellen zoals aan Mosjee op de berg getoond. In groot detail worden uiterlijk, soorten materialen en afmetingen bladzijden lang beschreven. Onder andere de tempelkandelaar of lampenstandaard, de menora.

De menora  

We lezen in de verzen 25 en verder, dat Mosjee de opdracht krijgt een lampenstandaard te doen maken van zuiver goud volgens de aan hem gegeven richtlijnen. De schacht moest zes zijarmen hebben: drie aan de ene kant en drie aan de andere kant, versierd met amandelbloesem, op elk van de zes armen en de schacht een aantal kelken en knoppen en bloemblaadjes. Zeven lampen moesten worden gemaakt om op de armen te zetten, de snuiters en bakjes moesten ook van zuiver goud zijn. De voet, de schacht, de kelken, knoppen en bloemen moesten uit één stuk worden gedreven.  
En zo werd het gemaakt door een bekwame kunstenaar, die met name genoemd wordt: Betsalel, het archetype van de Joodse kunstenaar. Zijn naam betekent ‘in de schaduw van God'. In Jeruzalem draagt de naar hem genoemde Betsalel kunstacademie zijn naam voort.  
Daarmee is een attribuut van grote schoonheid ontstaan. De lijnvoering van de stam en zijn armen is krachtig en bevredigt ergens diep een gevoel van harmonie. De uitwaaiering vanuit één fundament naar zeven eindpunten, die met licht bekroond worden, resoneert met een archetypisch beeld van groei en bloei naar het licht. Kennelijk is hier een Grote Designer aan het werk geweest.  

Spiritueel symbool

De overlevering wil, dat de kandelaar verwijst naar de zeven dagen van de week. Ook wordt van oudsher verteld, dat de zeven armen de zeven hemellichamen vertegenwoordigen, de zon, de maan, en de vijf planeten die in de oudheid bekend waren.  
En dan is er natuurlijk het licht van de lampen als verwijzing naar de goddelijke presentie. Even een kleine excursie in verband met de polariteit licht vs donker.  
De exoterische traditie stelt graag de dominantie van het divine licht centraal. Maar sommige Joodse mystici, kabbalisten, zien het krachtigste licht ontspringen uit de donkerte, waarin ongekende scheppende kracht wacht op transformatie. Zo wijzen ze op de dubbele betekenis van de naam Betsalel, de archetypische kunstenaar uit deze parasja, die de menora heeft vervaardigd. Betsalel kan zowel ‘In de schaduw van God' betekenen als ook ‘In de schaduw – in de donkerte – is God'. Het machtigst is het licht komt uit de duisternis, is hun overtuiging, zoals de ‘schitterende bloem met haar delicaat gekleurde blaadjes groeit uit donkere grond, gevoed door wormen, afval en verval. En zoals diamanten, die oorspronkelijk zwarte kool zijn, hun schoonheid danken aan intense druk' (1). Hier raken we aan de joodse esoterie, zo niet aan ketterse regionen, waar reguliere rabbijnen hun wenkbrauwen fronsen.  

De profeet Zecharja zag de menora in zijn droom (Zecharja 4:1–7). Zo beschrijft hij het: ‘De engel die met mij sprak, kwam terug en wekte mij zoals men iemand uit de slaap wekt. Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? Daarop antwoordde ik: Ik zie daar een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop; en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer. Hij antwoordde mij: dit is het woord van de Eeuwige : “niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest” zegt de Eeuwige van de heerscharen.'
En dat beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen is geworden tot een veel gebruikt meditatie object. Het wordt gecombineerd met de zin uit psalm 16 vers 8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', zeg maar een joodse mantra: Sjiviti Hasjem lenegdi tamied en zo wordt die afbeelding ook genoemd: een ‘Sjiviti', hij hangt als beeltenis in vele synagoges en het beeld wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor het tekenen en schilderen van meditatieve afbeeldingen en als object voor meditatie.  

Heilig attribuut en oorlogsbuit

Hoe verging het deze imposante tempelkandelaar met zijn pakkende zevenarmige vorm na zijn schepping verder? Vanaf zijn plaatsing in de tabernakel begon het heilige attribuut een grillige reis door de geschiedenis. In de tempel van Sjlomo haMelech kwam hij te staan en in de tweede tempel van Ezra en in de gerenoveerde tempel van Herodes, misschien niet steeds hetzelfde exemplaar, maar toch steeds in zijn rol als heilige lichtbrenger. Heel lang blijft hij onvermeld en onafgebeeld, tot hij opeens onmiskenbaar opduikt in de verhalen van geschiedschrijver Flavius Josephus over de Joodse oorlog in de eerste eeuw en op de triomfboog van keizer Titus, die hem na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem in 70 van de westerse jaartelling in triomf naar Rome heeft gebracht.   
Daar verbleef hij vermoedelijk in de tempel van de vrede. Tot de Vandalen in de vijfde eeuw Rome plunderden en hem meenamen, overzee naar Carthago. En wat er toen mee gebeurde is speculatie en zou stof kunnen geven voor spannende romans à la Dan Brown. Eén versie luidt dat het vandalenschip is gezonken en dat de originele menora ergens op de bodem van de Middellandse zee rust.  

Herleving als nationaal symbool  

Is het unieke fysieke exemplaar niet meer onder ons, wel is de menora al die eeuwen het symbool van het Jodendom geworden, tezamen met de davidsster, in het hebreeuws mageen dawied , wat betekent schild van David en inderdaad zegt de legende dat koning David die ster op zijn schild had staan.  
Had aanvankelijk de menora als symbool terrein verloren aan de davidster, nieuw leven kreeg zij als symbool van het in de negentiende eeuw herlevende zionisme. Het zogenaamde Joodse Legioen, dat in de eerste wereldoorlog met opmerkelijke dapperheid voor de Engelsen meevocht tegen het Ottomaanse rijk had de menora op zijn baret staan met daaronder het woord kadima , voorwaarts! Veel bekende zionisten telde dat legioen, waaronder de stichter Zeëv Jabotinsky en Ben Goerion, de eerste premier van Israel. Nu staat de menora in het wapen van de staat Israel en staat de Davidsster op de vlag.   En voor het Israëlische parlement, de Knesset, staat een reusachtige menora van steen met in reliëf allerlei verbeeldingen uit de lange Joodse geschiedenis.  

De vorm van de Menora wordt heel vaak gebruikt als model voor de Chanoekakandelaar. Deze heeft echter 8 lichten en een 'aansteeklicht'. Strikt genomen is de Chanoekakandelaar geen menora en hij kan en mag ook een heel andere vorm hebben, naar inzicht van de kunstenaar die hem ontwerpt.  

RC herzien 2017

Parasjat Misjpatiem   Sjemot/Exodus 21:1–24:18
Een plaveisel van saffier, helder stralend als de hemel zelf

Deze parasja wordt wel ‘het boek van het verbond' genoemd. Immers het grootste deel van de parasja bestaat uit allerlei belangrijke regels (Sjemot/Exodus 21-23), deels een uitwerking van de Tien Woorden. Achtereenvolgens komen aan de orde: regels betreffende slaven, kwetsuren en toebrenging van lichamelijk letsel, verantwoordelijkheid voor schade, diefstal, onrechtmatige begrazing en brandschade op het veld, regels rond bewaring, verleiding van maagden, goddeloze gewoonten, liefde voor en solidariteit met vreemdelingen, armen, weduwen en wezen, aanbod van eerstelingen, regels rond juist gedrag (m.n. inzake hulp aan de naaste, getuigenissen,  
omkoping), regels betreffende heilige tijd (joveeljaar, sjabbat, de drie pelgrimsfeesten).  
Na een brugstuk met waarschuwingen en beloften van de kant van de Eeuwige komt dan het ritueel van verbondssluiting in zijn verschillende fasen: de oprichting van een altaar en de twaalf stenen, voor ieder van de twaalf stammen een, het voorlezen van het verbondsboek, de ontmoeting van Mosjee, de zeventig oudsten van Israël, Aharon en zijn twee zonen Nadav en Avihoe met een goddelijke verschijning en een aansluitende sacrale maaltijd.

Die goddelijke verschijning is eigenlijk een mysterieuze en intrigerende passage. In hoofdstuk 24 pasoek 9, 10, lezen we (HSV: ‘Hierna ging Mozes de berg op, samen met Aharon, Nadav, Avihoe en zeventig oudsten van het volk, en zij zagen de God van Israël ‘ ( Elohee Jisrael staat er). ‘Onder zijn voeten was er iets als een plaveisel van saffier, helder stralend als de hemel zelf. ' Hebben d e Israëlitische oudsten daar werkelijk ‘de God van Israel' gezien?
Dat zou in tegenspraak lijken te zijn met Sjemot/Exodus 33:20, waarin de aanschouwing Gods niet levend kan plaatsvinden: ‘…want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.'

Oude wijzen hebben zich daarover het hoofd gebroken. Velen hebben aangenomen, dat er werkelijk een met dodelijk risico opgedane zichtervaring door de oudsten heeft plaatsgevonden. Ze hebben deze paradox opgelost door dit zien van ‘Elohiem' op te vatten als een staaltje van overmoed, zeg maar choetspa . Rasji concludeert bijvoorbeeld: 'Zij keken bewust en staarden met aandacht en maakten zich zo vatbaar voor de dood.' Die dood komt niet onmiddellijk, maar later, want zo zegt de 11 e -eeuwse wijze: ‘G-d wilde de vreugde van (het ontvangen van) de Tora niet verstoren (…) en wachtte daarom om Nadav en Avihoe pas te straffen op de dag dat de Tabernakel werd ingewijd. (Wajikra/Leviticus 10:1, waarin deze twee vanwege ‘vreemd vuur' door Gods bliksem werden getroffen). Wat betreft de oudsten (wachtte Hij) tot wat is beschreven in Numeri/Bemidbar 11:1: ‘Het volk begon de De Eeuwige zijn nood te klagen. Toen de Eeuwige dat hoorde ontstak hij in woede, en het vuur van de Eeuwige laaide op en verteerde de uiterste rand van het kamp', en die rand zou dan betekenen: ‘de leiders van het kamp' (1). Rambam (Maimonides) volgt in zijn eigen bewoording deze kritische toon in de uitleg van Rasji (2).
Ik vind het erg onbevredigend dit ‘zien van Elohee Jisrael' zo negatief op te vatten. Verder krijgt je sterk de indruk, dat het kloppend maken van het strakke paradigma van de Eeuwige als straffer en beloner voor de middeleeuwse meester Rasji belangrijker is dan het in overweging nemen van de mogelijkheid, dat het verhaal een werkelijk mystiek inzicht wil vertolken.
Overigens wordt geen enkele clue gegeven over het aanzicht van de Godheid. Wel geeft pasoek 10 een poëtische beschrijving van wat er onder Zijn voeten was: ‘ iets  als plaveisel van ?saffier, zo helder als de hemel zelf (k-maäseh livnat ha-sappir ). Rasji associeert dit plaveisel met het metselwerk van stenen uit de slaventijd van Egypte: ‘een herinnering aan de onderdrukking van Israël, want ze werden onderworpen aan het doen van metselwerk'. In meer mystieke richting gaat de uitleg, die deze gemetselde plaveiselstenen van helder saffier ziet als een stolling van Gods inleving (mee-beleving) in de geleden pijn van Israël, een pijn die, als hij gezien is, getransformeerd wordt naar verlossing en immense vreugde, als ware het een heldere en stralende hemel (3)

Martin Buber in zijn boek over Mosjee (4) tracht door te dringen tot de werkelijke ervaring van de zeventig oudsten; hij oppert dat hier niet de Ene werkelijk gezien is maar wel een overweldigende uitstraling – onder woorden gebracht als die hemels-heldere tegels of plaveiselstenen van saffier- die met de goddelijke presentie gelijkgesteld en als zodanig ervaren werd. Die ervaring is begrijpelijk als we beseffen door welke diepingrijpende ervaringen het volk is heen gegaan. En zonder twijfel is die de ervaring van straling ondersteund door de plechtige rituelen en offerplechtigheden die hadden plaatsgevonden te midden van de overweldigende natuur en onder bijzondere atmosferische omstandigheden. Het gaat om een mystieke ervaring zonder welke een religie een loos omhulsel blijft.
Ik denk, dat wij mensen – uitzonderingen daargelaten - im Gründe een onderstroom van verlangen hebben naar een transcendente ervaring, een sublieme ervaring van licht, een onthulling van alomvattend weten, dat ons klein individueel bestaantje te boven gaat. De atheïst annex rationalist heeft besloten dit verlangen radicaal te onderdrukken of te negeren, de agnost heeft besloten maar geen moeite te doen om dit verlangen te onderzoeken, de fundamentalistisch gelovige houdt te vroeg op dit verlangen te onderzoeken ten faveure van een staalvaste waarheid, de ‘vrije religieuze mens' – als ik het zo mag zeggen – omarmt dit verlangen als een essentieel bestanddeel van zijn mens zijn, onderzoekt het, twijfelt, wanhoopt, veert weer op, vuurt het aan en houdt hoofd en hart open voor wat hem daarin tegemoet kan komen.

Pasoek 24:11 bevat het slotakkoord van deze diepe collectieve en lotsbepalende ervaring, de slotmaaltijd: ‘Hij strekte Zijn hand niet uit naar de aanzienlijken van de Israëlieten. Nadat zij God gezien hadden, aten en dronken zij.'   Scherpslijpende rabbijnen zien hier een grove ongemanierdheid in van mannen, die op het spirituele pad nog veel te onervaren waren (5). Maar de passage wil m.i. alleen maar zeggen: ze behielden ondanks deze grootse grens-belevenis het leven, want een intense spirituele ervaring is niet zonder gevaren. Maar ook: de grootste mystieke beleving sluit de volstrekt aardse genieting niet uit en heiligt deze juist. Dat heeft het Joodse volk met vele andere gemeen: heiligheid en een goede maaltijd gaan vaak samen.

noten

(1) commentaar van Rashi op vers 24:10 (in navolging van Midrash Tanchuma Behaälotcha 16), uit het Engels vertaald van   www.chabad.org  
(2) Guide for the Perplexed, Part 1 5:3
(3) aldus een passage van Rav Simcha Zissel hierover, zoals geciteerd en uitgelegd door Rabbi Ira Stone in zijn boek over Mussa: Ira F. Stone, A Responsible Life: The Spiritual Path of Mussar , Aviv Press, 2006
(4) Martin Buber, Mozes, Servire, 1970, p.122 ev
(5) Zoals de opvolgers van Rasji in Akeidat Yitschak bij een beschrijving van de slechte invloed van alcohol op rechters en wetgevers: ' De Tora heeft kritiek op de oudsten, die terwijl ze een visoen van God hadden, intussen aten en (wijn) dronken. Ze worden beschreven als mensen, die hun broodje eten terwijl ze op audentie zijn bij de koning ( Exodus Rabbah 15 )

RC feb 2017

Parasjat Jitro  
Sjemot/Exodus. 18:1 – 20:23
Een goed advies 

De parasja Jitro begint met het bezoek van de schoonvader ( choten ) van Mosjé, en beschrijft daarna de eerste fasen van de wonderlijke gebeurtenissen op en rond de berg Sinaj, waaronder de uitroep van de Tien Woorden (tien geboden). (1)  

Het gedeelte over het bezoek van Jitro (Sjemot 18:1-27) valt op als een aparte story, die ingevlochten is vlak na de slag met de Amalekieten en vlak voor het grote gebeuren rond en op de heilige berg Sinaj. Volgens Rasji en andere oude rabbijnen (2) vond het bezoek van Jitro plaats nadat Mosjee de Tora had ontvangen en had gepresenteerd aan het volk. Immers in Bemidbar/Numeri 10:29, als de Israëlieten van de Sinaj na twee jaar verblijf aldaar op het punt staan weg te trekken, is Jitro – nu genoemd met zijn andere naam Chovav (3) – er nog, als Mosjee hem, zijn schoonvader,vraagt om te mee op te trekken (wat hij niet doet).
Umberto Cassuto beschrijft hoe de redacteur van de Tora waarschijnlijk – niet zozeer historisch of chronologisch gemotiveerd als wel compositorisch artistiek - het verhaal subtiel heeft geplaatst na de oorlog met de Amalekieten om te benadrukken, dat het naburige volk van de Kenieten, waartoe Jitro behoorde, Israel juist goed gezind was en als het ware in vrede verwelkomde als nieuwe natie in de kring der volken.(4)
De Midjanitische priester heeft gehoord van de uitredding van Israël, de wonderbaarlijke doortocht door de Rietzee en de overwinning op Amalek. Hij reist naar Mosjee en neemt Tsipora en de twee zonen van Mosjé met zich mee. Kennelijk had Mosjé deze drie leden van zijn gezin uit Egypte teruggezonden naar zijn schoonvader, uit veiligheid mogen we aannemen.(5) We horen hoe de twee zonen heten, Gersjom en Eliezer; verder spelen zij geen rol van betekenis in de komende geschiedenissen.

Wat opvalt is het respect, waarmee Jitro wordt ontvangen en de zorgzaamheid, waarmee hij zijn schoonzoon behandelt. De Tora neemt de tijd om het bezoek van Jitro uitgebreid te beschrijven, de aankomst, het vertellen van de uittochtverhalen met hun wonderlijke uitreddingen, de gezamenlijke plechtige maaltijd in de tent van Mosjee en het offer, dat Jitro brengt aan ‘ Elohiem ' – een in dit geval diplomatieke term, want de andere naam JHVH was nog te vreemd voor deze niet-Israelitische bezoeker.(5)
De liefde en zorgzaamheid van Jitro wordt vooral geïllustreerd, als de schoonvader de lange rijen van de Israëlieten ziet die wachten op hun beurt om voor Mosjee te verschijnen om hem om advies of oordeel te vragen over hun problemen of inzake hun zorgen voorspraak te doen bij de Eeuwige; van de ochtend tot de avond staan ze daar in de brandende zon. Dat kan zo niet duren. Tegelijk ziet hij hoe de schoonzoon vermoeid raakt en bijna bezwijkt onder de grote last, die op zijn schouders rust. De ervaren priester verstaat de kunst om niet alleen te kijken maar ook achter de verschijnselen te schouwen en hij komt met een oplossing voor wat hij met zijn heldere blik waarneemt. Hij adviseert Mosjé structuur en organisatie aan te brengen om zo zijn taken te verlichten; alleen de grote zaken moet hij behandelen, de kleinere moet hij overlaten (Sjemot 18:21-23 HSV): ‘Je moet ? leiders ? over duizend, ? leiders ? over honderd, ? leiders ? over vijftig en ? leiders ? over tien over hen aanstellen. Zij moeten altijd over dit volk oordelen. Maar laat het   zo   zijn dat zij elke grote zaak bij jou brengen, en zelf over elke kleine zaak oordelen. Maak het zo voor jezelf lichter en laat hen   die last samen   met je dragen'. Daarmee is zowel het volk gediend als de leider gespaard.
Het is een ervaringsfeit, dat wie een lastige taak moet volbrengen onder grote verantwoordelijkheid, maar alles alleen wil doen, een grote kans loopt te bezwijken onder de stress en een burn-out staat voor de deur. Jitro's advies klinkt nog door alle eeuwen heen tot de overbelaste leiders van nu: organiseren, structureren, taken verdelen, uitvoering delegeren.

Dat Jitro zich werkelijk bekeerd heeft tot de Joodse ‘Adonai' zou waarschijnlijk kunnen zijn als hij het geweldige spektakel op de berg Sinaj mede aanschouwd en gehoord heeft of in ieder geval de kersverse getuigenissen erover gehoord heeft.   Als Kenieten zijn de nakomelingen van Jitro en zijn clan herhaaldelijk vermeld in het boek Sjemoeel (Samuel). Zo werden ze in de genocidale oorlog van koning Sjaoel (Saul) tegen de Amalekieten gespaard omwille van Jitro's hulp aan Mosjee, hoewel ze in Sjaoels tijd als stam met de Amalekieten nauw verwant waren en te midden van hen woonden. Volgens Rasji vestigden Jitro's nakomelingen zich later in Israel ‘om Tora te leren'. (6) De ‘heidense' profeet Bilam voorspelde, dat ze weggevoerd zouden worden door de Assyriers (7); dat is misschien wel ook gebeurd en zo verdwenen ze in de geschiedenis.

noten
(1) In mijn commentaar op Jitro in mijn boek ‘Reizen door de Tora, Genesis en Exodua' (p.137 ev) ga ik in op de Tien Woorden
(2) Aldus ook Rasji en Mechilta de Rabbi Yishmael ad Sjemot 18:13
(3) Rasji ad Sjemot 18:2
(4) Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Exodus, The Magness Press, Hebrew University, Jerusalem, 1998, p.222
(5) Aldus ook Buber, Buber, Martin: Mozes, Servire, 1970, hfst 12
(6) 1 Koningen 14:6 en zie Rasji ad loc.
(7) Bemidbar/Numeri 24:21

Parasjat Besjalach
Sjemot/Exodus 13:16-18
De vleespotten van Egypte

In het begin van de parasja Besjalach is het allereerste Pesach net achter de rug en de Benee Jisraël doen hun eerste ervaringen op als onafhankelijk volk. De parasja beschrijft een aantal uiterst benarde situaties die gepaard gaan met wanhoop, klachten, protesten, bijna-rebellie.
De farao begint met zijn leger een levensbedreigende achtervolging. Als door een wonder geeft de Rietzee doortocht en ontsnapping aan de Egyptenaren. Reden voor grote vreugde en een een epische lofzang. Dan kwelt dagen lang de dorst; door de ingreep van Mosjee wordt met Gods hulp het gevonden bitter water bij Mara zoet. Daar krijgen de Israelieten hun eerste voorschriften gegeven plus de belofte, dat als ze die houden ze niet de plagen zullen ervaren, die de Egyptenaren over zich heen hadden gekregen.
Er volgt een kort oponthoud in de oase van Elim met twaalf waterbronnen – voor iedere stam één zegt de midrasj – en zeventig dadelpalmen. Dat moet voor korte tijd een enorme luxe zijn geweest.

Maar de weldadige rust blijft niet. De volksmassa gaat verder en een maand na de uittocht belanden de trekkers in de dorre woestijn van Sin. Het proviand van de uit Egypte meegenomen matzot is op en de honger slaat toe. Het volk jammert en klaagt bij zijn leiders, Mosjee en Aharon. ( Sjemot 16:3 HSV): ‘ De Israëlieten zeiden tegen hen: Och, waren wij maar   door de hand van de Eeuwige gestorven in het land Egypte, toen wij bij de vleespotten zaten en brood aten tot verzadiging toe! Want u hebt ons uitgeleid naar deze woestijn om heel deze ? gemeente ? van honger te laten sterven'.
Die omschrijving van hun nood is merkwaardig. Hebben we niet vernomen in het eerste hoofdstuk van Sjemot hoe zwaar de slaven het hadden? Viel het leven in Egypte toch wel mee en kregen ze toch wel voldoende te eten, zoals sommige midrasjiem opperen (1). Maar psychologisch is het waarschijnlijker, dat ze in hun door honger aangedreven fantasie het karige rantsoen, dat ze kregen opbliezen tot de verzadigende vleespotten en broden. Het slavenbestaan wordt geïdealiseerd. Ze hoefden zich in hun dwangarbeidersbestaan tenminste geen zorgen te maken over eten en drinken, dat kregen ze iedere dag wel in bepaalde mate van hun meesters en opzichters.

Maar nu zijn de meesters en opzichters verdwenen.
Bevrijd te zijn van de onderdrukkers moet de Israelieten toch wel een enorm gevoel van opluchting en vreugden hebben bezorgd. Dat komt vooral tot uiting in het lied van Mosjee na de doortocht door de rode zee en de reidans van de vrouwen onder leiding van Mirjam. Zoiets als opluchting, geluk of (tijdelijke) euforie kunnen we zelf ook nu ervaren als we ons ontdaan hebben van het knellende juk van onze eigen verslavingen aan overwerk, autoriteiten, drugs, bazen of andere negativiteit.
Maar over het algemeen is de Tora scheutiger met het beschrijven van situaties van deprivatie en tegenslag en stemmingen van onvrede, ongenoegen en rebellie. Tijden van crisis en wanhoop maken onlosmakelijk deel uit van de vrijheid. Terugval lijkt in oude patronen lijkt onvermijdelijk. Nadrukkelijk beschrijven de teksten in deze parasja die momenten van tegenslag, terugval en wanhoop,

We kunnen het verhaal van het slavenbestaan van Israel , de bevrijding daaruit en de wederwaardigheden in de woestijn zien als een metafoor voor de spirituele gang door het leven. Wie op zoek gaat naar vrijheid zal eerst bespeuren hoe hij of zijn vastzit in een slavenbestaan. Op die tocht kunnen vele beproevingen zich voordoen. Tegenslagen als ziekte, relatieproblemen, werkeloosheid, noem maar op, die ons in ons luxe leven in het westen van de laatste zeventig jaar psychisch diep kunnen treffen. (Om nog niet te spreken van oorlog, honger en verwoesting door natuurrampen). Wat was vroeger alles beter, is vaak de gedachte dan, ook al was het vaak een beperkt, oppervlakkig en routineus slavenbestaan.

Telkens test de weerbarstige werkelijkheid vrije mensen met perioden van nood en crisis. De beproevingen leren van tijd tot tijd, dat vrijheid niet betekent dat we zomaar alles zelf kunnen regelen en bepalen. Die situaties kunnen ons ertoe brengen om te erkennen, dat we onze vrijheid pas werkelijk kunnen genieten als we begrenzing aanvaarden en kunnen accepteren, dat we voorschriften nodig hebben, om persoonlijk en als samenleving te leven. Het proces vraagt ook telkens de erkenning, dat je het als mens het niet alleen kan en dat uiteindelijk de Allerhoogste voor- en tegenslag draagt met zijn aanwezigheid.

Maar laten we ook de momenten en perioden in het oog houden, waarin we blijdschap, ontspanning en genieting mogen ervaren, zoals de Israëlieten zich in de oase van Elim konden laven aan de bronnen en zich tegoed konden doen aan de dadels van de palmen, waaronder ze beschutting konden vinden, de oase, die ieder moment in ons leven kan opdoemen, wie weet als een voorproef van Gan Eden.

noten
(1) Bv Mechilta de Rabbi Yisrael, perek 16:3

feb 2017

Parasjat Bo Sjemot/Exodus 10:1-13:16
Het point of nu return

Tot het begin van de parasja Bo hebben zeven plagen Egypte geteisterd en steeds is de Farao bij zijn voornemen gebleven – ondanks in het geval van de latere plagen aanvankelijke aarzelingen - het volk van Israel niet te laten gaan uit het Egypteland, waar zij als slaven werden onderdrukt. Bij de eerste zes plagen heeft de heerser steeds zijn hart ( lev ) verhard. In het Hebreeuws staat er letterlijk zoiets als ‘zijn hart sterk gemaakt' (met de stam chazak , sterk) of ‘zijn hart zwaar gemaakt' ( met de stam chavod , zwaar). Maar na de zesde plaag, de zweren, staat er voor het eerst dat het de Eeuwige is, die het hart van Farao ‘sterk maakte'. Desondanks lijkt er een ommekeer plaats te vinden bij de Egyptische koning, hij bekent ( HSV 9:27): ‘Ik heb deze keer gezondigd. De Eeuwige is de Rechtvaardige. Ik daarentegen en mijn volk zijn de schuldigen.' Dat lijkt op de gewenste ommekeer, hoewel Mosjee sterke twijfels heeft over de waarachtigheid van dit statement (9:30). Inderdaad, als door tussenkomst van Mosjee de ramp van de zweren weer is opgehouden, gaat de Farao toch door met zondigen. Het volk mag toch niet gaan. Als de parasja Bo begint verklaart de Eeuwige aan Mosjee nu nogmaals, dat Hij het is die het hart van Farao heeft verhard ( hichwadti , ‘Ik heb zwaar gemaakt').
Deze actie van de Ene heeft zowel bij de oude rabbijnen als bij de niet-Joodse lezers een belangrijke vraag opgeroepen: kan de Egyptische vorst verantwoordelijk worden gehouden, als niet hijzelf, zoals de eerste vijf keer, zijn hart heeft verhard, maar als deze verharding het werk is van een hogere macht?
Het is een hoeksteen van het Joods gedachtegoed, dat de mens in principe een vrije wil heeft, hij kan kiezen tussen het goede en het kwade, en hij kan verantwoordelijk worden gehouden voor zijn daden, zoals met name Maimonides benadrukt in zijn Regels van Boete en Berouw (1). Maar hier, op het moment van het begin van de zevende plaag, lijkt de Farao geen keus te hebben, de mogelijkheid van een positieve reactie op de nu aan de orde zijnde catastrofe van de sprinkhanen is hem van Hogerhand ontnomen. Maimonides ziet dit probleem en gaat er uitgebreid op in. In zijn model van straf en verzoening redenerend komt de uitleg van de middeleeuwse geleerde erop neer, dat, de verkeerde daden zich zozeer kunnen opstapelen, dat zij de halsstarrigheid van de dader als het ware verabsoluteren. Ommekeer en boetedoening – die volgens de twaalfde-eeuwse meester overigens voor allen royaal steeds openstaat - onmogelijk maken. Wanneer de farao zo hardnekkig zoveel gelegenheden laat voorbijgaan om berouw te tonen en ommekeer ( tesjoeva ) te doen– vijf keer, vijf plagen lang had hij de kans – dan is de maat vol en de straf, die hij zo op zijn hals haalt, is als het ware de principiële afsluiting van de weg van ommekeer met als gevolg de onvermijdelijke ondergang.
De laatmiddeleeuwse geleerde Shelah (2) vat het bondig samen: ‘de Eeuwige waarschuwt iemand tot drie keer toe. Als iemand drie zulke waarschuwingen in de wind slaat en geen berouw toont, maakt God het hart van zo iemand ontoegankelijk voor gedachten van berouw om hem dan zijn verdiende loon uit te betalen'.
Als we het strakke paradigma van straf en beloning, dat Maimonides hanteert en vrij nauwkeurig uitwerkt, wat loslaten, ontdekken we daaronder toch wel een daarmee gerelateerde behoorlijk plausibele psychologische wet of taaie tendens: wie steeds de verkeerde keuzes maakt, maakt het zich steeds moeilijker om het stuur te wenden. Hoe langer op het verkeerde pad, hoe moeilijker om te keren. Hoe meer misdaden gepleegd, hoe onwaarschijnlijker, dat de misdader op zijn heilloze weg terugkeert. Is het nu zo, dat voor sommige ‘veelplegers' van zware vergrijpen een punt bereikt wordt dat ommekeer, boetedoening en verzoening (psychologisch, theologisch) onmogelijk wordt? Dat is een vraag die ik graag aan de lezers overlaat om te overdenken, bijvoorbeeld aan de hand van concrete gevallen. Kan een mens voorgoed en definitief verloren zijn? Zonder alles te willen psychologiseren komt de term psychopaat of hardnekkige narcist in mij op.
Ook op het gebied van maatschappij en samenleving is de vraag relevant. Kunnen in sommige samenlevingen gepleegd onrecht, leugen en bedrog en misdaden tegen de menselijkheid zich ophopen tot zulk een kritische massa, dat terugkeer op de rechte weg niet meer mogelijk is en dat alleen een catastrofe kan volgen, waarna pas na veel geweld, ontwrichting en slachtoffers de ruimte kan ontstaan voor een nieuw en beter samenleven. Omdat deze overdenking zich enigszins los van de waan van de dag wil houden en ook na langere tijd nog actueel laat ik het weer aan de lezer over om deze vraag aan concrete voorbeelden uit de vorige eeuw en ook in het heden te toetsen. Laten we alert blijven op hardnekkige ‘Egyptische' onderdrukkers in deze wereld.

noten

(1) Maimonides, Regels van Boete en Berouw, hfst VI.
(2) Isaiah Horowitz (1555 –1630), Shney Luchot HaBrit, Vaera, Torah Ohr 77, op sefaria.org

Jan 2017

Parasjat Sjemot   Sjemot/Exodus 1:1–6:1  
vreemdelingen  

Wanneer het boek Sjemot/Exodus begint springen we van de familiekroniek van Avraham, Jitschak, Jaäkov en Joseef opeens naar de geschiedenis van een volk, een ‘ am benee Jisrael' , zoals de bevreesde farao het betitelt (1:9). En die geschiedenis begint al meteen als de geschiedenis van een onderdrukte minderheid, van benarde vreemdelingen in een vreemd land.  
Historisch en archeologisch zijn er geen bewijzen te vinden voor het verblijf van de Israëlieten in Egypte. Sommige bijbelwetenschappers veronderstellen, dat er wellicht ooit een vrijheidstrijd van Israelieten in het land Kenaän werd gevoerd in de tijd dat Egypte als machtig imperium Kenaän en een groot deel van Klein-Azië omvatte (1), een strijd die aanleiding gaf tot een lang episch gedicht, dat later is omgezet in de verhalen van Sjemot/Exodus. (2)
Maar ook is het mogelijk, dat de bevrijding en de uittocht van een groep voormalige slaven uit Egypteland een zo betrekkelijk kleine gebeurtenis was in het imperium, dat het boekstaving in de annalen niet haalde.

Los daarvan is het verhaal van de ontworsteling aan de Egyptische overheersers en de tocht naar de bevrijding de kern geworden van de identiteit van het Joodse volk, een bepalend narratief en een onmisbaar bestanddeel van het Joods bewustzijn. Zo is het van epos of sage toch geschiedenis geworden, een geschiedenis die zoals gezegd begint met vreemdelingen in een vreemd land.  

De nakomelingen van Avraham worden ook aangeduid als Hebreeën , ‘ Ivriem ' , in Sjemot/Exodus voor het eerst bij de episode van de vroedvrouwen(1:15). De populaire etymologie verbindt dit woord met het werkwoord ‘ avar ', voorbijgaan, overtrekken (van een rivier), en ‘ ivri ' zou dan betekenen, ‘hij die (de rivier) overtrekt', zoals Avraham op zijn weg naar Kenaän de rivier is overgetrokken en een Ivri - ‘een overganger' - wordt genoemd.  
Umberto Cassuto (in zijn Commentary on the book of Exodus) (3 legt ) echter het verband met een andere woordstam die ook in het Akkadisch en in Egyptische documenten wordt teruggevonden en die de betekenis heeft van vreemdeling in een vreemd land die slavenarbeid verricht. Het is hem opgevallen, dat de term   Ivri(em)   vooral in de Tora gebruikt wordt in de context van vreemdelingschap of nieuwkomer in een vreemd land. Voor de vrije Israëlieten wordt de term   Benee Jisrael   gebruikt.  

Al in Sjemot/Esodus lijkt er een script te worden neergelegd voor een geschiedeniscyclus van onderdrukking die vrijheid najaagt, van de balling die verlangt naar zijn land van herkomst, van de vreemdeling die ver verwijderd is van zijn thuisland, een scenario dat zich in alle verdere eeuwen steeds weer opnieuw zal afspelen.   Voor de Joden is het besef vreemdeling te zijn vertrouwd geworden. Eenmaal uit Egypte ontkomen herinnert de Tora herhaaldelijk aan dit vreemdelingschap, bijv. in Wajikra/Leviticus 19:33,34: ‘Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte'. En als de Israëlieten in de eeuwen dat ze woonden in het land dat hun beloofd was de eerstelingen van de oogst aan de Tempel aanboden , deden ze dat met de woorden (Devariem/Deuteronomium 26:5): ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol
mensen etc. ', een zin die nog steeds deel uitmaakt van de Hagada, het tekstboek dat ieder jaar wordt doorgewerkt tijdens de seider (de Pesach= maaltijd).
Hoeveel eeuwen diaspora ( galoet ) zijn daarna nog gevolgd met vreemdelingschap in bijna alle landen van deze wereld. Ik denk, dat je mag stellen, dat de meeste Joden, oo k als ze al vele jaren in het land wonen, ergens binnenin een plek hebben, waar ze nog voeling hebben met het vreemdeling zijn.
De Joden zijn daarin exemplarisch voor de menselijke conditie in meerdere opzichten.
Exempl arisch als belichaming van het vreemdelingschap, dat ieder mens potentieel kan overkomen, als de politieke of economische omstandigheden hem hebben gedwongen huis en haard te verlaten om zijn toevlucht te zoeken in een ander land. De Joden zijn de universele vreemdelingen, zou je kunnen zeggen. Ze zijn als archetypische minderheid gemakkelijk de prooi geweest voor projectie van economische, psychologische en spirituele frustraties van de autochtone populatie. En ze zijn op mogelijke ontwikkelingen in die richting altijd alert. Ook nu nog als ze als Israeli's weer in een herboren natiestaat wonen.
Maar in nog andere zin verwijzen ze naar het existentiële vreemdelingschap van ieder mens. Want zijn we deep down niet allemaal – Joden en niet-Joden – vreemdelingen op deze aardbol, geworpen – zeggen de existentialisten – , gezonden – zeggen de meeste religies – in het bestaan. waarin je de bestemming zelf moet ‘ontwerpen' – zeggen de existentialisten – of waarvan je de in de kiem meegegeven bestemming moet ontdekken – zeggen de meergelovigen, dit alles op een reis die naarmate je ouder wordt maar een korte tijd in beslag lijkt te nemen.

noten
(1) Zie hierover The Torah, a modern commentary , editor W. Gunther Plaut, Union for Reform Judaism, New York, 2005; een herziene uitgave van 1981, p.327-328

(2) De hypthese van een epos voorafgaand aan Sjemot is het uitgangspunt van Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Exodus, The Magness Press, Hebrew University, Jeruzalem, 1998, p.2

(3) Cassuto, op cit , p. 13 ev

RC jan 2017

Parasjat Wajechi       Beresjiet/ Genesis 47:28-50:26
Woede   

In deze laatste parasja van Beresjiet/Genesis ligt Jaäkov op zijn sterfbed. Hij roept zijn zonen bij elkaar om hen te vertellen, wat in ‘ latere dagen zal gebeuren' . Meer dan voorspellingen lijken het karakterschetsen, die de door het leven getekende oude vader van zijn weerbarstige zonen geeft in een stroom van in koortsdroom voortijlende poëtische beelden.   H ij houdt de zonen als het ware een spiegel voor, een confrontatie in soms lovende, soms snijdende bewoordingen. Met name Sjimon en Levi krijgen het flink voor hun kiezen.
(HSV 49:5-7)     Sjimon en Levi zijn broers,  
hun wapens zijn werktuigen van geweld.  
Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,  
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen; 
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;  
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden. 
Vervloekt zij hun woede, want die is hevig, 
en hun verbolgenheid, want die is hard.  
Ik zal hen verdelen over Jaäkov 
en hen verspreiden in Israël     .   

Uit deze krachtige statements blijkt, hoe Jaäkov op zijn oude dag nog allerminst is vergeten, hoe destijds onder leiding van Sjimon en Levi de inwoners van Sjechem (Sichem) zijn misleid en afgeslacht. (Beresjiet/Genesis 34) Niet alleen hebben zij daardoor het leven van hun familie in de waagschaal gesteld en blootgesteld aan de wraak van de omwonende volken, zij hebben daardoor ook de reputatie van de Eeuwige beschadigd. Ook al is hun zuster Dina door de prins van Siechem verkracht geweest – dit riep om wraak, zo verdedigden de broeders zich tegenover hun vader - , dit kan deze meedogenloze gewelddaden niet rechtvaardigen. Op zijn sterfbed vervloekt de oude vader dit nietsontziende fanatisme; ‘ hij zal hen (dwz de stammen van Sjimon en Levi) verdelen over Jaäkov (d.i. de andere stammen) en hen verstrooien in Israël' .

Inderdaad schijnt in de loop van geschiedenis van de twaalf stammen in het land Kenaän de stam van Sjimon betrekkelijk gauw verdwenen te zijn, opgegaan in de stam van Juda.
De middeleeuwse meester Rabbi David Kimchi (Radak) brengt dit in zijn commentaar op deze passage in verband met de 24.000 mannelijke slachtoffers die het gevolg waren van de verboden seksuele gemeenschap van de Sjimonitische prins Zimri met de Midjanitische prinses (1). De weduwen uit de stam van Sjimon werden verdeeld over de andere stammen, waar zij bedelend rondgingen, zo vermeldt Radak . Een andere lezing - vermeld door Rasji ad loc - vermeldt dat de Sjimonieten arme schrijvers werden, die de voor hun brood het hele land moesten rondreizen. Hoe het ook zij, wat we hier gedemonstreerd zien is hoe van fanatisme en extremisme over lange perioden hun negatieve doorwerking hebben,
De afstammelingen van Levi, de Levieten, kwamen er beter af. Dat zij zulke vrome dienaren van de heilige ark en de tempel zouden worden is uit Jaäkovs woorden niet af te leiden.   Maar ook hun lot was toch ook niet te benijden, zegt Rasji; weliswaar hadden ze recht op tienden van de oogst,maar daarvoor moesten ook zij het hele land rondreizen, van dorsvloer tot dorsvloer. Zo werden ook zij verstrooid.

Een meer morele draai aan deze voorspelling van Jaäkov geeft de laatmiddeleeuwse Isaac ben Arama (2): De fanatieke woede van de twee broers is zeker te laken, maar in gedoseerde hoeveelheid stimuleert de eigenschap van woede ( af ) de mensen om hen uit apathie te wekken en te brengen tot noodzakelijke actie. Daarom had het zin om de passies van Sjimon en Levi te als het ware te ‘verdunnen' door deze stammen te verspreiden over heel het volk van Israel. We naderen hier de inzichten van de Mussar om in alle karaktereigenschappen de extremen te vermijden en het uitgebalanceerde midden te zoeken.

noten

(1) Bemidbar/Numeri 25:4 ev. Zie ook Talmoed Sanhedrin 82a en b en mijn commentaar op de parasja Pinchas
(2) in zijn Akedat Jitschak, gate 33, waarin hij refereert aan de Ethica van Aristoteles, die op vele middeleeuwse rabbijnen – ook Maimonides – veel invloed had

Parasjat Wajigasj  Beresjiet/Genesis 44:18 - 47:27.  
Voorzienigheid  

Als Joseef na de emotionele pletrede van Juda de overtuiging heeft gekregen, dat zijn broeders werkelijk ten goede zijn veranderd, kan hij zich bekend maken als de broer, die zij ooit verkocht hebben aan de karavaan van de Midjanieten. De broeders zijn eerst verbijsterd en bang, maar de onderkoning Joseef stapt als het ware van zijn troon af en laat de geschrokken schare dichtbij hem komen. Hij bezweert hen niet bang of boos te zijn. Niet met zoveel woorden vergeeft hij de mannen hun schuld – maak jezelf niet langer verwijten, zegt hij – en hij plaatst de hele keten van gebeurtenissen, die hebben geleid tot de hoge en machtige positie die hij nu heeft in een ander perspectief, dat van de Goddelijke voorzienigheid:  
Beresjiet Genesis 45: 7 (NBV) ‘God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie voortbestaan op aarde veilig te stellen; zo wilde hij veel levens redden'. 

Die Goddelijke voorzienigheid is in de laatste eeuwen van verlichtingsdenken en moderniteit nogal in discussie gekomen, zo niet door de meeste moderne denkers als idee verlaten.  
In de 18e eeuw deden de vaak nog christelijk georiënteerde filosofen een poging om het beeld van een God die een goede wereld heeft geschapen en een voortreffelijk plan heeft uitgestippeld te verenigen met enerzijds de onloochenbare feiten van de natuurrampen en het morele kwaad en anderzijds met de steeds verfijndere concrete wetenschappelijke feiten van een wereld die voor de verklaring van de verschijnselen geen God nodig heeft. In veel van hun redeneringen werd het kwaad gezien als een door God ingestelde onvermijdelijke omweg naar de uiteindelijke goede eindbestemming. (1)
Later werden door moderne filosofen en wetenschappers deze soort pogingen geheel gestaakt en gingen vele (existentialistische) denkers de menselijke positie zien als eenzaam in de kosmos en opgezadeld met de uitdaging het beste ervan te maken. Hij moet zijn eigen levensontwerp maken, enige vooraf gegeven zin is in de schepping niet ingebouwd. Moedig en opstandig bepaalt hij zijn eigen lot.   Sterk wordt de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid voor het eigen leven en de vrijheid om vorm te geven aan dat leven, dat in grote mate maakbaar is.
In die sfeer kan Joseef gezien worden als een schoolvoorbeeld van iemand die er het beste van heeft gemaakt. Hij heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn lot. Hij had een helder verstand, een prima intuïtie, een vermogen om te schouwen en dromen in hun essentie te begrijpen. Die gaven heeft hij uitstekend gebruikt. De misdaad die zijn broers aan hem gepleegd hadden heeft hem uitgedaagd zijn talenten tot het uiterste uit te buiten. De hele reeks gebeurtenissen rond Joseef kunnen prima geduid worden als bepaald door de acties van een man, die verantwoordelijkheid neemt, zelfvertrouwen heeft en vastbesloten is. Zò is hij opgeklommen uit het dal naar de top, misschien een beetje geholpen door gelukkig toeval.   Waar is er die superviserende Voorzienigheid voor nodig?  

En bovendien: een Goddelijke voorzienigheid, die misdaden nodig heeft om zijn voorziene doelen te bereiken, is die wel te verdedigen? Het is opvallend hoe vaak de aanvankelijke menselijke verkeerdheden, dwalingen, vooruit: zeggen we ‘zonden', de geschiedenis juist essentieel vooruit hebben helpen duwen. Met het eten van de boom der kennis begint de geschiedenis van de mensen; de jaloersheid van zijn broers brengen Joseef - en uiteindelijk de Israëlieten – in Egypte; de zonde van Juda met Tamar brengt het nageslacht voort dat zal leiden tot koning David en diens zonde met Batsjeva en de moord op haar man brengen de grootste koning van Israel voort, Sjlomo ha-melech, koning Salomo.   ‘Overtredingen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israel; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit om het fortuin van zijn uitverkoren volk te bevorderen'. (2)
Het blijft een lastige kwestie. Hoe het ook zij, Joseef zelf had de ervaring, dat hij instrument was van een Goddelijke hand. Had hij dat verkeerd? Hoe kunnen we dat in ons hedendaags denken rijmen?
Mijn indruk is, dat in het beste van het Joods gedachtegoed de paradox geduld kan worden, dat er als het ware twee bestaanswijzen naast elkaar kunnen bestaan, twee lagen van bewustzijn, waarin de wereld en het menselijk bestaan gepercipieerd en onderzocht kan worden.  (3)
De eerste laag is de laag van het contingente en concrete gebeuren in de wereld, waarin de mens tot op grote hoogte de vrije wil ervaart om binnen gegeven voorwaarden beslissingen te nemen en zijn leven en omgeving vorm te geven. Het is goed te doen om in deze laag te leven zonder idee van voorzienigheid; er is geen vooraf ingebouwde voorzienigheid of zin.   De wetenschap is de meest rationele uitbouw van deze bestaanswijze.
De met hoe dan ook met enige reflectie (misschien mogen we zeggen met religiositeit in de meest ruime zin) behepte mens is daar toch niet tevreden mee. Hij vermoedt een tweede laag, een hogere of diepere laag, die zich stelt boven (of onder) alle contingente fenomenen en menselijke onderscheidingen zoals bijv. goed en kwaad, een laag waarin iets gewaar of vermoed kan worden omtrent onder- of bovenliggende richting, sturing, bestemming.   Wat je als mens kan doen is je daarvoor trachten open te stellen en proberen te zien of te luisteren naar wat de weg is die hem wordt aangeboden vanuit een volstrekt andere dan de vertrouwde dimensies.
In die termen is de kwaliteit van Joseef geweest om in de nood van het moment open te staan voor die diepere/hogere laag en voor de tekenen, die de noodzakelijke richting aangaven; wie weet geeft een dergelijke openstelling voor die andere dimensie (God zo je wilt, maar je mag het ook ongenoemd laten) de gelegenheid zich te openbaren met de noodzakelijke weg die te gaan is. Dat inzicht over hoe dat bij hem het geval was moet bij Joseef ten volle ingedaald zijn, toen hij zijn broeders na ruim twintig jaar weer voor zich zag.  (4)

Een mooie passage uit de Talmoed ()breng ik hiermee in verband;
‘Als een mens begint te zondigen worden de deuren voor hem wijd geopend, maar als hij zich wil zuiveren wordt hij geholpen. In de school van Rabbi Ishmael leerde men: het is als de verkoper van olie en balsem. Als de koper (gewone) olie komt kopen zegt de winkelier: hier is de maatkan, meet het zelf maar af. Maar als de koper balsem komt kopen zegt de winkelier: wacht, ik meet je balsem samen met jou af, zodat we beiden van de geur genieten.' (5)
Dat spreekt aan: God als de winkelier, die als voor de foute weg kiest jou niet tegenhoudt, maar als je de goede weg kiest een handje helpt.   Voor de seculiere lezer: als je voor de foute weg kiest houdt niets je tegen; maar als je voor de goede weg kiest krijg je een duwtje vanuit de kosmos mee.  
Overigens kwam ik ook de uitlegging tegen, dat als de klant iets duurs kiest - zoals balsem - de winkelier onder het voorwendsel dat hij wil meegenieten (om zijn wantrouwen te maskeren) er beter met zijn neus op kan staan om erop toe te zien, dat hij niet benadeeld wordt; dat is de cynische uitleg, die ik niet deel, zo multi-interpretabel kan het vaak zijn…

(1) Een overzicht in Susan Neiman, Evil in modern thought , Princeton University Press, 2002
(2) Citaat uit David Biale's boek, Eros and the Jews, Basic Books, Harper Collins, 1992
(3) Verwante opvatting kwam ik tegen in Andreas Burnier, Ruiter in de Wolken, uitgeverij Augustus, 1955, p. 275 ev
(4) Van de Oude Wijzen vindt ik merkwaardig weinig uitspraken over de betreffende passage. Als ik Maimonides goed begrijp, zegt deze middeleeuwse meester zoiets als: God heeft alles geschapen, de natuurwetten, de driften en de menselijke vrije wil, en de gebeurtenissen zijn dus een samenspel van deze drie door God geschapen oorzaken, dus dan kan je ook zeggen, dat God Joseef heeft vooruit gezonden. Moses Maimonides, Guide for the Perplexed , Part 2 48:2
(5) Reesj Lakiesj (plm 200) in het Talmoedtractaat Joma 39a

Parasjat Mikeets
 
Beresjiet/Genesis 41-44:18  
Over de menora

Deze week is het de week van Chanoeka. De parasja Mikeets (1) valt tegen het eind van de week en omvat de sjabbat Chanoeka. Na de Toralezing komt altijd de lezing uit de Profeten ( Neviïem ) en in dit geval is dat een stuk uit de profeet Zecharja (Zacharia) 2:14-4:7.

In deze passages is het thema van Chanoeka sterk aanwezig in het daar beschreven visioen, dat de profeet had van de gouden zevenarmige gouden Menora omgeven door twee olijfbomen (2). 
Het was een spannende tijd (6 e eeuw voor de gewone jaartelling) van overgang van vele ballingen vanuit Babylonie terug naar Jeroesjalajiem en de tweede tempel stond op het punt herbouwd te worden onder leiding van de gouverneur Zeroebavel, mede dank zij de royale giften en protectie van de Perzische koning Darius.

Zo beschrijft de profeet Zacharja de menora in zijn droom (4:1 – 7) : (NBG)‘een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop; en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer. Hij antwoordde mij: Dit is het woord van de Eeuwige : niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest ( be-roechi )! zegt de Eeuwige van de heerscharen.'

Die laatste regel niet door ‘kracht noch geweld' is waarschijnlijk duidelijker vertaald met ‘niet door militaire kracht ( chajiel ) noch door fysieke kracht ( koach )' (3). Rasji annoteert bij deze regel in de historische sfeer, dat het visioen van de menora een ‘hart onder de riem' van de ondernemende Zeroebavel betekende en dat de Geest van de Eeuwige sloeg op de royale schenkingen, die hij Darius deed geven.

Wijder gezien zie ik een markant en inspirerend contrast tussen deze regels en de herinwijding van de tweede tempel. De tweede tempel is gebouwd en ingewijd in vreedzame omstandigheden, niet tot stand gekomen met militaire macht, maar dank zij de Geest.
De herinwijding – de chanoeka – is mogelijk gemaakt en tot stand gekomen door een wrede oorlog (van de Makkabeen) na veel wapengeweld en veel slachtoffers.
Die eerste inwijding maakt de indruk een superieure methode te zijn. Militair geweld kan misschien de onontkoombare enige optie zijn maar oplossingen die geïnspireerd zijn door de Geest – van verstand, vertrouwen, compassie, vastberadenheid, generositeit (zoals dat wellicht bij Darius het geval was) - verdienen toch verre de voorkeur, laten we dat toch nooit uit het oog verliezen.
Telkens worden de wereldleiders verlokt tot de greep naar militaire oplossingen en eenmaal gemaakt is de geweldspiraal bijna niet meer terug te draaien. Leiderschap ‘vanuit de Geest' is zo zeldzaam en zo broodnodig ook in deze tegenwoordige wereld.

Dat spanningsveld van militaire macht en geweld enerzijds en vertrouwen op de geest anderzijds wordt weerspiegeld in de geschiedenis van de menora als zowel politiek als spiritueel symbool.
De menora kreeg nieuw leven als symbool van het in de negentiende eeuw herlevende zionisme. Het zogenaamde Joodse legioen, dat in de eerste wereldoorlog voor de Engelsen met opmerkelijke dapperheid meevocht tegen het Ottomaanse rijk, had de menora op zijn baret staan met daaronder het woord kadima , voorwaarts! Veel later bekend geworden zionisten telde dat legioen, waarvan de bekendste Ben Goerion is, de eerste premier van Israel. Nu staat de menora in het wapen van de staat Israel en als sculptuur voor het Israëlisch parlement, de Knesset.
Aldus is de menora het symbool geworden voor een democratische staat. Dat het ook vatbaar is voor usurpatie door rechts-messianistische kringen is een heel onwenselijke tendens. (4)

Zecharja's beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen, is ook geworden tot een veel gebruikt meditatie object. Het wordt gecombineerd met de zin uit psalm 16 vers 8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', dat we gerust een joodse mantra mogen noemen: Sjiviti Hasjem lenegdi tamied en zo wordt die afbeelding van de menora met de twee olijfbomen ook genoemd: een ‘Sjiviti', hij hangt als beeltenis in vele synagogen en het beeld wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor het tekenen en schilderen van meditatieve afbeeldingen en als object voor meditatie. 

Chanoeka sameach en een jaar met veel kracht, vrede en geest, koach , sjalom we-roeach

Noten
(1) Voor een commentaar op de parasja Mikeets zie o.a. mijn commentaren in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1, van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus, p.88 ev
(2) die de hogepriester Jehosjoea en de politieke leider Zeroebavel representeren. 
Zie ook Ezra 6 en 7
(2) Zo ook op chabad.org
(4) Nu net nam ik kennis van het verschijnen van een boek The Menorah: From the Bible to Modern Israel door Steven Fine, die hiervoor waarschuwt

Parasjat Wajesjev
  Beresjiet/Genesis 37:1-40:23
Boze broers

In deze en de volgende parasjot Mikets, Wajigasj en Wajechi volgen we Jaäkov en zijn zonen tot hun aankomst en vestiging in Egypte. Centraal staat de figuur van Joseef. De geschiedenis speelt zich om hém af, vanaf zijn jongelingschap, als hij – lieveling van zijn vader – door jaloerse broeders als slaaf wordt verkocht tot zijn opklimmen tot Egyptische onderkoning, die zijn door hongersnood geteisterde vader en broers in het rijke Egypte een woonplaats biedt, waarna na zijn dood het voorspel tot de Exodus een aanvang neemt.
We focussen op het begin van de parasja en zien daar een iconisch fenomeen zich afspelen: ( Beresjiet/Genesis 37:3-4 HSV) ‘ Israël  (dat is dus Jaäkov) had   Jozef   meer lief dan al zijn   andere   zonen, want hij was voor hem een zoon van zijn ouderdom. Ook liet hij een veelkleurig gewaad voor hem maken.  Toen zijn broers zagen dat hun vader hem meer liefhad dan al zijn broers, haatten zij hem en konden niet vriendelijk     tot hem spreken'.
De jaloerse broers die de hele dag in hun eenvoudige plunje het zware werk doen, voelen zich ongeliefd als ze hun jongste broer zien rondlopen met zijn veelkleurige mantel, het bewijs van opperste vaderliefde, de knaap die hen ook nog eens als een soort werkmeester controleert en allerlei praatjes over hen aan hun vader overbrengt over wat ze allemaal niet goed zouden doen. (37:2) Als toppunt vertelt dat arrogante mannetje ook nog eens over dromen die hij heeft over hoe hij de baas wordt van de hele familie, broers incluis.(37:5 ev.)

Het is een verhaal over jaloersheid en haat. Het is eigenlijk heel invoelbaar, dat de broers deze haat hebben. Het is nooit goed als de vader één van zijn zonen voortrekt door bijvoorbeeld hem zo'n mooie mantel te geven, daar begint het proces van opklimmend ongenoegen mee. (1)
Lange tijd gedogen de broers de situatie, maar ‘ze konden niet met hem spreken in vrede', staat er letterlijk , lo jochloe dabro le-sjalom . Rasji annoteert (2 )zoiets als: het is niet goed, dat ze dat deden, maar je moet toegeven, dat ze met hun mond niet iets anders zeiden dan ze in hun hart voelden .
Ze hebben van hun hart geen moordkuil gemaakt. Ze potten hun gevoelens niet op, maar gaven er lucht aan.
Wat deden ze dan wel? Hebben de broers Joseef met reden terechtgewezen, geconfronteerd met zijn arrogantie? (3) Of hebben ze hem gewoon bespot, belachelijk gemaakt, gepest, uitgemaakt voor alles wat lelijk was, uitgescholden. Misschien moeten we denken aan al die moderne boze burgers – vergeef me de generalisatie - , die de'elite' met scheve ogen aankijken, die bevoorrechte klasse met haar mooie huizen, baantjes en auto's en die met veel mooie woorden zegt het beste voor te hebben met de gewone mensen. Tegenwoordig pot ook de meute ze zijn ongenoegen niet op en storten boze burgers hun ressentiment uit op de moderne digitale media, net as Joseefs broers kunnen ‘ze niet spreken in vrede'.
Hoe het ook zij, met beide partijen kon het op den duur niet goed gaan.
Joseef heeft, nog jong als hij was en naïef, de boosheid en de haat van zijn broers genegeerd of misschien niet eens goed tot zich laten doordringen.
De broers konden geen goede oplossing voor hun haatgevoelens vinden. Toen de jongeman hen in het afgelegen grasland kwam opzoeken, met weer die prachtige kaftan aan, om hen weer eens te inspecteren ontlaadde de haat zich en besloten ze hem te doden. Uiteindelijk doodden ze hemniet en – een idee van Jehoeda – verkopen ze hem als slaaf aan een passerende handelskaravaan op weg naar Egypte .
Wat zou er gebeurd zijn als Joseef gevoeliger was geweest voor de boosheid van zijn broers. Wat zou er gebeurd zijn, als de broers meer begrip hadden gehad voor de jeugdige overmoed van de puber Joseef en meer compassie voor Jaäkov en zijn speciale gevoelens voor de zoon van zijn zozeer gemiste overleden Rachel?
We zullen het niet weten, net zomin als wij in de toekomst kunnen kijken van onze wereld, die nu zo in de greep raakt van het opgestapelde ressentiment van groepen van boze en ontevreden burgers.

Wat we wel uit de komende parasjot in de Tora weten is, dat ongeweten de broers toen met de verkoop van Joseef als slaaf naar Egypte hun redding uit de ooit komende hongersnood vooruit hebben gezonden. Maar de prijs was hoog. En dat de geschiedenis niet lineair verloopt en volgens ethische paden maken deze verhalen maar al te zeer duidelijk

noten

(1)Beresjiet Rabba 84:9: Resh Lakish, in de naam van R Elazar ben Azaria zei : je moet een van je zonen niet anders behandelen , want om de ketonet passim (het kleurig gewaad) dat Jaäkov voor Joseef maakte haatten ze hem.
(2) Rasji ad loc
(3) Dat is op te maken uit het commentaar op deze pagina van de Shelah (plm 1600) Shney Luchot HaBrit, Kedoshim, Torah Ohr 63

Parasjat Wajisjlach
  Beresjiet /Genesis 32:4 – 37
Samael

Jaäkov trekt zijn broer Esav (Ezau) , die hij tweeëntwintig jaar geleden ontvlucht was, tegemoet. Beiden zijn welvarend geworden. Met angst en beven ziet Jaäkov de ontmoeting naderen en hij vreest het ergste. Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje aan de overkant van de rivier en vecht met een onbekende man.
Vele commentatoren hebben zich gebogen over de vraag wie de ‘man' ( iesj ) in het gevecht is geweest. Een niet gering aantal identificeert de man met Esav. Esav – ook wel genoemd Edom – is in vele uitleggingen de verpersoonlijking van slechtheid geworden. Vele vijanden van Israel zijn later betiteld met ‘Edom' , met name het rijk van de Romeinse onderdrukkers.  

De middeleeuwse bijbelgeleerde Rasji volgt de vele Oude Wijzen die menen dat het ging om de beschermengel van Esav. Die wordt dan weer geassocieerd met Samael, de prins der demonen, de koning van de duisternis, de engelachtige manifestatie van Satan, die al in de eerste eeuwen van de gewone jaartelling zijn intree deed in de midrasj (1) en later regelmatig in de commentaren van middeleeuwse geleerden voorkomt als Radak en Maimonides en menigmaal in de oude legenden, beurtelings als verleider tot de zonden, dan weer als aanklager voor het hemels gerechtshof, dan weer als engel des doods. Ambivalent als hij is, als ‘slechte' engel is hij tevens in dienst van de Allerhoogste. Eva heeft hij (als berijder van de slang) verleid van de verboden vrucht te eten; Sara's dood heeft hij veroorzaakt door over het offer van haar zoon Jitschak te berichten.
En nu speelt hij zijn rol als belager van Jaäkov.

Om ons met de Joodse uitlegtraditie vertrouwd te maken volgen we even de kabbalistisch georiënteerde rabbijn en geleerde Isaiah Horowitz (1564-1630) die als gedegen kenner van de kabbalistische ‘bijbel', de Zohar, uitgebreid ingaat op de rol van Samael. (2) Hij beschrijft hoe Samael zich voorziet van een menselijke gedaante met de trekken van Esav. Hij is als het ware even de hemelse afspiegeling van de verdorven tweelingbroer. Zo gaat hij het nachtelijk gevecht aan met Jaäkov. In de complexe en verfijnde, maar ook gekunstelde redeneringen van Horowitz rond het gebeuren licht opeens de passage op, waarin deze 17 e -eeuwse mysticus beschrijft, hoe na Jaäkovs overwinning op de engel Samael deze ‘besluit zijn slechte kant te verbergen en een “goede” engel te worden. In die laatste hoedanigheid bevestigt hij, dat Jaäkov Jitschaks zegen had verdiend en toen zegende hij (Samael) zelf hem. Zodra dat was gebeurd werd de vrede tussen Jaäkov en Esav op aarde hersteld.' Dan zegt Horowits – ook genoemd de Shelah - : ‘Er is nog een andere mystieke dimensie in de liefde tussen Esav en Jaäkov of in de liefde in het algemeen. Onder bepaalde condities kan het gevoel van liefde kwaad in goed transformeren en de onwaardige uiterlijke schil ( klipa ) kan worden veranderd in iets heiligs' , aldus de kabbalist. Opmerkelijk: kwaad kan verkeren in goed.
Die passage zou zelfs de moderne lezer troost kunnen bieden, waar hij beseft hoe Edom (Esav) vaak geassocieerd wordt met de vijanden van Israel, als volk en als natie. Opeens wordt vijandschap, haat vatbaar voor transformatie.

Overigens wordt met name in de kabbalistische sfeer Samael (of Satan) vaak geassocieerd met seksualiteit en lust en heeft de angst voor zijn welhaast onweerstaanbare verleiderskunst deze ‘soul snatcher' Samael door de eeuwen heen tot demonische proporties opgeblazen en vele rabbijnen en ultraorthodoxe mannen gebracht tot een aan ascetische en preutse obsessie grenzende vroomheid. Samael wordt de demonische versie van de jetser ha-ra – de neiging tot verkeerd handelen – die vaak een sterk erotische lading kreeg, waar eigenlijk toch de jetser ha-ra als ethisch concept nog steeds hanteerbaar is voor de levenspraktijk, een kompas om de goede keuzen te maken. Een obsessie met de immer loerende Samael kan niet aders dan hypocrisie kweken.
We moeten oppassen de jetser ha-ra - laat staan Samael - gelijk te stellen met het concept van het ego, wat in bepaalde spitituele kringen gebeurde en nog steeds gebeurt. Je hoeft om de jetser ha-ra in je leven te hanteren niet je ego te ontkennen of prijs te geven. Het ego is im Gründe een positief begrip: een innerlijke plek van realistisch zelfbewustzijn, die nodig is voor zelfhandhaving in een complexe wereld. (3) Met een goed ontwikkeld ego kan de mens verdergaan, voorbijgaan aan strikt eigenbelang en zich dienstbaar opstellen. Egoloos willen zijn is een illusie. Het ego leren kennen en hanteren, dat kan. Eventueel het ego opzij zetten, ontstijgen maar dan moet je het eerst wel hebben ontwikkeld. Met een goed ontwikkeld ego kan je Samael – de duistere kant van jezelf, je zwarte bladzijden - ontmoeten. Om aan je ego te ontstijgen moet je moet Samael wel in de ogen hebben gekeken en niet weggedoken zijn. Dan kan de demonische donkerte in de mens transformeren tot kracht ten goede.

Misschien is dat wat gebeurt is in het gevecht tussen Jaäkov en de engel/man/Samael.
Jaäkov vocht met oude schuldgevoelens over het bedrog, dat hij gepleegd had tegenover zijn broer en zijn blinde vader (4), hij vocht met oude angsten en schuldgevoelens (5), die hij belichaamd voelde in zijn nameloze tegenstander. Toen hij die overmeesterd had was – mogen we zeggen ‘tesjoeva' had gedaan? – was hij klaar om zijn broer te ontmoeten en regisseerde hij een omzichtig ritueel om een snaar van verzoening bij zijn onstuimige broer te raken.
Al eerder in andere commentaren heb ik gesteld, dat ik Esav niet zie als verpersoonlijking van het kwaad en als voorloper van alle latere vijanden van Israël.   (6)
Hoewel de broeders elkaar gehaat hebben betekent de kus van Esav een echt moment van verzoening. Rabbi Sjimon bar Jochaj (2e eeuw) bevestigt dit graag: ‘Is het niet alom bekend dat Esav Jaäkov haatte? Maar op dat moment was zijn compassie echt gewekt en hij kuste hem met heel zijn hart'. (7) Dat die mogelijkheid tussen vijanden gegeven is is een signaal voor alle tijden, zeker voor deze tijden waar de haat en vijandschap in het middenoosten tussen al die verre nakomelingen van de twee kleinzonen van Avraham in al zijn hevigheid woedt.

noten
(1) Bijv. Sjemot Rabba 18:5
(2) mijn vertaling uit de Engelse vertaaling van: Shney_Luchot_HaBrit ,_Vayishlach,_Torah_Ohr, op sefaria.org
De Shelah gaat ook uitgebreid in op alle kosmische conseguenties, die de na aanraking van de engel verwrongen heupzenuw ( de gied ha-nase waardoor Jaäkov voortaan mank zou lopen) ontstonden. Zie daarvoor de uitgebreide behandeling door Rabbi Simon Jacobson
op zijn website.
(3) Zo ook bijv. Andreas Burnier, Ruiter in de wolken, Uitgeverij Augustsus, Amsterdam-Antwerpen, 2015, p. 206
(4) Zo ook Gunther Plaut in zijn uitgave van de Tora met commentaar
(5) Zo ook Elie Wiesel zoals vermeld in ‘Een Toracommentaar voor deze tijd' (p. 91) van Harvey Fields
(6) in: Rob Cassuto, Reizen door de Tora, Van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus, Mastix Press, 2016, p.75 ev
(7) Sifrei Bamidbar 69:2

Parasjat Wajetsee Beresjiet /Genesis 28:10 – 32:4
De ladder

De parasja Wajetsee begint met de reis van Jaäkov naar Charan en de beroemde droom over de ladder naar de hemel (28:10 ev): ‘ Op zijn tocht kwam hij bij een plaats waar hij bleef overnachten omdat de zon al was ondergegaan. Hij pakte een van de stenen die daar lagen, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats liggen slapen. Toen kreeg hij een droom. Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij de engelen van Elohiem omhoog gaan en afdalen. En zie daar stond De Eeuwige boven hem, die zei: "Ik ben de Eeuwige , de God van je vader Avraham en de God van Jitschak. Het land waarop   j e nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven."'

Die droom heeft aanleiding gegeven tot vele uitleggingen, van letterlijke, tot allegorische en mystieke.  
Rasji (1) viel het op dat de engelen eerst omhoog gaan en dan de ladder afdalen, terwijl je het omgekeerde zou verwachten. Hij verklaart dit door de engelen te zien als gebonden aan het land dat zij beschermen. De engelen van het ‘binnenland' verlaten Jacob op dit punt waar hij zijn buitenlandse reis begint en stijgen ten hemel; de engelen van het ‘buitenland' dalen op hem neer.  De midrasj ziet Jacobs slaapplaats graag als de berg van Avrahams bijna-offering van Jitschak, de berg Moria.
Een andere midrasj ziet drie stenen, waaruit Jaäkov zijn hoofdkussen gaat kiezen ruzie maken. Wie zal zijn hoofdkussen mogen zijn? Volgens een rabbijnse geleerde uit de vroege renaissance (2) gaat de ruzie om wie het fundament zal vormen voor Jaäkovs komende wijsheid; de drie stenen zijn dan als het ware als vertegenwoordigers van de drie disciplines, de theologie (metafysisch aspect), de wetenschap (materiële aspect) en de wiskunde (abstracte theorievorming). De vraag is of die ruzie al beslecht is. De laatstgenoemde twee stenen lijken wel aan de winnende hand…

Mij lijkt een goede uitleg zeker ook de engelen die naar boven stijgend de ladder opgaan te zien als Jacobs smeekbeden, in de eerste plaats smeekbeden om bescherming in het barre buitenland (zoals in vers 20 wel wordt bevestigd) maar in een meer transcendente laag tevens ook als de uiting van zijn diepste verlangen om openbaring van de zin van zijn leven en onthulling van zijn missie.   De dalende engelen zijn als het ware tegemoetkomende reacties vanuit de transcendentie (goddelijke dimensie). Ze brengen hem een besef van kracht en bescherming. Maar ook een inzicht in en intuïtie omtrent zijn unieke missie.  
Dat zou kunnen blijken uit de bewoordingen: eerst wordt gesproken over de ‘engelen van Elohiem ', het meer neutrale woord voor de goddelijke dimensie. Een zin later staat er: ‘En zie daar stond De Eeuwige boven hem, die zei: ‘Ik ben de De Eeuwige, de God van je vader Avraham en de God van Jitschak'   Nu wordt opeens het tetragrammaton JHWH – meestal uitgesproken als ‘Adonaj' - gebruikt, het woord voor de Eeuwige als degene die zich bekommert om het lot van Israël.  
Jacob maakt hier op een diepe bewustzijnslaag kennis met een ver boven hem uitgaande macht die zijn lot richting geeft in het verlengde van de sturing die zijn vader en grootvader al heeft geleid. De ladder is de expressie van het verlangen naar ontmoeting met De Ene, een verlangen dat vanuit de diepte in fasen vormkrijgend opstijgt. ‘En zie daar stond De Eeuwige boven hem' ( we-hinee Adonai nitsav alav ). In welke vorm dan ook ontmoeten de opstijgende engelen de neerdalende engelen, er komen antwoorden, bevestigingen, tekenen, krachten uit de transcendentie.  
In de kabbalistische visie – voorzover ik die begrijp - wordt de ladder gezien als een patroon van de sefirot, waarbij Jaäkov geplaatst wordt gezien als midden tussen Avraham, de rechterstijl, die Chesed – stroom, liefde, genade - symboliseert, en Jitschak, de linkerstijl, die Gevoera – begrenzing, bedding, stabiliteit, oordeel - belichaamt.   In de droom maakt de Eeuwige Jacob, als het ware in een soort mystieke dialectiek, tot de fusie van de eigenschappen Chesed en Gevoera, dat wil zeggen tot de sefira Tif'eret – schoonheid, harmonie, ziel, essentie - in de middenzuil. Zo wordt als het ware contact gelegd tussen de hogere werelden en de lagere wereld van Malchoet – daar waar het goddelijke inwoont, de Sjechina - , vanwaaruit onze materiële wereld zin en betekenis krijgt.  

De ladder is de verticale as van de coördinaten van ons bestaan, waarvan de horizontale as onze werkzaamheid in de wereld is. In ieder van ons staat die ladder klaar om daarlangs tree voor tree ons verlangen en ons gebed en onze daden omhoog te sturen.  
Jacob heeft dit met volle kracht gedaan. Niet lang daarna zou deze verlegen huismus en moederszoon bij de ‘Jacobsbron' de vrouw van zijn leven ontmoeten en ook nog meteen kussen, een zware putdeksel oplichten, die een hele troep herders nog niet van hun plaats kregen, later met wijze tolerantie ten opzichte van zijn sluwe oom te werk gaan, een groot gezin stichten en een enorm vermogen verzamelen in moeilijke omstandigheden om toch dan de stem te horen die hem terugriep naar zijn familie en zijn missie.  

noten
(1) Rasji ad Beresjiet/Genesis 28:11
(2) Isaac Arama, Akeidat Yitzchak 25:16

Parasjat Toldot   Beresjiet/Genesis 25:19-28:9
Een gezinsdrama met een spirituele strekking  

Er is in de parasja Toldot duidelijk sprake van een familie met flink wat disharmonie. De vader heeft zijn favoriete zoon en de moeder heeft háár favoriet. De twee zonen zelf zijn totaal verschillend van aard.
Esav – ‘de harige' – is een kundig jager en een man van het veld. Hij is de lieveling van zijn vader Jitschak, die graag het gebraden wild van zijn jagende zoon eet.
Jaäkov – ‘die op de hielen zit' – is in alles zijn tegenhanger, een gladde tengere jongen, die het liefst bij de tenten blijft bij zijn moeder (de oude vrome rabbijnen wisten zeker dat hij daar al Tora studeerde). Hij is de oogappel van zijn moeder Rivka. Al in de baarmoeder is de strijd begonnen met zijn tweeling- broer, die als eerste ter wereld kwam en die hij bij de hiel vasthad in een poging hem in het geboortekanaal al voorbij te streven.
De jongste van de tweeling lijkt een huismus, maar blijkt behept met grote ambities en niet terug te schrikken voor list en bedrog ten aanzien van zijn broeder en zijn vader.
Esav is een impulsieve, hartstochtelijke man, zoals blijkt uit de onstuimigheid waarmee hij vermoeid na de jacht de rode linzen- soep van zijn broeder opeist. De ambitieuze en slimme Jaäkov maakt hem in ruil voor de soep het eerstgeboorterecht – zeer belangrijk in het toenmalige Midden-Oosten – afhandig. Daarbij komt het verraad van Rivka aan haar echtgenoot Jitschak. Rivka is – mede door een voorspellende droom tijdens haar zwanger- schap van de tweeling – vastbesloten om tegen de traditie en wil van haar man Jitschak haar oogappel Jaäkov in het zadel te hijsen als hoofd van de clan; als Jitschak oud, blind en doodziek op sterven lijkt te liggen en te kennen geeft aan Esav de vaderzegen te willen geven, nadat Esav een bokje heeft geschoten en lekker voor hem heeft klaargemaakt, instrueert zij Jaäkov om zich aan zijn vader voor te doen als vaders favoriet Esav, gekleed in diens kleren, de armen omrold met geitenhuid, om diens harigheid te veinzen, en voorzien van het gevraagde lekkere gebraad. Aldus gebeurt, een spannende scène: zal de wantrouwige Jitschak het bedrog ontdekken? Hij twijfelt, maar geeft zijn zegen. Jitschak moet later trillend van boosheid of angst aan zijn oudste zoon Esav de misleiding opbiechten. Esav brult van woede en zweert zijn broeder te zullen doden. Moeders plannen met haar lieve- lingszoon zijn gelukt. Maar het gezin is verscheurd, boosheid en bitterheid zijn het gevolg. Met dat alles rust Avrahams erfenis voortaan op de schouders van Jaäkov.

Om de woede van zijn broeder te ontlopen (en om naar de wens van zijn moeder een vrouw uit de stam te zoeken) vlucht Jaäkov naar zijn oom Lavan in het land Aram.
Rivka en Jaäkov hebben met listen en lagen hun doel bereikt. Hebben we dat niet vaker gezien in legenden, drama en literatuur, de moeder die haar favoriete zoon op de troon wil en daar alles voor doet? Was het de hogere bedoeling dat het zo zou gaan?
De schoonheidsprijs verdient het niet. Bepaald geen voorbeeld voor in het handboek ‘goede gezinsverhoudingen'. De televisie- schrijver zou spreken van een adembenemend gezinsdrama, de psycholoog van een broken home. Maar het is vaak wel de wer- kelijkheid die zo zich afspeelt, vroeger en nu. Er staan veel meer laakbaarheden in de Tora. Het absurde is dat laakbare daden het grote verhaal van Israël niettemin vaak juist verder brengen (wie wilmag er nog een paar noemen…).

We kunnen het verhaal ook proberen te hervertellen vanuit een meer spirituele optiek. Misschien licht dan een andere laag op. Is Rivka in de gezinspsychologie de slechte moeder met haar eenzijdige voortrekken van haar oogappel, in de spirituele geschiedenis is zij degene die de dramatische constellatie voorvoelt als zij zwanger is en (Beresjiet/Genesis 25:23) de stem hoort die voorzegt dat er twee naties in haar schoot zijn en dat de oudste de jongste zal dienen.(1) Ze moet bij het opgroeien van de kinderen haar voorgevoel bevestigd hebben gezien en in de jonge Jaäkov de kwaliteiten hebben opgemerkt die hem waardig maakten de erfenis van Avraham op zich te nemen.

In de wildheid, de impulsiviteit, het gebrek aan overleg van Esav lag tegelijk zijn onvermogen om boven de passie of de begeerte van het moment uit te kijken, om te luisteren naar diepere of hogere boodschappen, om de essentie van dingen en mensen te peilen, kortom om een geestelijke dimensie te be- treden, in meer religieuze termen: om contact te voelen met de Eeuwige. Daarmee was Esav geen kwaadwillige, geen slechterik, geen crimineel, hij was eenvoudig alleen maar ongeschikt. Hij was zoals u of ik meestal zijn, als we niet boven onze emotionele impulsen uit kunnen stijgen en niet verder dan de aandriften van het moment kunnen kijken, en dat doen we meestal niet.(2)
Rivka voelde zich instrument om de herschikking van de opvolging van Avraham te helpen realiseren. Het lijkt wel of zij de drager van inzicht was, terwijl Jitschak geen gevoel had voor de meer spirituele laag van werkzaamheid in zijn familie. Hij was blind voor de meer subtiele kwaliteiten van Jaäkov en genoot van de wilde kracht van Esav en zijn gebraden wild, Esav, in wie hij waarschijnlijk meer zichzelf herkende.(3) (4)

In de boezem van Jitschaks familie kunnen we zich een strijd zien afspelen tussen kracht (Esav, gesteund door Jitschak) en geest (Jaäkov, gesteund door Rivka); een fundamentele strijd, die de ontwikkeling van het volk van Israël en meer algemeen de mensheid zal stempelen, fundamenteel omdat hij ‘in de baar- moeder van de menselijke ontwikkeling' (als we de baarmoeder van Rivka als metafoor zien) al is begonnen. Uiteindelijk is het onvermijdelijk om in te zien dat kracht en geest niet zonder elkaar kunnen; kracht en geest zullen moeten erkennen elkaar nodig te hebben. Die momenten zijn zeldzaam, maar het is aan Jaäkov om tot die feitelijke erkenning te komen in de nog te beschrijven latere verzoening met Esav.

Dit is een publicatie uit Rob Cassuto, Reizen door de Tora, deel 1, Van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus , verkrijgbaar in de webshop van Stichting Pardes

Noten
1. Beresjiet/Genesis. 25:23: ‘De Eeuwige zei tegen haar: “Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard. Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen.”' Ik vat deze uitspraak op als een – zo je wilt transcendent – voorgevoel van Rivka. Vat je deze regels op als een absolute Godspraak, dan heeft dat veel theologische en filosofische implicaties. Zo hebben deze regels veel theologische discussies – met name in het christendom, bijvoor- beeld Augustinus – veroorzaakt over predestinatie, uitverkiezing, verlossing en genade: als God al weet wat er gaat gebeuren, wat betekent dat dan voor de vrije wil en de toerekenbaarheid van daden, goede en slechte?

2. In midrasj en legende heeft Esav of Edom een wel heel slechte naam gekregen. Hij is het toonbeeld van de bedrijver van het kwaad geworden en men meende Edom te herkennen in de Romeinen en in vele andere groepen tot en met de nazi's. Maar niets in de Tora duidt daarop of geeft aanleiding tot een dergelijke demonisering. In de parasjja Devariem lezen we hoe Mosjee gebiedt dat de binnen- trekkende Israëlieten het land van Esavs nakomelingen, het gebied van Edom, niet mogen binnenvallen.

3. Gunther Plaut (The Torah, a modern commentary p.186) die ik voor deze parasja heb geraadpleegd, werpt de interessante vraag op of Jitschak toch niet ergens halfbewust heeft geweten dat Jaäov de meer geschikte was. Alles in de pesoekiem (verzen) 27:18-27 – lees het nog eens na – wijst op de twijfel die de bijna blinde vader ervoer al vanaf de binnenkomst van de als Esav zich voordoende en geklede Jaäkov. De vraag rijst: wilde Jitschak misschien misleid worden, omdat hij zelf niet de moed had om de beslissing te nemen die Rivka wel had genomen? Speelde Jitschak misschien het spelletje mee om te laten gebeuren waarvan hij ook diep in zijn hart wist dat het zou moeten gebeuren?

4. Een veel verdere uitwerking van de spirituele strekking, mede aan de hand van de sefirot, treffen we aan in het commentaar van rabbi Simon Jacobson, www.meaningfullife. com/social/toldot-the-plot- thickens-jacob-esau-two-nations/ .


Parasjat Chajee Sara
  Beresjiet/ Genesis 23:1–25:18
Gelukkige ontmoetingen

De parasja Chajee Sara bevat dat het prachtige verhaal over hoe Awrahams vertrouweling, de knecht Eliezer, opdracht krijgt een vrouw voor Jitschak te zoeken en hoe hij deze opdracht volbrengt. Het verhaal wordt in geuren en kleuren verteld, het is een staaltje van de beste Tora-vertelkunst.  
Degene die deze regels heeft geschreven moet een begaafd schrijver of dichter zijn geweest. De spanning van de knecht Eliezer wordt subtiel weergegeven, als hij wacht bij de waterput totdat de meisjes van de stad de poort uit zullen komen om het kleinvee te gaan drenken. Hij bidt op een goede afloop en krijgt ingegeven aan welke test de toekomstige vrouw van de zoon van zijn meester zal moeten voldoen: ze zal hem op zijn verzoek onmiddellijk te drinken geven uit haar kruik en uit haarzelf aanbieden ook voor zijn kamelen water uit de put te halen om de beesten te drenken. En daar komt Rivka, jong mooi en maagd. Het lijkt wel of de oude knecht subsidiair voor Jitschak verliefd wordt op de knappe herderin. Op zijn verzoek om een slok geeft ze die onmiddellijk en inderdaad drenkt daarna de kamelen, snel en efficiënt.
Opvallend in deze passage over Rivka's handelingen is hoe een aantal keren woorden met de stam ‘snel' en ‘rennen' – maher , rats – voorkomen; het tekent de houding van achting en respect van de jonge vrouw voor de vreemdeling. We zijn deze woorden ook tegengekomen in de houding van Avraham als hij voor zijn tent de drie boodschappers ontvangt en een maaltijd bereidt.(1).
De verraste knecht ziet in stille verbijstering aan hoe het meisje haar diensten voor hem verricht en als ze klaar is hakt hij de knoop door: God moet hem hebben verhoord, dit is de ware. Hij geeft haar de bedoelde geschenken een gouden neusring en twee gouden armbanden van tien sjekels goud zwaar. Twee armbanden, dat verwijst naar de twee stenen tafelen en tien sjekel verwijst naar de tien uitspraken (geboden) weten de Oude Wijzen (2)
Dan pas vraagt Eliezer naar haar afkomst.en dan pas blijkt zij tot de familie van Avraham te behoren. Dat was wel een gok. Blijkbaar waren de schoonheid en de uitmuntende eigenschappen van vriendelijkheid en hulpvaardigheid van Rivka zo overweldigend dat zij voorrang kregen boven status en afkomst, zaken die toch wel van eminent belang plachten te zijn. Als Avrahams afgezant later het verhaal doet aan de familie draait hij in zijn verslag wijselijk de volgorde van de gebeurtenissen om, lees het maar na. (Beresjiet/Genesis 24:47)(3)
Meer saillante details verschillen in het mondeling verslag van de knecht aan de familie van Rivka. Want eigenlijk worden de gebeurtenissen tweemaal verhaald, eerst als vertelling in de derde persoon en dan als verslag van de knecht aan Rivka's broer Lavan, . Een stijlvorm die wij in onze moderne verhaalkunst niet zo zeer kennen, maar die hier op een of andere wijze bijzonder sterk werkt. Bij voorbeeld: in Beresjiet/Genesis 24:3 laat Avraham de knecht zweren bij ‘de Eeuwige, de God van de hemel en de God van de aarde'; in het verslag van de knecht over deze eed ( Beresjiet/ Genesis 24:37) vermeldt de man geen Eeuwige. Dit zou hij dan bewust in zijn verslag hebben weggelaten omdat Avrahams familie natuurlijk niet het Abrahamitische monotheïsme (om het mooi theologisch te zeggen) kende, maar hun eigen godendienst hadden; de knecht wilde dit natuurlijk respecteren en hen niet nodeloos kwetsen. Een zin later vertelt de bediende dat hij de opdracht had gekregen naar het vaderlijk huis en de familie van Avraham te gaan om een vrouw te zoeken. Avraham had het echter alleen over zijn ‘land en geboorteplaats' ( Beresjiet/Genesis 24:4). De knecht dacht strategisch en heeft het in zijn verslag maar iets toegespitst tot de familie, waar hij door dat (schijnbare?) toeval is aangeland.

Hij voert Rivka mee terug naar de tenten van Avraham en Jitschak.  
Rivka heeft kennelijk een scherpe intuïtie over haar lotsbestemming en de vastbeslotenheid om daar onvoorwaardelijk naar te luisteren en te handelen: ondanks de pogingen van de familie haar nog een tijdje te houden zegt ze op de vraag of ze onmiddellijk mee wil gaan: ‘Ja, ik wil gaan'.  
Jitschak zal meer dan voldaan zijn geweest: de man ‘bracht haar naar de tent van Sara, hij nam haar tot vrouw, hij beminde haar en troostte zich met haar na Sara' ( Beresjiet/Genesis 24:67).

Hiermee bereikt dit verhaal een happy end. Idyllische momenten zijn er ook in de Tora. Gelukkige ontmoetingen bij een put, daar zijn er meer van in. Tenslotte is de put een archetypische ontmoetingsplaats in de samenleving van herders en kleine landbouwers. We denken aan Jaäkov, die zijn grote liefde Rachel ontmoette bij de waterput, misschien wel dezelfde als waar Rivka haar vee drenkte. De meest romantische scene in de Tora. Ook Mosjee ontmoette Zippora bij een waterput in de streek van Midjan. Waar het water vloeit zijn de condities voor geluk in de zin van geestelijk en lichamelijk welzijn aanwezig. (4)

Noten
(1) zo ook Sforno ad loc
(2) Rasji ad loc,
(3) meer hierover in mijn boek ‘Reizen door de Tora. Van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus', p. 61 ev
(4) Ik moet ook denken aan de ontmoeting van Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de waterput – de Jakobsbron - , Joh. 4:5, waarin opvalt hoe Jezus over 2 taboes heenstapt: hij spreekt met een Samaritaanse, waar ‘Joden niet mee omgaan' en hij spreekt met een vrouw, waarover de discipelen hun verbazing uitspreken.

 
Parasjat Wajera
Beresjiet/Genesis18 – 23
Lust en nieuw leven

Vaak treft het mij hoe de verhalen van de Tora doordrenkt zijn van de spanningen tussen lust en procreatie. Het gaat over het kanaliseren en vaak over het buiten de oevers treden van die machtige menselijke drijfveer, die toch nodig is om het volk (de mensheid) te laten voortbestaan. Lust was volgens vele vroege rabbijnen de onvermijdelijke drijfveer, die de Schepper in de mens had geplant om tot het verwekken van nageslacht te komen. Als de lust wordt beheerst en ervaren in de binnenhuwelijkse procreatie is het oké. Dit is altijd de mainstream van het Jodendom geweest, overigens meestentijds geflankeerd door stromingen waar het paradoxale begrip jetser ha-ra - neiging ten kwade waarmee vaak de seksuele aantrekkingskracht werd bedoeld - demonische trekken kreeg en in vrijwel alle eeuwen delen van de rabbijnse elite drong tot ascetische praktijken.

Met name in de parasja Wajera speelt het aspect van lust en procreatie een grote rol. Het begint al met de aankondiging door de drie mannen/engelen aan Sara van de geboorte van een zo lang al begeerde zoon. Sara vraagt zich af: ‘zal ik nog edna hebben nu ik oud ben geworden en mijn heer is oud'. Edna wordt vertaald met ‘liefde' (NBV), ‘liefdesgenot' (HSV) en ‘wellust' (SV1977). Dasberg vertaling: ‘bevrediging'. Het lijkt mij verantwoord om als gemiddelde betekenis ‘lust' te nemen. De lust was Sara vergaan. Na de toezegging dat zij zal baren is aan haar blijkbaar weer meer lust toegedeeld evenals ook aan Avraham kennelijk meer potentie is geschonken. Het valt op, dat Sara hoewel dus al op leeftijd in een latere fase in dit verhaal niettemin de begeerte van Avimelech, de koning van Gerar, heeft opgewekt en dat Avraham na Jisjmael en Jitschak bij zijn latere vrouw Ketoera nog zes zonen heeft verwekt.

In Sedom heeft het onbegrensde uitleven van een overmaat aan lust voorrang gekregen boven de waarden van gastvrijheid, menselijkheid en de integriteit van het lichaam. Dat beleeft zijn toppunt als de mannen van Sedom -   ‘van jong tot oud, het huis, heel het volk, niemand uitgezonderd' - aan Lot de uitlevering van zijn twee goddelijke boodschappers/bezoekers eisen om hen seksueel te gebruiken ( we-neda otam ). Lot gaat zo ver, dat hij liever zijn maagdelijke dochters aanbiedt dan de waarde van gastvrijheid te schenden.
Waar de lust is losgeslagen en ontgrensd en alleen zichzelf dient staat de weg naar het kwade open. Hier zijn de mannen van Sedom het iconische voorbeeld van. Het kenmerk van deze losgeslagen dominantie van de lust is dat superieure waarden van gastvrijheid, waardigheid en integriteit met voeten worden getreden. Het tegendeel is de bijbelse ‘vrees voor God' – jirat Elohiem - , waar deze waarden juist boven alles komen. Een paar passages verder als Avraham in de stad Gerar verblijft is hij bang, dat hij die vrees voor God daar niet zal aantreffen en dat Sara zal worden verkracht.

De twee bezoekers/engelen redden Lot, zijn vrouw en zijn twee dochters (niet zijn twee ongelovige schoonzonen) uit de penarie en brengen hen buiten de stad voordat de vernietiging de stad zal treffen. Als Lot uiteindelijk met zijn twee dochters zijn toevlucht heeft gevonden in een grot (zijn vrouw heeft tegen het gebod toch omgekeken en is geworden tot de befaamde zoutpilaar) dringt zich een prangende vraag op: hoe moet de familie zich nu voortzetten als er geen mannen meer zijn om daarvoor te zorgen? Er is alleen nog een vader. De twee dochters van Lot zien maar één oplossing: incest.
Dat is nogal wat. Het is immers een van de grootste taboes, ook buiten de kring van de Abrahamitische ethiek. Lot zelf zou hier in bewuste staat nooit in toestemmen.
De oudste dochter neemt het voortouw: Ze voert haar vader dronken. Zo kan zijn bewustzijn worden gedempt en zijn lust kan worden ontremd om zijn procreatieve werk doen. Dan heeft ze gemeenschap met hem. De volgende nacht volgt de jongste dochter haar na. Ze worden inderdaad beiden zwanger en baren ieder een zoon. De oudste dochter noemt haar zoon Moav – ‘van een vader' - en de jongste dochter noemt haar zoon Ben Ammi – ‘zoon van mijn volk' - .
Moav wordt de voorvader van het volk van de Moabieten en Ben Ammi van het volk van de Ammonieten; beide volken zullen nog een grote rol spelen in de geschiedenis van de Israelieten.

Sommige vroege rabbijnen uit de eerste eeuwen van de gewone jaartelling hebben moeite om een oordeel te vellen over de moraliteit van dit gebeuren in zo'n extreme omstandigheid. De dochters dachten, dat de wereld was vergaan door vuur, zoals eerder water de wereld had overstroomd. Geen mannen waren er meer beschikbaar. De vraag waarmee die oude schriftgeleerden mee worstelden was zoiets als: wat was nu het belangrijkste motief om dit ontzaglijke incest taboe te doorbreken: pure lust of overleving van de familie, respectievelijk de mensheid. (1)
Tot op zekere hoogte kunnen we ons verplaatsen in de situatie van de dochters. Stel dat – God verhoede – een geweldige katastrofe de mensheid van nu zou uitroeien op één vader en dochter na. Stel dat jij de dochter zou zijn. wat zou je doen. Zou je wanhopig zijn en zelfmoord plegen of zou je uiteindelijk besluiten nieuw leven te scheppen? Het is de premisse van een roman of film, die vermoedelijk vast wel al gemaakt is (2).
De 16 e -eeuwse geleerde Sforno (3) kiest ervoor om de dochters een nobele intentie ( kavana ) toe te dichten en hij wijst op het positieve gevolg van hun daad, twee volken zijn uit hen voortgekomen, de Moabieten en de Ammonieten, die beiden een mooi stuk land bezijden de rivier de Jordaan beërfden, dat later de Israëlieten bij de verovering van Kenaän met rust moesten laten. .
Wat minder is, dat. Later toen de Israelieten tegen het einde van hun veertigjarige zwerftocht onder Mosjee bij de Jordaan waren aangeland, de jonge vrouwen van Moav de Israëlitische mannen hebben verleid tot ongeoorloofde seksuele handelingen met rampzalige gevolgen (Bamidbar/Numeri 25). Maar daar staat weer tegenover dat weer veel later een andere Moabitische juist een heel positief effect heeft gehad in de geschiedenis van het oude Israel; ze verleidde met haar charme de rijke Israelitische grootgrondbezitter Boaz op de dorsvloer en werd via haar zoon met Boaz de overgrootmoeder van koning David. Die vrouw heette Roet (Ruth) en over haar is een heel bijbelboek geschreven.
Sforno meldt bij zijn aantekening bij het verhaal van Lot en zijn dochters een citaat uit Misjlee (Spreuken): ‘Ken God in al je wegen, dan zal Hij je paden rechtmaken' en voegt daaraan toe: ‘zelfs als het een zonde betreft'. Blijkbaar kan ook het begaan van een zonde vallen onder het gaan van Gods wegen. Voor mij betekent dit niet, dat het doel alle middelen heiligt. Wel, dat er noodsituaties denkbaar zijn waarin een inbreuk op geheiligde regels gerechtvaardigd of zelfs vereist is. De voortgang van de geschiedenis kan blijkbaar niet zonder. (4)

Noten
1. Zie Beresjiet Rabba 51:8 ev
2. Ik moet denken aan de roman van Bernard Malamud, ‘God's grace'.
3. Ovadja Sforno (plm, 1470-1550) ad Beresjiet/Genesis 20:37 op Sefaria.org
4. ‘misstappen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israël; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit' , David Biale: Eros and the Jews : from Biblical Israel to contemporary America 1992, p 20


Parasjat Lech Lecha
 
  Beresjiet/Genesis 12-18   
De universele Abraham

Verscheidene passages in de Tora houden in, dat in Abraham de volken van de wereld zullen zijn gezegend (zoals in de eerste zegening in Genesis 12:3, niwrechoe bechá kol misjpachot ha-adama ). Bijbelprofessor Umberto Cassuto signaleert: ‘we hebben hier de eerste toespeling op het concept van universaliteit dat inherent is in het geloof van Israel, dat verder ontwikkeld zou worden in de leringen van de profeten'. (1)
Niet alleen voor de joden, ook voor andere religies is Abraham een voorbeeld van geloof en een inspiratie voor levenswandel. Zowel in het Christendom als in de Islam wordt hij boven zijn Joodse context uitgetild.

De apostel van het christendom, Paulus, wijdt een bij theologen befaamde passage aan Abraham. In zijn brief aan de Romeinen legt hij de nadruk op het onwankelbare geloof van Abraham in de Altijdzijnde. (2) Als ik het goed begrijp komt het op het volgende neer. Niet omdat Abraham zulke goede daden heeft verricht werd hij door God gerechtvaardigd, niet om zijn verdiensten, maar louter doordat hij op God vertrouwde, dat godsvertrouwen was al genoeg. En omdat hij al gerechtvaardigd werd toen hij zich nog niet had besneden en er sowieso toen nog geen geheel van wettische voorschriften bestond, is ook voor hen die niet besneden zijn – lees de niet-joden c.q. de christenen - het geloof in God – en natuurlijk voor de christenen in Jezus - voldoende en het is voor rechtvaardiging niet nodig, dat je je aan allerlei voorschriften – lees de Joodse wet – houdt.

In de Koran speelt Abraham een belangrijke rol, in vele passages treedt hij op. Uit een artikel van prof. Karl Josef Kuschel (3) haal ik een belangrijk citaat uit de Koran: ‘O, mensen van het Boek, waarom redetwist gij over Abraham, wanneer de Tora en het Evangelie eerst na hem werden geopenbaard? Wilt gij dan niet begrijpen? Ziet, gij twist over hetgeen, waarvan gij kennis hebt. Waarom twist gij dan (eveneens) over hetgeen, waarvan gij geen kennis hebt? Allah weet en gij weet niet. 
Abraham was noch een Jood, noch een Christen, maar hij was een oprecht Moslim. En hij behoorde niet tot de afgodendienaren.' (4)
Het blijkt te staan in het hoofdstuk (soera) Al Imraam, o.a. een voor joden weerbarstige verhandeling over ‘het volk van het Boek'. Maar in bovengeciteerd vers ligt wel een helder statement: Abraham ging vooraf aan Tora, Evangelie en ook aan de Koran. Hij was ‘een vriend van God'.

Prof Kuschel neemt deze soera als uitgangspunt voor zijn pleitrede voor een Abrahamitische spiritualiteit en oecumene. In zijn interreligieuze werk vindt hij zijn grondslag in de verhalen van Abraham, zoals zij verteld worden in de Tora, in het Nieuwe Testament en in de Koran. In de verhalen over Abraham komt – zo stelt hij – iets tot uitdrukking dat als grondhouding van mensen tegenover het heilige, het Absolute, tegenover God ook in andere religies te vinden is: de kracht om op grond van radicaal vertrouwen op God op te breken en iets nieuws te wagen. Dit ziet hij als Abrahamitische spiritualiteit, het radicaal vertrouwen om ondanks de deprimerende geschiedenis van conflict en geweld tussen de religies en tegen de verleiding van berusting in, vol te houden en met erkenning van verschillen steeds te zoeken naar gemeenschappelijke grond.

Biedt de Tora in het verhaal van Abraham nog andere episoden, die inspireren tot een vredelievend samengaan van mensen van verschillende religies? Een late midrasj (5) verhaalt hoe een bezorgde Avraham na jaren tot tweemaal zijn zoon Ismael in de woestijn weer opzoekt en een derde keer zich met hem verzoent. Dit verhaal is in de islamtraditie in een aangepaste vorm overgenomen als basisuitleg voor de in de Koran vermelde bouw van de Kabaä door Abraham en Ismaël. Ismaël kreeg twaalf zonen. In Beresjiet/Genesis 25 wordt de laatste episode in het leven van Abraham beschreven. Hij neemt na de dood van Sara waarachtig nog een tweede vrouw, Ketoera – de midrasj zegt: dat is een teruggekeerde Hagar – en krijgt nog zes zonen bij haar. Inderdaad, een vader van vele volken is hij. (6)
Hij wordt begraven door zijn twee oudste zonen, Isaac en Ismaël (Beresjiet/Genessis 25:9). Aan het graf van hun vader ontmoeten de twee rivalen elkaar weer, dat is een hoopgevend metafoor.

Al eerder is in het leven van Abraham een signaal van een vreedzame oplossing van conflicten gegeven. Als de nog ‘jonge' Abram met zijn neef Lot is vertrokken uit Charan ontstaat er een conflict over de weidegrond voor hun vee. (Beresjiet/Genesis 13). De herders maken ruzie met elkaar. Er is te weinig levensruimte voor beiden. Dan zegt Abraham zoiets als: laten we toch geen ruzie maken, wij zijn immers mannen die broeders zijn! Ligt heel het land niet voor je open? Er is ruimte genoeg voor ons beiden, ga jij naar links dan ga ik rechts en ga jij rechtsaf, dan ga ik linksaf.
Dat kan ook dienen als metafoor: er is ruimte genoeg voor allen, als we dat maar zien en elkaar dat gunnen. Eerst moeten we als joden, christenen en moslims ophouden ruzie te maken en elkaars waarheden aan elkaar op te dringen, stoppen met elkaar te onderdrukken en zelfs te doden. Dan kunnen we elkaar de ruimte gunnen, elkaars verschillen respecteren, dan kan een ontmoeting en werkelijke kennismaking zich ontwikkelen. 
Misschien gloort er dan iets als een oecumenisch gebeuren onder het patronaat van Abraham.
De laatste tijden lijkt dat nog ver weg.

noten

(1) U. Cassuto (1883-1951), A commentary on the book of Genesis, part two, from Noah to Abraham, Magnes Press, Jerusalem, 1977, p. 315
(2) Romeinen hfst 4
(3) Karl Josef Kuschel , ‘ Op weg naar een Abrahamitische spiritualiteit en oecumene' in : In de voetsporen van Abraham, vele bijdragen aan symposia 2003 en 2004 te Nijmegen, Damon 2004
(4) Koran, Soera 3 (Al Imraan) 65-68
(5) Pirkee de Rabbi Eliezer, hfst. 30 e.v.
(6) Zie ook: Marcel Poorthuis, ‘Hagar's Wanderings: Between Judaïsm and Islam' (https://marcelpoorthuis.wordpress.com/publicaties/wetenschappelijke-publicaties/journal-articles/)

Parasjat Noach   Beresjiet Genesis 6:9-11:32
Een tweede schepping

De parasja Noach vertelt het overbekende drama van de zondvloed, beter gezegd grote vloed (maboel ha-majiem). Noach wordt als enige rechtvaardige gespaard van de vernietiging van de verdorven mensheid en krijgt de opdracht een ark te bouwen en met hem zijn familie en van alle diersoorten paren op die ark mee te nemen. Na vele maanden op de overstroomde aarde te hebben rondgedreven land de ark op de droogvallende aarde en stelt De Eeuwige zijn regenboog aan de hemel als teken dat Hij niet wederom deze radicale sanctie op zijn schepselen zal toepassen. 
In de volgende episode wordt het incident rond de dronkenschap beschreven van de inmiddels landbouwer en wijngaardenier geworden Noach, die naakt zijn roes ligt uit te slapen: zijn zoon Cham zag zijn vader open en bloot en deed er niets anders aan dan het aan zijn broers, Sjem en Jefet, te vertellen, die wél met het nodige respect en met afgewend gelaat hun vader benaderden om hem te bedekken met de mantel der liefde. 
Dan volgt het verhaal van de nakomelingen van Noach en hun verstrooing over de aarde, nadat zij met hun project van de toren van Bawel De Eeuwige toch wat ongerust hadden gemaakt over de ambities van de schepselen, die zijn evenbeeld droegen. 
Tenslotte wordt gefocused op de nakomelingen van Sjem, die in tien geslachten uitmonden in Avraham. 

De algehele indruk die het verhaal van de grote vloed maakt is die van een “herschepping”. 
Een grote schoonmaak van de eerste versie van de schepping naar een tweede, die letterlijk met een schoongewassen lei mag beginnen met een soort nieuwe Adam in de persoon van Noach.
In het begin van paragraaf 6 komen die merkwaardige passages voor over de benee Elohiem en de dochters der mensen en over de reuzen, anakiem , die de aarde bevolkten. (1)
Scheppingsverhaal-achtig doet aan de beschrijving van de dieren (b.v. 7, 14-15), die doet denken aan Beresjiet 24-25, de uittocht uit de ark, die doet denken aan de uitstroom van een nieuwe creatie van levende wezens over de door het vernietigende maar ook schoonwassende water gerenoveerde aarde, afgesloten met opnieuw een: Peroe oereboe oemil'oe et ha-arets , ‘weest vruchtbaar, vermeerdert je en vul de aarde' (zoals in Beresjiet 1, 28). Even daarna wordt, zoals in Beresjiet 1, 29, het voedsel voor de mensen aangegeven, maar was in Beresjiet alleen het fruit en het gewas aangewezen – en dus eigenlijk het vegetarisme verordonneerd - nu is naast het groene gewas ook al wat beweegt en leeft potentieel voedsel: het vlees, maar niet het bloed. 

Nog een parallel zie ik in de assertieve daden van de mens en een zekere angst van De Eeuwige voor de kennis en kracht van zijn schepselen. Zie enerzijds: Beresjiet 3, 22: ‘Zie, de mens is geworden tot één van ons doordat hij weet van goed en kwaad. Als hij nu maar niet zijn hand uitsteekt en ook van de boom des levens neemt en eet zodat hij eeuwig leeft.' Volgt de verdrijving uit het paradijs. 
In Beresjiet 11, 6 sprak de tot de toren van Bawel afgedaalde Eeuwige tot zichzelf: ‘Ziet één volk is het en één taal hebben ze allen, indien dit het begin is van wat ze willen doen, zal hun niets, wat ze ook van plan zijn om te doen, meer te moeilijk zijn.'
En weer voelt zich De Eeuwige enigszins bezorgd over de macht van de mens – bijna als een vader die zijn te snel opgeschoten zoon zijn plaats wijst - , en neemt hij actie door het volk te verstrooien.
Eigenlijk is deze bezorgdheid de enige motivatie die in de Tora zelf wordt gegeven voor de verstrooiing. Zo letterlijk te lezen voeren de bouwers van stad en toren niets ongerechtigs uit. 
In een ander commentaar werk ik het verhaal van de toren van Bavel verder uit. Ik vermeld nog alleen deze verklaringen:
De verstrooing is een sanctie op de overmoed van de mensen. Dit is de meest populaire opvatting.
Iets verder zoekt men, als men de verstrooiing ziet als een zet van de Schepper aan de mens om niet symbiotisch op één plek van de aarde te blijven 'plakken', maar om de hele aarde te verkennen en te vullen. Een uitgebreide midrasj voert koning Nimrod in als de dictator, die op Brave New World-achtige manier zijn mensen heeft gedrild tot een uniforme werkmachine; achter de ogenschijnlijke eenheid schuilt dwang, indoctrinatie en onmenselijkheid (2). De verstrooiing is dan de bevrijding uit deze dwangsituatie en de talenverscheidenheid een welkome erkenning van creatief noodzakelijke verschillen.

noten
(1) De Benee Elohiem in dit vers. Daarmee zijn ‘voorname mensen, de elite' mee bedoeld, aldus de Radak (Rabbi David Kimchi, 13 e eeuw, vgl Ex. 22:27), die meldt dat Rabbi Sjimon bar Jochaj zei, dat wie vertaalde ‘zonen van God' vervloekt moest worden; hopelijk is dat de vertalers van de NBG niet overkomen
(2) O.a. Josephus, Antiquities of the Jews

Parashat Bereshiet   Bereshiet/Genesis 1:1-6:8 okt 2015  
Er zij licht en er was licht 

Met de oproep van het licht creëert de Schepper de noodzakelijke voorwaarde voor het vervolg van het scheppen. Bereshiet/Genesis 1: 3-4 ‘ God zei: ‘Er zij licht ' en er was licht . (wa-jomer Elohiem: jehi or)  God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis'
Volgens de letterlijke lezing mogen we aannemen, dat bedoeld is het fysieke licht, dat wij zien. Filoloog en bijbelwetenschapper Umberto Cassuto neemt dit als vanzelfsprekend aan. (1) Hoe is dit te rijmen met de latere schepping van zon en maan (1, 14-19), die toch ook bron van licht zijn en de taak krijgen dag en nacht te markeren? Cassuto in parafrase: eerst is er het fysieke licht zonder meer en worden de dag en nachtfasen in het leven geroepen, later worden het licht en de functie van dag- en nachtmarkering overgedragen op de hemellichamen.
Cassuto meent, dat de traditionele rabbijnse uitleg dat het allereerste licht verborgen werd ten gunste van de rechtvaardigen in de komende wereld niet overeenkomt met de bedoeling van het vers. Inderdaad zal de redacteur van het vers deze interpretatie vermoedelijk niet voor ogen hebben gehad. Toch mogen we onze ogen er niet voor sluiten, dat deze gebeitelde pregnante bijbelwoorden latere generaties geïnspireerd hebben er veel meer in te zien dan het zichtbare licht.

Het woord ‘licht' alleen al roept associaties op, die weliswaar gebaseerd zijn op de eigenschappen van het fysieke licht, maar daar verre boven uitgaan. Licht is het metafoor voor inzicht, wijsheid, inspiratie, liefde. Neem in het Nederlandse spraakgebruik uitdrukkingen als ‘het licht zien', ‘een lichtend voorbeeld' en de term ‘verlichting', die - naast de letterlijke betekenis van ‘voorzien van lichtbronnen (bv straatverlichting)' - merkwaardigerwijs zowel een religieuze betekenis kan hebben en dan duidt op een staat van verheven vrede en diep inzicht, alsook een min of meer antireligieuze strekking heeft als ze duidt op 18-eeuwse omarming van het principe dat de ratio en rationele analyse de enige manier is om waarheid te vinden. Altijd al heeft het begrip ‘licht' een centrale plaats ingenomen in het weergeven van essentiële menselijke ervaring van een sprong naar dieper inzicht en wijsheid. 

Zo hoeft het geen verbazing te wekken, dat het monumentale bijbelvers over de creatie van het licht al bij de vroege rabbijnen ook allegorische en esoterische uitleg heeft gevonden. Het licht van het ‘Er zij licht' is dan niet het fysische licht, want daar zorgt de Eeuwige later voor als hij zon en maan schept op de vierde scheppingsdag. De oude wijzen – met name ook in het kabbalistische grondgeschrift, de Zohar - zagen het ligt van vers 3 als het goddelijke licht van mystieke wijsheid en fundamenteel inzicht, dat de Hij heeft verborgen voor de ‘gewone' mensen en bewaard tot de laatste dagen. (2)
De kabbalisten hebben zeer uitgewerkte uitleggingen over het goddelijk licht. Gangbaar is de opvatting geworden (van R. Isaac Luria) dat dat licht in een aantal dramatische fasen neerdalend grotendeels verborgen is geraakt in omhullende schillen: de materiele wereld zoals die zich manifesteert in onze daagse belevingswereld. (3)
De goddelijke lichtvonken zijn omhuld geraakt door schillen van donkerte. Maar dit licht is niet helemaal verborgen. Het is meer als het zaad, dat in ieder mens kan ontkiemen. De schrijver van de Zohar laat een van zijn personage Rabbi Judah zeggen: 
Als het (licht) volledig verborgen zou zijn zou de wereld geen moment kunnen bestaan! 
Eerder is het verborgen en gezaaid als zaad 
dat zaad laat ontstaan en fruit. 
Zo wordt de wereld bewaard. 
Iedere dag schijnt een straal van dit licht in de wereld 
en zo houdt hij alles in leven, 
want met deze straal voedt de Eeuwige, gezegend zij Hij, de wereld
.(4)
De kabbalist wil deze vonken weer bevrijden en ze opheffen, zodat ze zich weer zich kunnen verenigen met het oorspronkelijk goddelijk geheel. Dit wordt genoemd Tikoen Olam . Op allerlei niveau kan de bevrijding van dit oorspronkelijke licht uit de duistere omhulling gebeuren, van het meest mystieke, individuele, tot het relationele, zelfs materiële globale niveau.
Het licht van Genesis 1, 3 was volgens de Zohar het licht dat David tot zijn psalmen inspireerde, dat Mozes omstraalde toen hij van de Sinai neerdaalde, het licht dat Mozes in staat stelde het hele land Israël van Gilead tot Dan te zien voor hij stierf, het licht dat is gereserveerd voor de rechtvaardigen.
Een ander mystiek commentaar suggereert dat het licht, dat van de brandende doornstruik in Sjemot/Exodus (3, 1-5) naar Moses uitging het oerlicht was van de eerste scheppingsdag, het vuur dat zijn aanhangers verlicht en niet verteert. In die passage wordt het woord doornstruik ( sneh ) vijf keer gebruikt, in Beresjiet (1, 1-5) komt het woord licht ( or ) vijf keer voor; het geschrift stelt die vijf keer doornstruik gelijk met de vijf boeken van de Tora, die op dat moment al aan Mozes werden geopenbaard.(5)

Het krachtigste licht ligt vaak in het diepste donker opgesloten, dat is de paradox. 
In een geestig verhaal uit de moslimtraditie is de wijze dwaas Moella Nasroeddin zijn huissleutel kwijtgeraakt en hij is hem aan het zoeken in het licht van een lantaarn. Iemand komt hem helpen zoeken. Als deze na lang zoeken aan Nasroeddin vraagt
- Heb je de sleutel werkelijk hier verloren? luidt zijn antwoord:
- Nee, maar in het licht zoekt het makkelijker… (6).
We kunnen dit ook op ons zelf betrekken. Ook in onszelf is het sterkste licht, krachtigste energie is opgeslagen en gebonden in het donker, in onze schaduwkant. Het vraagt moed om op weg te gaan om deze schaduwkant te betreden en die donkere kanten (vaak geassocieerd met ‘het slechte', ‘het kwaad') te accepteren, te leren kennen en de daarin gebonden lichtkracht eruit vrij te maken. Vele mythen en sprookjes zijn daaraan gewijd. De lagere weg is de schaduw te bestrijden (St, Joris), de hogere is hem te omarmen en hem te transformeren (de prinses die de draak kust). De lagere weg betekent het tackelen van de primaire passies en driften, de hogere weg vereist het betreden van het donkere innerlijke terrein van de schaduwenergie en het herintegreren van wat daar gaandeweg naar toe is verdrongen en verwrongen. Daar in het donker zoek je liever niet, maar juist daar kan de essentie zijn te vinden.
De grote kunstenaar en architect van de tabernakel heet Betsalel, een naam die meestal vertaald wordt als ‘in de schaduw ( tsel ) van God'. De kabbalist leest er ook in: ‘in de schaduw is God'. 

In wat je zou kunnen noemen wijsheidspoëzie kom je die intuitie, dat wijsheid en waarheid in de donkerte is te vinden herhaaldelijk tegen. Juist waar de oppervlakte van de realiteit barsten vertoont, onze alledaagse doen en laten ons pijnlijk falen openbaart, daar waar we in de donkerte lijken te vallen, daar kan onverwacht licht ontstaan.
De Engelse dichter W.H. Auden dicht in ‘One Evening' (‘As I Walked Out One Evening') (7), dat hij op een mooie avond door de stad loopt als hij door klokgelui in een sombere stemming wordt geworpen:
The glacier knocks in the cupboard,
The desert sighs in the bed,
And the crack in the tea-cup opens
A lane to the land of the dead.
De barst in het theekopje opent een laan naar het duistere land van de doden, een land, waarin blijkens het volgende vers de kinderwereld is verandert in een harde en bizarre realiteit van desillusie. De dichter ziet zijn wanhoop in de spiegel en komt niettemin tot het pijnlijk inzicht, dat hoewel hij geen zegen ervaart het leven toch een zegen is:
You shall love your crooked neighbour With your crooked heart .

Your pain is the breaking of the Shell that encloses your understanding - Jouw pijn is het breken van de schelp, die jouw inzicht bevat – onderwees de poetische Libanese Profeet van Kahlil Gibran (8)

Een niet lang geleden zong dichter/zanger Leonard Cohen nog in de song ‘Anthem':
There is a crack in everything
That's how the light gets in
(8)

Noten

(1) Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Genesis, part one, from Adam to Noah , The Magness Press, Hebrew University, Jerusalem, 1998, p. 26 ev

(1) Rasji ad Beresjiet 1:4 en Beresjiet Rabba III:6

(2) Uitgebreid hierover de controversiële Marc Gafni, die als men critisch leest toch wel behartenswaardige inzichten onder woorden brengt
http://www.marcgafni.com/blog-post-two-light-from-darkness-marc-gafni/

(3) Zohar1: 31b-32a geciteerd in bloemlezing van teksten uit de Zohar met commentaar, ' Zoha  ', translation and introduction by Daniel Chanan Matt, Paulist Press, 1983 ,

(4) Een stelling geopperd in Yalkut Reuveni, geciteerd door Rabbi Judith Abrams z.l. op haar website www.maqom.com, die helaas van internet is verwijderd

(5) ‘De sleutel in het donker', bewerkt door Wim v.d. Zwan, Altamira-Becht, Haarlem, 2000

(6) W.H. Auden, a selection by the author, Penguim Books, 1958, p.33
https://www.poets.org/poetsorg/poem/i-walked-out-one-evening

(7) Kahlil Gibran (1883-1931), The Prophet, Alfred A. Knopf, New York , 2004, p. 52

(8) ‘Anthem' op de CD ‘The Future', 1992
https://www.youtube.com/watch?v=mDTph7mer3I


Ve-zot ha-beracha
Devariem/Deuteronomium 33 en 34
gelezen op Simchat Tora

De parasja We-zot ha-beracha is de laatste parasja van de Tora. Op het komende feest van Simchat Tora wordt deze laatste parasja over de dood van Moshé gelezen en meteen daarna de eerste parasja van de Tora .
De sjabbat die valt in de week van Soekot is een bijzondere sjabbat, sjabbat Chol Hamoed Soekot. Dan wordt in plaats van de te verwachten parsje van de week een paar stukken uit de parasha Ki Tisa gelezen, Exodus/Sjemot 33:12 - 34:26 met als Haftara de beroemde passage uit Jechezkel/Ezechiel over de vallei vol beenderen die weer levend lichaam worden. 
In vele gemeenten wordt ook Kohelet/ Prediker gelezen. 
Vreemd is het dan eigenlijk, dat juist het boek Prediker/Kohelet wordt gelezen, waarin de schrijver – naar men zegt de oude Sjlomo Hamelech (koning Salomo) – zijn vaak sombere visie op het leven geeft. Al naar gelang de eigen geaardheid van de lezer kan men hem een cynicus, een pessimist, een melancholicus, een depressieveling, een relativist of een realist noemen, maar een blije optimist die toch beter bij Soekot zou lijken te passen, is hij toch niet.
Lees daarover verder op mijn website .
Nu verder over de parasja.

de dood van Mosjee

De beschrijving van de laatste gang van Mosjee (Devariem/Deuteronomium 34), weg van het volk, de berg Nevo op, raakt mij altijd weer als ik het lees. Waar hem dat in zit, ik weet het niet. Ik ben sowieso al gevoelig voor sterfscenes en dit is wel de meest klassieke. Buber moet denken "aan een van de edele dieren, die zich van hun kudde verwijderen om alleen te kunnen sterven". Dat zit er ook in, ja.

Het is ook de combinatie van kracht - de laatste wandeling alleen, niet wazig was zijn blik en niet geweken zijn frisheid" (Devariem/Deuteronomium34,7) - en de menselijke smart van het afscheid. De grootsheid van zo'n vol leven, dat een einde neemt. De eenzaamheid die hem zijn hele leven moet hebben omgeven die hier in zijn volheid en naaktheid onthuld lijkt. Het is ook de menselijkheid ondanks de heroieke enscenering van de eenzame bergbeklimming. Mosjee was geen mens zonder zonden, zoals Jezus, hij was toornig als de God van de Tora zelf, geduldig en ongeduldig, bescheiden en autoritair, een welsprekend man met een spraakgebrek, moedig met bange momenten, een profeet maar niet heilig.

Hij stierf al pi Hashem , wat vertaald wordt als ‘volgens het woord van de Eeuwige', ‘op bevel van de Eeuwige', ‘aan de mond van de Eeuwige' etc.
Zijn graf werd geen heilige plek of bedevaartsoord, want niemand wist en weet waar hij begraven is.

Jaarcyclus en historische voortgang

Met de parasja Ve-zot ha-beracha uit het boek Devariem/Deuteronomium is de jaarlijkse lezing van de Tora rond. Maar dit is niet het einde. De cyclus gaat altijd maar door. Meteen begint er een nieuwe ronde met het lezen van de parasja Beresjiet, waarmee de Tora en het boek Beresjiet/Genesis aanvangt.  In de synagoge wordt dat gedaan op de speciale feestdag van Simchat Tora , ‘Vreugde der Wet'. Twee personen uit de gemeente worden uitgekozen om deze twee lezingen te doen. Dat is een speciale koved , eer. De zogenoemde chatan Tora (‘bruidegom van de Tora') leest het laatste stuk uit Devariem en de kalla Tora (‘bruid van de Tora') leest het begin van Beresjiet/Genesis. Op het feest, dat met simcha (blijdschap) wordt gevierd,  haalt men de Torarollen uit de aron hakodesj (heilige ark) en danst ermee rond.

Die altijd maar doorgaande cyclus geldt ook voor de uitleg en commentaren op het boek en zijn parasjot. Het volgend Joodse jaar zullen rabbijnen, voorgangers, geleerden, leergroepen en studenten weer nieuwe interpretaties en commentaren geven, zoals dat in vorige eeuwen is gebeurd en zoals dat in volgende eeuwen ook zal mogen plaats vinden, jaar in jaar uit. In ieder epoch zal in die beschouwingen en uitleggingen weer de geest des tijds en de context van andere omstandigheden doorklinken en zullen nieuwe aspecten oplichten,

In de geschiedenis gaat het verhaal van de Israëlieten ‘longitudinaal' door: het volk staat aan de rivier Jordaan en onder Jehosjoea zullen zij de rivier oversteken. De oversteek over de rivier betekent het verlaten van de mythische grond van de Tora naar het gebied van de concrete geschiedenis. In het boek Jehosjoea begint het geschiedenisboek, het relaas over de omgang van het volk met zijn bijzondere lot, met zijn Tora en met zijn vrienden en vijanden van het politieke moment. Het is een verhaal van dieptepunten en hoogtepunten, van voorspoed en ellende, van hoogtij en laagtij, van opkomst, bloei en verzinken, maar nooit van volkomen teloorgang.
Het volk dat aan de rivier staat, vóór de oversteek naar onbekend gebied en de overgang naar een ongewisse toekomst heeft een prototypische sfeer, die terug te vinden is in alle gemeenschappen die voor een belangrijke lotswisseling staan, voor kardinale beslissingen, die toekomstbepalend zijn.

‘Weest sterk en moedig' – chazak ve-emats – voegt de Eeuwige de nieuwe leider tot driemaal toe (1). Daarmee herhaalt Hij de aanmoediging die eerder Mosjee aan zijn volk en aan zijn opvolger heeft gegeven (2). Een aanmoediging die zich spiegelt aan gelijke woorden, die veel later koning David op zijn oude dag sprak tot zijn zoon Sjlomo (Salomo): ‘Wees sterk en moedig; vrees niet en wees niet verschrikt'. In hoeveel tijden en hoe vaak zullen deze en dergelijke woorden niet innerlijk zijn herhaald of naar anderen zijn uitgesproken?

Het is een aanmoediging, die we eigenlijk allemaal ter harte kunnen nemen, wanneer we in het leven grote stappen moeten nemen of voor de overgang staan naar een nieuwe levensfase:'wees sterk en moedig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Eeuwige, je God, staat je bij.' (4). Of voor hen die het godswoord liever vermijden: 'wees sterk en moedig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, een grotere kracht dan jij draagt je en staat je bij'. Als je je er voor openstelt, zou ik eraan willen toevoegen.

noten

(1) Jehosjoea 1:6 en 8 en 9
(2) Devariem/Deuteronomium 31:7 en 31:23.
(3) 1 Divree Hajamiem/Kronieken 22:13 and 28:20
(4) Jehosjoea 1: 9, vrij naar NBV



Parashat Haäzinoe
Devariem/Deuteronomium 32:1–52
Een poëtische laatste oproep

De parasja

In de vorige parasja Wajelech heeft Mosjee een vergezicht gehad op de ooit komende afvalligheid van de Israëlieten; in verband daarmee kreeg hij een gedicht ingegeven met de bedoeling om het aan het volk voor te dragen, een epische vermaning om de catastrofe van de verre toekomst te keren, een machtige dichterlijke poging van de terminale leider om over zijn graf heen invloed uit te oefenen op de koers van zijn geliefde maar lastige volk. De parasja Ha'azinoe (‘Hoort!')bestaat grotendeels uit deze poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanenzang. Die bestaat uit vijf episoden (1).
De eerste is een korte aanhef, waarbij hemel en aarde als getuigen worden aangeroepen.
De tweede episode brengt in herinnering dat de Eeuwige Israël als Zijn volk heeft gekozen en dat Hij dit volk Zijn bijzondere bescherming zal geven: ‘Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt'. Daarna volgt in de tekst dan een schets van een fase van voorspoed waarin Jesjoeroen (=Israël.(2)) vadsig en vet wordt, het verzadigd raakt, dik en rond wordt.
Dan volgt de derde episode: het volk, vadsig en vet geworden, loopt weg van zijn schepper, versmaadt zijn stut en steun, zijn rots. De vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk. Ballingschap ( galoet ) en diaspora zullen zich gaan afspelen Eerder in Devariem/Deuteronomium werd eveneens het beeld van de arend gebruikt, in dat geval als agressieve aanvaller: (28:49): 'Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt'. Maar eerder zagen we weer de zorgzame arend in Sjemot Exodus 19:4: ‘Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht'. (3)
Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden breekt een vierde episode aan, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen uitoefent, in lyrische beelden beschreven. Het motief dat voor deze wending wordt geschilderd is niet zozeer een hernieuwde compassie met het geteisterde Israel als wel de aantasting van de reputatie van de Eeuwige, die op het spel staat. De vijanden van Israël mogen niet misleid worden en hun overwinning op het arme volk aan zich zelf toeschrijven, blind voor het feit, dat hier sprake is van de wil en de hand van de God van Israël. De redenering doet denken aan het argument waarmee Mosjee God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf geen prooi van vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?"' In andere passages in Dewariem/Deuteronomium wordt als motivatie genoemd de compassie van de Eeuwige als antwoord op ommekeer, Dat spreekt mij en misschien ook u meer aan (4).
Ten slotte, in de vierde episode wordt de almacht van de Eeuwige nog eens breed uitgemeten.
Als de recitatie van het gedicht is afgelopen krijgt Mosjee te horen, dat hij nu de berg Nevo zal moeten gaan beklimmen om er te sterven; daarmee eindigt de parasja.

Wie heeft de schuld?

In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds de keuze door die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of God en zijn geboden af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor afval de vreselijkste rampspoeden, die herhaaldelijk en ook nu weer in geuren en kleuren beschreven worden. Steeds is Mosjee 's boodschap daarbij, dat, als het verkeerd gaat, het niet aan God ligt. De termen en beelden van het leerdicht ‘Ha'azinoe', zijn straf en krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Wanneer we door de epische terminologie van God als almachtige oorlogsvorst – in die tijd gebruikelijk – heenkijken en zo ons best doen om een betekenis voor ons te ontwaren, dan horen we een oproep, die steeds weer opnieuw klinkt - de laatste dag van Mosjee is steeds de dag van nu, vandaag, hajom - : een herinnering, gekleed in heftige lyriek, een herinnering aan de mogelijkheid tot vrijheid die de mens heeft en een oproep die vrijheid te gebruiken voor verantwoordelijkheid.
Rabbijn Jonathan Sacks zegt (4) iets belangrijks; daarbij vraag ik aan de niet-God-gelovigen en aan de meer het woord God liever vermijdenden (zoals ik) de ‘Gods-taal' van de rabbijn voor lief te nemen en naar de essentie te gaan (vertaling door mij, cursief in origineel):
‘Het is de macht van de hoop, die geboren wordt, als Gods liefde en vergiffenis zich verbinden met de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Het is die macht, die het Jodendom heeft gemaakt tot de morele kracht, die het altijd is geweest voor mensen met een open hart en geest. Maar die hoop, zegt Mosjee met een passie die ons bijna zeer doet, als we die opnieuw op ons in laten werken, die hoop gebeurt niet zomaar. Er moet voor gewerkt worden, hij moet worden gewonnen. De enige manier, waarop dat wordt gerealiseerd is door  niet God de schuld te geven . Als wij een betere wereld willen, moeten wij die maken. God onderwijst ons, inspireert ons, vergeeft ons wanneer wij falen en tilt ons op als wij vallen, maar wij moeten het doen. Het is niet wat God doet voor ons, dat ons transformeert; het is wat wij doen voor God.'

noten
(1) Zie ook: Gunter Plaut (ed),The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981, p
(2) Jesjoeroen, poetische naam voor Israel, hier voor het eerst genoemd; volgens Ibn Ezra afgeleid van ‘jashar', recht(op), rechtvaardig
(3) Zie de aantekening van Rasji bij de arend van Devariem/Deuteronomium 32:11; hij verklaart, dat het unieke van de arend is dat hij als enige vogel de jongen niet in zijn klauwen draagt maar op zijn rug, want de enige dreiging voor het hoogvliegende dier komt van beneden, van de pijlen van de mens. Hij meent dan dat dit speciaal slaat op de wolk van de Eeuwige, die zich beschermend plaatste tussen de pijlen van de achtervolgende Egyptenaren vlogen naar de Israelieten op weg naar de Rietzee. Zie ook Mechilta de Rabbi Yishmael perek 19:4. Overigens is het biologisch gezien niet bewezen dat de arend de jongen op zin rug draagt, mogelijk is het gezichtsbedrog als in de verre hoogten de arend beschermend over zijn jongen zweeft bij hun eerste vlucht.
(3)Bijv. Devariem/Deuteronomium 30:2 ev. (NBG): ‘(...) dan zal de Hasjem, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen', we sjav Hasjem elochecha et sjewoetcha we rachamecha.
(4) http://www.rabbisacks.org/haazinu-5774-leaders-call-responsibility/
Lees ook zijn discussie in zijn commentaar van 2015/5776

Parasha Wajelech   Devariem/Deuteronomium 31:1-30
Tesjoeva 

Deze sjabbat wordt Sjabbat Sjoeva (terugkeer) genoemd en valt in de week tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer. Het zijn de dagen van inkeer, waarin je rekenschap geeft over je daden en nalaten van afgelopen jaar.  Kan je door ommekeer – tesjoeva – je verleden beïnvloeden?

Als je kon tijdreizen, wat zou u dan vertellen aan de jongen, het meisje, de adolescent, die jongeman of jonge vrouw dat je ooit was?  Welk verhaal zou je hem of haar vertellen? Fijne dingen, vreselijke dingen, hoogtepunten, dieptepunten? Ligt dat verhaal vast en nemen gedane zaken geen keer?

In boek en film is het geen probleem, tijdreizen en ingrijpen in het verleden. Het fenomeen heeft ons altijd gefascineerd. Science fiction bloeit dank zij dit thema en films die de tijd  als bereisbaar medium exploiteren zijn heel populair, denk maar aan Back to the future, The Terminator. 

Maar in feite kan het natuurlijk niet. Niet in fysieke zin.

Toch is er wel een mogelijkheid om de tijd te omzeilen. En op een bepaalde manier in te grijpen in het verleden. Dat kan via het wonderlijke proces van Tesjoeva. Tesjoeva brengt met zich mee, dat ik in de geest op bezoek ga in het verleden.

Het verleden is hier en nu vooral bij mij in de vorm van het verhaal, dat ik mijzelf over mijn leven vertel.  Dat verhaal is niet onveranderlijk en het varieert naarmate de levensloop vordert. Maar vaak bevat het constanten, die het leven innerlijk en in de omgang met anderen belemmeren. Het proces van Tesjoeva begint met een krachtig wilsbesluit om afstand te nemen van de verhalen die ik steeds maar aan mijzelf herhaal. Ik ga de stellingen bekijken, waarin ik me heb ingegraven, de harde oordelen onderzoeken, die ik gekoesterd heb naar mijzelf en niet zelden ook naar anderen. Ik ga de pijnlijke wendingen in het verhaal nog eens bekijken, de emotionele episodes, de terugkerende impasses, punten waarin ik steeds vastloop, de gebeurtenissen waarin ik heb gefaald, of waarvan ik vind dat een ander heeft gefaald. Hoe pijnlijk kan dat verhaal zijn? De vraag is: kan ik boven mezelf uitstijgen, boven dat verhaal uit komen? Kan ik het oude verhaal im frage stellen, kan ik het loslaten en ben ik in staat te vergeven en vergeving te ontvangen? Ja, be-ezrat Hasjem , is het mogelijk in een diepgaande wending van de ziel voorbije gebeurtenissen, daden, instellingen onder ogen te zien, te onderzoeken en te berouwen en te vergeven. In dat proces van afstand, berouw, vergeving en verzoening kunnen aan zaken uit het verleden nieuwe betekenissen ontspruiten. Lichtpunten komen op. Andere definities gaan opdoemen, een nieuw verhaal ontstaat, dat doorwerkt in het heden op een nieuwe manier, dat openingen biedt, je toekomst een nieuwe perspectief geeft en je daden een nieuwe richting.  Je weet weer wat je te doen staat. 

In de Talmoed zijn uitspraken te vinden die die krachtige mogelijkheid om de betekenissen en de waarderingen uit het verleden te veranderen illustreren en ondersteunen. 

In het tractaat Joma (1) discussiëren de Rabbijnen over de grootheid van Tesjoeva. Rabbi Resj Lakisj - een van de wijzen uit de derde eeuw van de westerse jaartelling - zegt: 
Groot is Tesjoeva: zelfs de verkeerde daden, die met opzet zijn gedaan worden dan beschouwd als niet opzettelijk. Even later gaat hij zelfs nog een stap verder: groot is Tesjoeva, zo zelfs dat opzettelijke daden als verdiensten beschouwd gaan worden. Dat is opmerkelijk: wat ooit verkeerde daden waren worden bij ommekeer met terugwerkende kracht in een nieuw licht beschouwd en ze worden niet meer aangerekend, maar zelfs getransformeerd tot verdiensten. Die laatste grote sprong geldt overigens alleen voor wie ommekeer doet uit liefde. 

Rabbi Resj Lakisj mag daarover meepraten, want voor zijn ommekeer en transformatie tot een der grootste Talmoedrabbijnen was hij  - zo zegt de overlevering - gladiator en struikrover. 

Hoe kan dat alles, hoe kan het verleden van gedaante veranderen? 

De midrasj zegt: voordat de Schepper de wereld schiep was er al Tesjoeva. De Eeuwige kon de wereld niet laten bestaan zonder eerst de mogelijkheid van Tesjoeva in het leven te hebben geroepen. Misschien is Tesjoeva op te vatten als een dimensie die buiten de tijd staat. Ergens in ons wezen, via de ziel, de nesjama , hebben wij toegang tot die buitendimensionele plek - misschien mag je zeggen: tot een transcendente ruimte - , waar de hervormende kracht van Tesjoeva werkzaam is. Als een gouden draad loopt hij eigenlijk door ieder moment van ons leven. Wanneer we onszelf onderzoeken en heroriënteren op ons leven staat die mysterieuze beschikbaarheid, die ons te boven gaat, open en hebben wij de kans om het verleden als het ware te herschikken en te herlezen tot een nieuw verhaal.

Dan begrijp ik opeens deze passage van de 20ste-eeuwse Joodse filosoof Emmanuel Levinas, die ik weergeef in een vrije bewerking: 

Vergeten raakt niet de werkelijkheid van het vergeten gebeuren. Maar er is een kracht, sterker dan het vergeten en dat is vergeving: krachtiger dan vergeten werkt vergeving in op het verleden. Het herhaalt op een of andere manier de gebeurtenis in een loutering er van. Het vergeten vernietigt de relaties met het verleden, terwijl de vergeving het vergeven verleden in het gelouterde heden bewaart. Het schepsel dat vergeven is, is niet een onschuldig schepsel. De onschuld is niet te stellen boven de vergeving. Het verschil tussen onschuld en vergeving is waar te nemen in het vreemde geluk van de verzoening, wat men wel noemt: de felix culpa , ‘gelukkige schuld', een dagelijks ervaringsfeit. Aldus Levinas (3).

noten
(1) Talmoed Joma 86a
(2) Talmoed Pesachiem 54a
(3) Emmanuel Levinas, De totaliteit en het Oneindige, Ambo, p. 345

Parasjat Nitsaviem Devariem/Deuteronomium. 29:9–30:20     
Ommekeer 

Meestal wordt de parasja Nitsaviem gecombineerd met de volgende parasja Vajelech in verband met de eigenaardigheden van de Joodse kalender. Dit jaar is een Joods schrikkeljaar en dan biedt de gang van de kalender ruimte voor een aparte lezing. Die valt nu op de sjabbat vlak voor het begin van het Joodse Nieuwjaar, Rosj Hasjana

Naast de zwarte paragrafen over de komende kwellingen en verbanningen zoals vooral in de vorige parasja Ki tavo, staan in deze parasja Nitsaviem ook enkele gouden pesoekiem , die uiteindelijk een messiaans vergezicht beloven. Onze twijfel over een predestinerende en regisserende almachtige godheid zetten we even opzij om ons te laten meevoeren door de messiaanse noot die hier wordt aangeslagen (nog versterkt door het begin van de haftara, Jeshajahoe 61:10 ev). Devariem 30 1-3: ‘Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de Eeuwige, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt en samen met uw kinderen naar de Eeuwige, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, dan zal de Eeuwige, uw God, in uw lot een ommekeer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen.  We laten de brisante vraag of deze passage een geopolitieke betekenis heeft graag voor dit moment in het midden. We richten ons op de spiritueel-psychologische dimensie.

De grote ommekeer, is dat niet wat we in ons hart steeds wensen? Spiegelt dat niet diep in ons een verlangen, dat een grote ommekeer ook in ons eigen leven zal plaatsvinden? Iedere dag doen we al of niet onze geringe pogingen om dat naderbij te brengen. Laten we de kijker eens richten op het persoonlijk niveau van ons dagelijks leven.  
De tijd tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer is daar speciaal aan gewijd: een samengebalde onderneming om Tesjoeva, een grote ommekeer teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons heen.  
Een van de grote thema's daarbij is vergeving. We vragen aan onze familieleden, vrienden, collega's en misschien wel vijanden vergeving om wat we hun hebben aangedaan. En we smeken vergeving af aan de Altijdzijnde. Maar het is mij opgevallen dat er weinig gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór ons aan anderen naar aanleiding van wat ons door die anderen is aangedaan. Feitelijk is dit – het vergeven door mij aan anderen – toch ook een vorm van navolging van de Eeuwige (imitatio Dei). Mozes Cordovero heeft dit uitgewerkt in zijn ‘Palmboom van Devora', waarin hij oproept tot een uiterste vergevingsgezindheid als navolging van de vergevingsgezindheid zoals die beschreven is als attribuut van de Eeuwige in Exodus 34:6,7, regels die wij deze dagen meerdere keren zingen.

Wat ons is aangedaan door anderen: dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld, verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen en collega's.  
”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn partner heeft me verraden”. Ga zo maar door. Een half leven lang kan je met wrok blijven rondlopen. Soms was de behandeling of daad aan jou gedaan inderdaad onterecht, soms kan er sprake zijn van projectie van jouw gevoelens van boosheid of verdriet op anderen als gevolg van kwetsuren opgedaan in eerdere misstanden. In beide gevallen kunnen we door onze wrok, kwaadheid of door ons lijden terechtkomen in een slachtofferpositie. De pijn die eronder ligt schrikt ons af. Die zee van pijn, daar willen we niet aan. Toch is dat nodig.  
De fasering is: je losmaken van je wrok of lijden of boosheid, er een onthechtende sprong vanaf gaan staan, schouwen in jezelf en de pijn aangaan. Want dan is er ruimte geschapen voor de volgende stap: om de mens in de ander te zien en hem of haar vergeving te schenken. Dan ontstaat er nieuwe ruimte waarin weer het licht kan binnenvallen. Die ander hoeft het misschien niet eens te weten, dat je hebt vergeven. Vergeven doe je voor jezelf in de eerste plaats en de anderen in je omgeving zullen er volop van mee profiteren, als jij je hebt ontdaan van een zware last. Je wordt een lichter mens en onbespreekbare zaken worden wellicht bespreekbaar.  
Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen om in jezelf te duiken en te kijken welke stukken van wrok, slachtofferschap, onverzoenlijkheid er in jou schuilen, die vernieuwing en verlichting van geest en ziel tegenhouden.  
Moge een goed en zoet jaar voor jou zijn weggegelegd; sjana tova oemetoeka tichtevoe!

Parasjat Ki Tavo Devariem/ Deuteronomium /  26:1–29:8
Een sterk narratief

Voorpublicatie uit   REIZEN DOOR DE TORA , DEEL II,  
LEVITICUS, NUMERI EN DEUTERONOMIUM  


Het grootste deel van de parasja Ki Tavo beslaat uit de lange reeks vervloekingen over rampen, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam Tochacha gekregen, ‘vermaning'. We zouden bijna vergeten, dat de parasja ook essentiële zegeningen bevat (Devariem/Deuteronomium 28:1-15) en heel feestelijk begint met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem (Devariem/ Deuteronomium 26:1 ev).
Pasoek (vers)26: 1:  ‘En wanneer u in het land komt dat de Eeuwige, uw God, u als erfelijk bezit geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het zó zijn dat u van de eerstelingen neemt van alle vruchten van het land, die u binnenhaalt van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft; en u moet die in een korf leggen en naar de plaats gaan die de Eeuwige, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen'  (die plaats is dus Jeruzalem).
In de Misjna, in het tractaat Bikkoeriem, ‘eerstelingen', staan de plechtigheden uitgebreider beschreven, een tafereel dat speelde in de eerste eeuw van de gewone jaartelling (1):
‘Wie dichtbij woonde bracht verse vijgen en druiven, zij die ver weg woonden brachten gedroogde vijgen en rozijnen mee. Een os met horens bekleed met goud en een krans van olijven op zijn kop liep vooruit. Voor hen uit werd de fluit bespeeld tot ze bij Jeruzalem kwamen. En als ze vlakbij Jeruzalem waren zonden ze boodschappers vooruit en versierden ze hun eerstelingen. De gouverneur en de hoofden en de schatbewaarders (van de tempel) gingen naar buiten  hen tegemoet. Overeenkomstig de rang van de aankomers gingen ze uit. Alle bedreven ambachtslieden van Jeruzalem stonden dan voor hen op en begroetten hen: “Broeders, mannen van die en die plaats, we zijn verheugd jullie welkom te heten”. De fluit speelde voor hen uit tot ze bij de tempelberg kwamen. En als ze bij de tempelberg kwamen nam zelfs koning Agrippa  een mand op zijn schouders en liep mee tot de tempelhof. Bij de nadering van de hof zongen de levieten het lied: “Ik prijs u , O Heer, want u hebt mij opgeheven en hebt niet toegelaten, dat mijn vijanden zich over mij verheugden”'.
Stel je eens voor, die optocht over de heuvels van Judea, stoeten mensen met mooi gedecoreerde korven met vruchten op de schouders of op het hoofd, de stoere os voorop met gouden horens en de kop met bloemenkransen gekroond, samen met de fluitspelers, terwijl de imposante  muren van Jeruzalem in zicht komen.
Na het overhandigen van de korven met fruit aan de priesters bij de tempel  moest de overhandiger zeggen (Devariem/ Deuteronomium 26:4-11):  ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. Toen klaagden we de Eeuwige, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. En de Eeuwige bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen.   Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing.  Eeuwige, hierbij breng ik u de eerste opbrengst van het land dat u me gegeven hebt.'
Daarna volgde een feestelijke maaltijd.
Deze formule, de  widoei bikkoerim ,  is eigenlijk heel bijzonder. Waar van oudsher de omwonende volkeren de vruchten van het land wijdden aan vruchtbaarheidsgodinnen en mythologische godheden, memoreert de Israëlitische landbouwer de geschiedenis van zijn volk, de kennismaking met die ene onzichtbare God en de uitredding door Zijn machtige interventie;  de geschiedenis is hier samengevat in een notendop, een kernachtiger formulering is niet denkbaar. Het is één van de vele reminders, die in Devariem en de Tora in zijn geheel zijn ingebouwd om het volk van Israël te herinneren aan zijn afkomst, aan het proces van slavernij naar bevrijding en zijn roeping een samenleving te vormen, die geordend is naar principes van gerechtigheid en omzien naar de ander, zoals geschreven  en geopenbaard in de woorden van de Ene.
Israël wordt wel genoemd het volk van het boek; het zijn de woorden van een boek, de Tora, de Tanach, die het volk door de geschiedenis heen heeft bijeengehouden en gedragen. In moderne bewoordingen gesteld zou je kunnen zeggen dat het Joodse volk een sterk ‘narrative' (narratief)heeft, anders gezegd: een verhaal, dat een kader van samenhangende betekenissen heeft, die een basis vormen onder en zin geven aan het bestaan van een volk, en in potentie aan ieder lid van dat volk.
De nadruk ligt dan ook niet voor niets op de plicht om van ouders op kinderen, van generatie op generatie, le-dor wa-dor , de kern van dat narratief door te geven.
Zij die de seider (rituele maaltijd op Pesach) vieren herkennen deze woorden van Devariem 26:4-11; zij vormen het centrale gedeelte van het dan hervertelde Pesachverhaal over de uittocht uit Egypte, zoals samengevat in het speciale tekstboek voor die Pesach maaltijd, de Hagada . Al eeuwen worden ieder jaar in duizenden Joodse gezinnen en gezelschappen deze woorden, die beginnen met de zwervende Arameeër (naar mijn stellige idee wordt geduid op: Avraham) en zijn geschiedenis, weer gesproken. (2)

noten
(1) Misjna Bikkoeriem 3:3 en 4
(2) Voor dit commentaar heb ik mij mede laten inspireren door het commentaar van Rabbijn  Jonathan Sacks  (www.rabbijsacks.org) uit het jaar 2013 en enkele passages uit Simon Schama: De geschiedenis van de Joden, Deel 1: De woorden vinden, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 4 e druk, 2014, passim

Parasjat Ki Tetsee Devariem/Deuteronomium 21:10 tot 26  
Verafschuw de Egyptenaar niet!  

Deze parasja Ki Tetsee gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken. Daarnaast zijn nog tal van andere zaken aan de orde. 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasja, de meeste van alle parasjot.  
Het is goed te beseffen: het zijn bepalingen die drieduizend jaar geleden zijn geschreven, in de grond weliswaar ingegeven door een diepgaande inspiratie en de omliggende Semitische wereld ver vooruit, maar toch ook getekend door de situatie van een semi-nomadische maatschappij van zoveel eeuwen her.  Er zijn passages die ons verlicht aandoen. De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen maar de moedervogel moet laten vliegen, één van de bepalingen die zijn uitgewerkt tot het leerstuk over diervriendelijkheid ( Tzaär baälee chajiem) . Anderen roepen vanuit het huidige tijdsgewricht bij de moderne humanistisch georiënteerde mens weerstand op. De bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. De wrede, in moderne ogen disproportionele sancties.

Latere rabbijnse uitleggingen hebben vele scherpe kanten van striktheid en wreedheid er vanaf geslepen, maar de vraag blijft iedere generatie: hoe moeten we er in Gods naam de dag van vandaag mee omgaan? Hoe begrijpen wij het intrinsieke eeuwige moment van de inspiratie, waarmee ook aan ons nog steeds iets gezegd en geboden wil zijn en hoe kunnen wij het drieduizend jaar oude stof van geschiedenis en de contingentie van het menselijk psychisme van het zo lang geleden moment ervan af schudden?

Ik denk, dat het helpt om de diverse bepalingen te zien, niet zozeer naar hun letterlijke inhoud als wel naar de intrinsieke waarden, waaruit zij voorvloeien en waarvan zij een door de historie gedetermineerde ‘operationalisatie' zijn.  
Zo getuigen de – voor die tijd revolutionair vooruitstrevende - bepalingen rond de mooie vrouw, die door de man als krijgsgevangene wordt meegevoerd en begeerd, van het streven impulsieve wreedheid aan banden te leggen en respect voor de weerloze mens te tonen ( Devariem/Deuteronomium 21:11-14). Het zijn regels die in vele regionen van de wereld ook nu nog hun nut zouden hebben.  
Opmerkelijk zijn de geboden om de Edomiet en de Egyptenaar niet te verafschuwen ( Devariem/Deuteronomium 23:8, 9). Het derde geslacht mag zelfs tot de gemeenschap van Israel toetreden. De Egyptenaar heeft ondanks alle latere wrede onderdrukking het volk van de hongersnood gered en woonplaats gegeven en de Edomiet is een afstammeling van de broer van Jaäkov, Esav. Als we de bepalingen uit Devariem hfst. 2 in herinnering brengen, dan waren ook de Moabieten en Ammonieten gevrijwaard van de veroveringsdrang van de Israëlieten; ze waren immers afstammelingen van Esav, respectievelijk Lot, de neef van Avraham.   Rabbijn Sacks   wijst er in zijn commentaar op, dat deze geboden oproepen tot een houding van verzoening met de onderdrukker van ooit en tot een wil niet te volharden in haat tegenover de vroegere vijand. Ook inzake non-discriminatie van huidskleur bevatten de geschriften opmerkelijke bepalingen. Zo neemt Mosjee een Koesjitische (andere vertaling NBV Nubische) tot vrouw. Mosjee's zuster Mirjam is daar niet gelukkig mee (Bemidbar/Numeri 12:1) en wordt bestraft wegens haar vooroordeel (volgens een mogelijke uitleg), over deze donker getinte (trouwens ook niet Israelitische) vrouw. De grenzen waren toen nog niet zo nauw getrokken. In Sjier Hasjiriem (het Hooglied) is de verliefde vrouwelijke zanger zelfs ‘zwart en mooi', sjechora ani ve-nava (Sjier Hasjieriem 1:5).  
Rabbijn Sacks ziet in de Mosjee van deze parasja een voorstander van het opgeven van haat en een oproeper tot vrede en verzoening. Binnen de grenzen van de Tora is deze leider tolerant, ruimhartig en verzoeningsgezind. Graag ga ik daarin met de rabbijn mee, zeker als ik vermoed, dat hij daarbij de toestand in het Midden-Oosten rond Israel daarbij in gedachte had. Wil je nog meer tot verzoening oproepende voorbeelden uit de Tora, denk dan aan de iconische verzoeningsscene van Jaäkov en Esav, die Jaäkov haatte, maar Esav snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem; en zij huilden   (Beresjiet/Genesis 33:4). Een generatie daarvoor hadden Jisjmaël, de voorvader van de Arabieren, en zijn halfbroer Jitschak samen hun vader Avraham begraven in de grot van Machpela (Beresjiet/Genesis 25: 9).  

Dat alles neemt niet weg, dat de parasja besluit met een slotakkoord van juist onverzoenlijkheid.  
Het volk van Amalek, dat verraderlijk ooit de achterhoede van vrouwen en verzwakten aanviel toen het net aan de Egyptenaren ontsnapte volk van Israel de woestijn had betreden ( Sjemot /Exodus17:14-16   )   , dat volk moet worden vernietigd, de gedachtenis aan Amalek moet van onder de hemel worden uitgewist. Vergeet het niet!(Devariem/Deuteronomium 25:19). Amalek zal de eeuwige vijand van alle generaties en alle tijden zijn. Of dat nu nog geldt? Het is één van de bepalingen die tegen zich zelf is gaan werken, hoe daar ben ik elders op ingegaan (zie   Amalek, eeuwige vijand, stereotype of archetype   ).  

Een groot deel van de bepalingen getuigen van waarden als naastenhulp, burgerzin, omzien naar de armen, veiligheid, respect voor dieren en zo meer.  
Veel is gereguleerd – vaak met strenge of zelfs kapitale bestraffingen - omtrent moraliteit in het huwelijk, binnen- en buitenechtelijke seksuele omgang en de positie van de vrouw daarin. Het wekt de indruk, dat eer, taboe op de geslachtsorganen en het belang van procreatie een prominente rol spelen, een rol, die in westerse zo sterk veranderde industriële, kapitalistische en technologisch ontwikkelde samenlevingen, waarin het begrip seksualiteit zijn intrede heeft gedaan, niet meer aanspreekt en geen toepassing meer vindt (koranistische, vaak nog strengere, varianten worden in (ultra)orthodoxe islamistische kringen nog wel degelijk letterlijk genomen en gepraktiseerd). Toch zouden de onderliggende waarden van loyaliteit in het huwelijk, een zekere mate van schaamte en terughoudendheid in uiterlijk erotisch vertoon een woordje meer mogen meespreken. In een   ander commentaar   op deze parasja heb ik daar meer over geschreven.  

Herzien sept 2016

Voorpublicatie uit REIZEN DOOR DE TORA , DEEL II,
LEVITICUS, NUMERI EN DEUTERONOMIUM


Parasjat Sjoftiem   Devariem / Deuteronomium 16:18 - 21:9  
Rechtvaardigheid

De parasja start met voorschriften rond recht en rechtvaardigheid, Devariem 18-20: 
De maatschappij staat of valt met een stabiel rechtssysteem en een integere rechtspraak; niet voor niets luidt Devariem 20: ‘rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven, opdat je zal leven en het land zal bezitten', tsedek, tsedek tirdof 

We gaan dieper in op deze uitspraak . 
Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven,  tsedek, tsedek tirdof
Waarom staat er tweemaal tsedek?
De Dasberg vertaling luidt: 'Alleen maar rechtvaardigheid moet je nastreven.' Dit doet de herhaling geen recht en is ook niet helemaal juist, lijkt mij. Rasji beschouwt deze zin als geschreven voor de procesvoerders en leest erin: zoek het best denkbare college op, het beste beet din
Op zich spreekt dat wel aan: voor jouw zaak wil je de beste advocaten en de beste rechters, voor jouw operatie het beste ziekenhuis. Maar met alle respect voor de heldere en nuchtere Middeleeuwse meester: er zit in dit tsedek tsedek tirdof toch méér.

Dit citaat, uit de Talmoed, Sanhedrin 32b werpt een origineel licht: 
(vertaald uit het Engels) 
‘ Er is geleerd: rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zal je nastreven. 
De eerste rechtvaardigheid duidt op een beslissing gebaseerd op het strikte recht. 
De tweede rechtvaardigheid duidt op een compromis. Hoe dat zo?
Als twee boten elkaar op de rivier tegenkomen en ze allebei tegelijk willen passeren zullen allebei zinken. Als er een ruimte maakt voor de ander kunnen ze beiden verder. 
Evenzo als twee kamelen elkaar ontmoeten bij het beklimmen van de helling naar Beet Horon. 
Als ze beiden tegelijk willen klimmen, zullen ze vallen. Maar als de een na de ander klimt, kunnen ze beiden veilig naar boven. Hoe moet dat dan? Als de één is beladen en de ander onbeladen, moet de laatste de een voor laten gaan. Als de één dichter bij huis is dan de ander, moet de eerste de laatste voor laten gaan. Als ze allebei even ver van huis zijn, maak dan een compromis, waarbij degene die voorgaat de ander compenseert'.

Wat deze passage onder meer goed illustreert is dat rechtvaardigheid een essentiële waarde is, die zijn oorsprong vindt in de menselijke ontmoeting. Rechtvaardigheid ontstaat in relatie en maakt haar ook mogelijk. De kapiteins op de twee boten en de twee kamelendrijvers kunnen of alleen vóór zich zelf gaan of oog hebben voor elkaars belang. Ze moeten elkaar letterlijk in de ogen hebben gezien en hebben gesproken en misschien hebben ze een gebaar gemaakt, signalen gewisself; ze hebben iets afgesproken. 
Al lang geleden is ons samenleven geformaliseerd in een sociaal contract en een rechtssysteem, maar daar houdt het natuurlijk niet op; ook daarbuiten ons is ons samenleven doortokken van de opdracht rechtvaardigheid na te streven.

Zonder rechtvaardigheid kan het samenleven met elkaar niet bestaan, veilig zijn en niet tot bloei komen. Rechtvaardigheid heft ons op uit het geweld, de anarchie, de willekeur, de chaos, in zekere zin de hel zou je kunnen zeggen. 
Misschien kunnen we meegaan met Levinas en ik waag mijn poging tot begrip van deze moeilijke maar essentiële en intense Joodse filosoof onder deze woorden te vatten: 
Rechtvaardigheid gaat vooraf aan alle filosofie en wetenschap; het is niet het product van rationeel overleg of de conclusie van een gedegen sociale analyse. Het gaat daar aan vooraf. Als ik afzie van mijn vruchteloze pogingen de wereld en de ander te domineren, te manipuleren en te controleren dan komt de rechtvaardigheid mij tegemoet uit het gelaat van mijn naaste als een onontkoombaar appel, zeg maar een gebod. Daar - op dat tussenmenselijke veld - begint het uiteindelijk allemaal.

Zoiets bespeur ik ook in de woorden Tsedek, Tsedek, die herhaling maakt deze uitspraak ook tot een dringend appel, zo moeten we het denk ik ook opvatten. Streef rechtvaardigheid na bóven alles. Als een van de weinige geboden vermeldt de uitspraak in Devariem meteen een positieve consequentie, zeg maar voor het moment even: een beloning: ‘zodat je zal leven en het land zal bezitten'. 
Als we het appel van de rechtvaardigheid niet horen, zal het uiteindelijk uitlopen op ontworteling, vervreemding, ontheemding, geweld, oorlog. En dat misschien van het meest innerlijke, persoonlijke niveau tot het maatschappelijke, zelfs internationale en mondiale niveau. Het geldt voor onze relaties, onze familie, voor Nederland, voor Israël, voor de wereld.

Ik kwam dit vers van Jesaja (32, 17-18) tegen, dat een gelijke strekking heeft alleen met een meer profetische, zeg maar utopische aankleding: ‘ Het gevolg van rechtvaardigheid zal vrede zijn en de uitwerking van rechtvaardigheid zal rust zijn en vrede voor altijd. En mijn volk zal wonen in oorden van vrede en in veilige woningen en op onbekommerde rustplaatsen'.
Moge dat zo zijn en worden

Parasjat Reëe Devariem /Deuteronomium 11:26–16:17ë

Vlees 

De aanwijzing van Jeruzalem als enige plaats voor het brengen van offers, het aanbieden van eerstelingen, het vieren van de heilige feesten etc. bracht een moeilijkheid met zich mee, die moest worden opgelost: hoe het slachten van dieren voor de vleesconsumptie te regelen. Want tijdens de reis door de woestijn was het eten van vlees altijd verbonden met de offers van gewijde dieren. Wilde men vlees eten, dan moest een dier ter wijding aan de priesters worden aangeboden, die het dan slachtten,  offerden en dan hun deel kregen. Daarna kon de familie pas aan het eten van hun deel beginnen. Maar nu de offers alleen in Jeruzalem plaatsvinden wonen velen te ver om deze procedure te volgen en deze mensen krijgen dispensatie: Wanneer de Ene, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij tot u gesproken heeft, en u zegt: Ik wil vlees eten, omdat uw ziel ernaar verlangt om vlees te eten, dan mag u naar het volle verlangen van uw ziel vlees eten(Devariem/Deuteronomium 12: 20 ev). 

Het is interessant hoe de mysticus Rav Kook ( Rabbi Abraham Isaac Hakohen Kook (1865-1935) deze passage heeft opgevat. Hij hoorde namelijk in de wijze van formulering van deze zinsneden een licht verwijt doorklinken; met enige tegenzin stond de Ene het eten van vlees toe. Dit was een concessie aan de mensen gedaan om erger bloedvergieten onder elkaar te voorkomen. Oorspronkelijk was de mens vegetariër, immers er staat in Beresjet/Genesis 1: 29 ev:   En God zei: Zie Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen; twee verzen later verklaart Hij dat al wat Hij geschapen had ‘zeer goed was ' (Beresjet/Genesis 1:30). Vegetariër zijn is dus spiritueel gezien de hoogste trede in de menselijke ontwikkeling. Maar sinds Noach konden de mensen die spirituele volmaaktheid niet meer opbrengen en hun verlangen naar vlees niet bedwingen. Daarom werd het in beperkte mate toegestaan (Beresjet/Genesis 9:3-5). Het eten van vlees is een neiging, die Rav Kook als negatief betitelt, maar die nu eenmaal moeilijk te bedwingen is. Vandaar dat de Schepper het eten van vlees heeft toegestaan. De mensen konden de energie, die het kostte om het verlangen naar vlees eronder te houden, beter besteden aan het verbeteren van de onderlinge relaties van mens tot mens. Echter, de ontheffing  betreft een tijdelijke maatregel! ‘De ontwikkeling van dynamische idealen zal niet voor altijd geblokkeerd zijn. Door algemene morele en intellectuele v ooruitgang (…)zal het latente streven naar rechtvaardigheid voor het dierenrijk doorbreken, wanneer de tijd rijp is', aldus de Rav. (1) Uiteindelijk is vegetarisme het uiteindelijke ideaal, dat de Messiaanse tijd zal kenmerken. Zelfs de dieren zullen dan een vegetarisch bewustzijn bereiken, zoals Jesjajahoe voorspelt in hoofdstuk 11: 
‘6   Een wolf zal bij een lam verblijven, 
een luipaard bij een geitenbok neerliggen, 
een kalf, een jonge leeuw en gemest vee zullen bij elkaar zijn, 
een kleine jongen zal ze drijven. 
7 Koe en berin zullen samen weiden, 
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen. 
Een leeuw zal stro eten als het rund.' (2)
Overigens waarschuwde de rabbi tegen een al te radicaal vegetarisme, dat het gevaar inhield, dat de aanhanger te zeer los zou komen te staan van de nu eenmaal onvolmaakte wereld. Om zich zelf eraan te herinneren, dat de Messiaanse tijd nog niet was gekomen at Rav Kook, die verder vegetarisch leefde, op sjabbat een kippetje! 
De dispensatie ten aanzien van het eten van vlees is overigens niet grenzeloos. De slachtvoorschriften ( sjechieta ) en de voorschriften over welke dieren gegeten mogen worden en welke niet en onder welke voorwaarden het vlees moet worden bereid ( kasjroet ) dienen ertoe om de geest bewust te laten blijven van het voedsel, dat men eet en zullen , naar Rav Kook hoopt, ooit de motivatie te bevorderen om het vlees van het menu te schrappen. 

Naast messiaans-spirituele overwegingen zijn er ook argumenten van heel andere aard die oproepen om het eten van vlees te stoppen of in ieder geval te minderen. Het zijn argumenten van materiële en ecologische aard, die uiteindelijk ook zeker een ethische en zelfs spiritueel te noemen strekking hebben. Want het eten van vlees kost te veel , put de aarde uit en brengt de voorziening van voedsel aan de wereldbevolking in gevaar. 
De productie van vlees gaat gepaard met het verbruik van heel wat natuurlijke rijkdommen : Om een kilo vlees te produceren is evenveel tijd en evenveel ruimte (dus oppervlakte grond) nodig als om 160 kg aardappelen te telen. Met de hoeveelheid water die nodig is om een kilo rundvlees te produceren, zou je een jaar lang elke dag een douche kunnen nemen. Voor elke kilo rundvlees die op je bord terechtkomt, werd 7 liter benzine verbruikt. Wat de klimaatopwarming betreft: de productie van een kilo rundvlees brengt bijna 80 keer meer broeikasgassen voort dan een kilo tarwe. Dit komt overeen met een afstand van 60 km die wordt afgelegd met de wagen.(3)
Het geeft mij altijd wel voldoening als ik zie, dat bepalingen uit de Tora in combinatie met (spirituele) uitleg inzichten opleveren, die in een andere moderne vorm opduiken in wetenschappen als bijvoorbeeld sociologie, psychologie en ecologie. De rationele en materiële buitenkant van het weten is ingebed in een onafzienbare bedding van intuïtieve spirituele kennis. 

(1) geciteerd door Nechama Leibowitz, uit Tallelei Orot ‘Dauwdruppels van Licht'
(2) Het zo aansprekende beeld van de vreedzame leeuw die stro eet en naast het lam ligt treft mij tegelijk door tegensprakigheid in zoverre de essentie van de leeuw juist is dat hij een jager op wild is en lammeren eet. De mutatie naar een stroëter lijkt hem tot een wezenloos dier te maken.
(3) gegevens vermeld op http://documentatie.leefmilieubrussel.be. 

Parasja Vaëtchanan   Devariem /Deuteronomium 3:23-7:11
Een schurk op gezag van de Tora

De parasja Waëtchanan bevat vele aansporingen om de gegeven voorschriften te volgen. Uit een van die aansporende zinnen is een belangrijk beginsel gedestilleerd voor de praktische toepassing van die voorschriften. Dat beginsel wordt gevonden in Devariem/Deuteronomium 6:17-18   ‘Leef de geboden, de bepalingen en de wetten die de Eeuwige, uw God, u heeft voorgehouden, zorgvuldig na en doe wat recht en goed is in Gods ogen'.  
Die laatste woorden ‘doe wat recht en goed is in Gods ogen', brachten de geleerden uit alle eeuwen tot een belangrijke vraag: omvatten die woorden nu alle in de Tora gegeven regels of vormen ze een heel nieuwe en zelfstandige bepaling?
De middeleeuwse Rasji (Rabbi Sjlomo ben Jitschak, 11e eeuw) vindt het laatste: het is een hele nieuwe bepaling. De gezaghebbende bijbelcommentator zegt: ‘Recht en goed, dat betekent een compromis, handelen voorbij aan de strikte eisen van de wet', in het Hebreeuws:  zè pesjara, lifniem misjoerat ha-dien. Dat is het principe, lifniem misjoerat ha-dien,'voorbij aan de maat van het recht'. 
Nachmanides (13e eeuw) is het daarmee eens en legt in zijn commentaar op Devariem verder uit wat dat inhoudt. ‘Tora schrijft vele richtlijnen voor. Je kunt je daar in alle details aan houden, aan de voedselwetten, aan de huwelijkswetten etcetera en je toch als gulzigaard te buiten gaan aan voedsel en drank en je vrouw slecht behandelen. Je bent dan een naval bi resjoet ha-Tora, ‘een schurk op gezag van de Tora'. Je houdt je keurig aan alle regels, aan de Halacha, mogelijk loop je zelfs met je vroomheid te koop, maar in feite kan je een grote egoïst blijken te zijn

Waar gaat het nu om? Dat je ook op dat enorme gebied, waar de Tora of het recht geen expliciete gedragsregels of richtlijnen geven je toch handelt in de geest van de Tora. Soms is het zelfs nodig om af te zien van de regels en rechten die de Tora of het recht je formeel geven, als ze leiden tot onrechtvaardigheid of onmenselijkheid. Soms doe je meer dan de Tora of het formele recht vraagt, soms vraag je minder dan de Tora of het formele recht je toekent. 
Anekdote uit Talmoedische tijd:  Rav Safra had een hoeveelheid wijn te koop en een potentiële koper kwam langs, net toen hij het Sjema zei. De koper zei: ik bied zo en zoveel, maar Rav Safra wildezijn gebed niet laten onderbreken en bad door. De koper, kennelijk een niet-jood, dacht dat zijn bod werd afgewezen, dus hij deed een hoger bod. Dat ging zo nog een tijdje door, het bod werd steeds hoger.  Toen Raf Savra klaar was met zijn gebed, zei hij: ‘Al bij je eerste bod besloot ik, dat ik dat aanvaardde, dus meer dan dat mag ik niet nemen'. (2) 
Rabbijn Yehuda Aschkenasy z.l. ging in zijn afscheidscollege als hoogleraar ook in op het principe lifniem mesjoerat hadien , en citeert een andere anekdote uit de Talmoed: ‘Rabba bar bar Chanan gebeurde het dat sjouwers [door onvoorzichtigheid] een vat wijn aan duigen lieten vallen. Hij nam bun kleren in beslag [om daarmee de prijs van de wijn vergoed te krijgen]. Men ging Rav (een Talmoedische autoriteit, 3 e eeuw, RC) vertellen wat bij gedaan bad. Die zei hem: geef ze bun kleren terug. Hij wierp tegen: Is zo de wet? Hij antwoordde: la, want er staat (Misjlee/Spreuken 2,20): opdat je gaat in de weg van de goeden. Hij gaf bun hun kleren terug. Ze zeiden hem: we zijn arm en we hebben de hele dag gesloofd en we zijn hongerig en hebben niets. Daarop zei Rav tegen Rabba bar bar Chanan: Ga en geef ze hun loon. Hij wierp tegen: Is zo de wet? Hij antwoordde: ja, want de tekst gaat aldus verder: en hoedt de wegen van de rechtvaardigen. Rav besliste aldus, ook al is heel goed vol te houden dat de sjouwers door hun onvoorzichtigheid aansprakelijk waren en misschien niet langer recht hadden op loon. Het verhaal wil zeggen dat van ons meer gevraagd wordt dan we strikt volgens bet recht verplicht zijn. De Talmoed duidt dat aan met de uitdrukking lifniem meshoerat ha-dien, dat wil zeggen: dat we bet strikte recht steeds moeten duiden naar de actuele situatie. Het komt erop neer dat ik tot meer verplicht ben dan de ander en dat de ander meer van mij mag vragen dan ik van hem. De Frans-Joodse filosoof Levinas noemt dit de asymmetrische verantwoordelijkheid. In de woorden van de zojuist besproken tekst: opdat we 'doen wat goed en recht is in Zijn ogen'. Antropocentrisme en theocentrisme vallen dan samen' (2) .
Marcel Poorthuis haalt in het herdenkingsnummer rond Yehuda Ashkenasy deze passage aan en redeneert hierop door: ‘Er is iets bijzonders met dit beginsel van Lifniem misjoerat ha-dien aan de hand. Geldt de wet voor allen, het beginsel van  lifniem misjoerat ha-dien  kan niet worden afgedwongen, het spoort ieder individu persoonlijk aan om zijn verantwoording te nemen in iedere concrete situatie, om meer te doen of te laten dan waartoe hij juridisch of volgens de wet verplicht is. Deze rabbijnse ethiek en de Bergrede ademen dezelfde sfeer; beiden houden een correctie in op het idee, dat ik mag doen wat ik wil, zolang ik de ander niet schaadt. De ander is dan slechts een stoorzender van mijn vrijheid. Het gaat er dan om mijn medemens te zien als constitutief voor mijn vrijheid en niet als een bedreiging'(3).
Hoe belangrijk dit principe al werd gevonden in het begin van de gangbare jaartelling, blijkt uit het gezegde van de alom gerespecteerde Talmoedgeleerde Rabbi Jochanan (3e eeuw), dat Jeruzalem alleen maar verwoest was, ‘ omdat de joden (strikt) handelden volgens de letter van het recht (Tora) en niet voorbij wilden gaan aan de maat van het recht' (4).

(1) De casus van Rav Safra is uit de vroegmiddeleeuwse midrasj Sheiltot Vayehi, No. 38, geciteerd in David Golinkin , ‘Jewish Ethical Principles for Business' op de website My Jewish learning,
http://www.myjewishlearning.com/article/jewish-ethical-principles-for-business/
(2) Rabbijn prof. Y. Aschkenasy: Heroriëntatie van de theologie, een doorgaand leerproces, openbaar afscheidscollege, 1989 
(3 Marcel Poorthuis: Binnen de maat van het recht, in: Tenachon, augustus 2012 
(4) Talmoed Bava Metzia 30b. Mogelijk klinkt een echo van dit beginsel door in Mattheüs 5:20: ‘ Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan die der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan'.   Weliswaar worden al die schriftgeleerden en Farizeeën hier wel op één hoop gegooid volgens de anti-Joodse strekking van dit evangelie, Maar de bedoeling is conform Devariem/Deut. 6:17-18  dat louter formeel vroomheidsgedrag allerminst voldoende is.

Parasjat Devariem     Devariem / Deuteronomium 1:1–3:22
Terugblikken  

De grote redevoering van Mosjee die Devariem/Deuteronium eigenlijk is, begint met een uitgebreide terugblik op de afgelopen veertig jaar. In feite zullen er verschillende toespraken zijn geweest die de laatste dagen voor de dood van de spreker zullen hebben bestreken. Het volk van Israël is na ruim veertig jaar omzwerving gelegerd bij de Jordaan op de vlakte van de streek Moav, klaar om de rivier over te steken. Delen van het Transjordaanse land zijn al veroverd en toegedeeld aan de stammen Re öe ven, Gad en de halve stam van Menasjee. De bejaarde leider bestijgt als het ware het spreekgestoelte en begint voor het verzamelde volk met de afgelopen veertig jaar nog eens in herinnering op te roepen.  ‘Dit zijn de woorden - eileh ha-Devariem - die Mosjee tot heel Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn' , zo begint het boek Devariem/Deuteronomium en ook de gelijknamige parasja Devariem.
De parasja Devariem bevat als het ware twee terugblikken. 

De eerste terugblik put uit de geschiedenis van de eerste generatie, de eerste 38 jaar woestijnverblijf. Opvallend zijn de highlights die de oude leidsman uit die lange periode voor zijn proloog kiest om te memoreren. Je zou verwachten, dat hij bijvoorbeeld het sensationeel gebeuren bij de Sinaj nog eens ophaalt of de fatale afdwaling van het gouden kalf(later komt die wel naar voren). Maar Mosjee noemt allereerst de aanstelling van de stamhoofden en de rechters, in deze versie ee idee voortgekomen uit het volk en niet voorgesteld door zijn schoonvader Jitro, zoals Sjemot/Exodus in de parasja Jitro verhaalt. Mosjee memoreert, dat de rechters onpartijdig, neutraal en zonder aanzien des persoons moeten oordelen. Dat hij juist hier in het allereerste begin van zijn toespraak nogmaals over uitwijdt benadrukt, hoe belangrijk de waarde van onpartijdige rechtspraak voor een samenleving is, de hoeksteen van rechtvaardigheid en vrede. 
De andere gebeurtenis , die Mosjee terughaalt, is de geschiedenis van de verkenners van het beloofde land, toen ze na twee jaar aan de grenzen van Kenaän waren aangeland (eerder verhaald het boek Bemidbar in de parasja Sjelach Lecha). De spreker memoreert nog eens het mismoedig verslag, dat de verkenners van hun reiservaringen gaven en breed meet hij nog eens uit het gebrek aan geloof van de Israëlieten in een voorspoedige en gezegende voortgang van hun missie. Uitgebreid laat de oude leider de gebeurtenissen nog eens de revue passeren en memoreert hoe de eerste generatie van het volk van Israel gedoemd werd in de woestijn te blijven tot een nieuwe generatie was opgegroeid. 
Dat Mosjee juist op dit drama nog eens terugkomt is begrijpelijk als we beseffen, dat het die nieuwe generatie van jongeren is, die voor hem staat en die hij toespreekt. Juist het falen van de vorige generatie bij de grenzen van het beloofde land destijds houdt hij hen voor, alsof hij impliciet zegt: nu wij weer aan de Jordaan staan, maak niet dezelfde fout als jullie ouders en vertrouw en geloof daarentegen in eigen kunnen en in de hulp van de Eeuwige. 

De tweede terugblik behandelt het afgelopen jaar, het langzaam oprukken vanaf de oase van Kadesj – waar ze het merendeel van de 38 jaar hadden verbleven - langs de Jordaan, eerst om het land van de Edomieten – die als broedervolk en afstammelingen van Esav niet mochten worden aangevallen – en dan omheen het land van de Ammonieten – ook een broedervolk en afstammelingen van Lot, de neef van Avraham – en dan verder noordwaarts het land in van koning Sichon en het land Basjan van koning Og, waartegen succesvol strijd werd gevoerd. Genoemde laatste twee gebieden werden toegedeeld aan de stammen van Reöeven en Gad en de halve stam van Menassjee, mits de mannen wel aan de verovering van het Cisjordaanse land zouden deelnemen, zelfs als stoottroepen. Dat is ongeveer en goeddeels de inhoud van de inleiding van Mosjee en de eerste parasja van het boek Devariem. Daarna komt hij toe aan de werkelijke boodschap, de richtlijnen voor het juiste leven van de Israelieten, nodig voor het overleven als natie. 
In de parasja Waëtchanan klinkt de smeekbede van Mosjee om toch mee de Jordaan over te mogen steken, wat de Eeuwige niet toestaat, maar wel mag hij het CisJordaanse landschap, dat hij nooit zal betreden, aanschouwen vanaf de bergtop van de Pisga (1). 

(1) Over de smeekbede van Mosjee zie een ander commentaar van mij op www.robcassuto.com  

Parasjat Balak   Bemidbar /Numeri 22:2-25:9
Bilam, tovenaar of profeet?
Voorpublicatie uit REIZEN DOOR DE TORA , DEEL II,
LEVITICUS, NUMERI EN DEUTERONOMIUM


De Israëlieten zijn in hun omtrekkende beweging rond het land Kenaän aangeland bij het land Moav ten oosten van de rivier de Jordaan. Ze hebben intussen door hun overwinningen op koning Sichon en zijn Emorieten, op koning Og van Basjan en anderen een geduchte naam gekregen. De koning van Moav, Balak, en zijn Moabieten waren bang geworden voor de overmacht van het volk dat in hun gebied was neergestreken; Ze waren er ‘misselijk van geworden' (vertaling Dasberg). Daarom zocht koning Balak hulp in de magische sector. Alvorens een militaire confrontatie aan te gaan wilde hij de kracht van zijn tegenstander spiritueel ondermijnen. Het was in die tijd niet ongebruikelijk daarvoor je toevlucht te nemen tot vervloekingen en bepaalde magiërs waren daar specialist in; koning Balak ontbood een sjamaan in het oosten, uit Babylonië, die beroemd was om de kracht van zijn vervloekingen: Bilam. 

Het verhaal van Balak en Bilam vormt een van de hoogtepunten uit de Tora, zowel uit narratief oogpunt als wat betreft de onderliggende thema's die in het verhaal verweven zitten. Spanning, humor en verhevenheid, al die elementen maken het verhaal tot een unieke vertelling. 
Bijbelwetenschappers veronderstellen, dat het oorspronkelijk een apart boek was, dat in de Tora is ingevlochten. 
De hoofdpersonen zijn Bilam en de stem van de Eeuwige. Een diepgaande ambiguïteit kenmerkt de relatie tussen hen. Kennelijk heeft Bilam het voorrecht rechtstreeks te kunnen spreken met de Eeuwige; hierin evenaart de sjamaan Mosjee, van wie gezegd wordt dat hij de enige is die ‘van mond tot mond' contact kon hebben met de Allerhoogste (Bemidbar/Numeri 12:8) . De heersende rabbijnse opvatting schildert hem niettemin af als een verdorven persoon, de verpersoonlijking van het kwaad. Midrasjiem beschrijven, hoe hij zijn uitzonderlijke gave had geleerd van in de hel gevallen engelen (1).
Bilam heeft vanaf het begin van dit verhaal weet van wat het juiste is om te doen: het verzoek van Balak om Israel te vervloeken meteen afwijzen Dat doet hij, want, zoals de stem van De Eeuwige hem voorhoudt, het volk ‘is immers gezegend' (ki baroech hoe ). 
Het verhaal wordt spannend, als onder pressie van hooggeplaatste afgezanten en beloften van goud en zilver de profeet toch toestemt. Begeerte, haat tegen de Israelieten en berekening winnen het echter – in de mainstream opvatting - en op zijn ezelin gezeten gaat hij toch op weg. God geeft zelfs toestemming aan Bilam voor zijn tocht. De Eeuwige ontpopt zich in het verhaal als een grillige tegenspeler, even ambigu als de dubieuze profeet. Even later blokkeert Hij in de gestalte van een dreigende engel met zwaard de weg. Hilarisch zijn de scenes met de ezelin. Tot driemaal toe wil het dier de weg niet wil vervolgen ondanks boze klappen van zijn berijder. Zij ziet hoe de engel dreigend de weg verspert, iets wat de ziener met al zijn gaven niet ziet; door zijn ezel wordt de magiër terecht gewezen. Echt gelachen wordt er zelden in de Tora, maar humor kan je deze scene niet ontzeggen. Dan krijgt Bilam toch weer goddelijke toestemming om door te gaan. Uiteindelijk blijkt hij in vier sessies het volk van Israel niet te vervloeken; integendeel, hij verheerlijkt en zegent na een overdaad aan rituelen het volk van Israel in verheven vergezichten, conform de woorden die De Eeuwige hem in de mond legt, iets waarvoor Bilam van te voren al heeft gewaarschuwd: ‘Alleen wat God mij in de mond legt kan ik spreken'. 
Hoe is het te rijmen, dat een als in-slecht afgeschilderde tovenaar ondanks zijn slechte voornemens toch het goede verricht? Kan het kwaad toch uiteindelijk het goede bewerkstelligen? Een vraag waar eeuwen mee is geworsteld en nog. De oplossing is vaak gezocht in de richting van een ondoorgrondelijk plan Gods. In de hele geschiedenis van de theologie is gefilosofeerd en getheologiseerd over hoe het bestaan van het kwaad is te rijmen met een God, die uiteindelijk het goede beoogt. Is ook het kwaad soms een middel om via een omweg het goede te bereiken? Bilam heeft met al zijn kunsten zijn eigen persoonlijke kwade bedoelingen, maar is uiteindelijk is hij een instrument van de grotere wil van de Eeuwige, is dan de verklaring. Hij spreekt zijn profetieën over Israel uit als een marionet, een buiksprekerpop. Eigenlijk staat hij niet achter zijn visionaire woorden, zou je dan zeggen.
Toch, als je de tekst van de Tora over Bilam in deze parasja nog eens onbevooroordeeld naleest is er weinig tot niets wat rechtvaardigt de persoon van Bilam zo zwart af te schilderen. Aanvankelijk wijst Bilam erop, dat ‘ Ook al gaf Balak me al het zilver en goud uit zijn paleis, dan nog zou ik niets maar dan ook niets kunnen doen dat ingaat tegen het bevel van de Eeuwige, mijn God' 
Over de hele linie blijft Bilam ondanks de beloofde schatten trouw aan zijn principe: hij zal alleen zeggen wat God hem ingeeft, onomkoopbaar zal hij blijken te blijven. Nadat hij tot woede van zijn opdrachtgever al driemaal het volk van Israel met rijke vergezichten heeft gezegend in plaats van vervloekt zegt hij wederom aan Balak: ‘  Ik heb al tegen uw gezanten gezegd: “Ook al gaf Balak me al het zilver en goud uit zijn paleis, dan nog zou ik niets kunnen doen dat ook maar enigszins ingaat tegen het bevel van de Eeuwige. Uit mezelf kan ik niets ondernemen; alleen wat de Eeuwige zegt, zal ik zeggen  ”'. Waarna de langste vierde profetie volgt. Als begeerte niet zijn drijfveer was en wel een vastbeslotenheid om de stem van de Eeuwige trouw te zijn, wat zou dan de motivatie kunnen zijn om toch de opdracht van Balak te aanvaarden? Een antwoord zou kunnen zijn: hij deed gewoon zijn werk als beroemde magiër. Hij wilde zijn reputatie als beroemde professional gestand doen. Zijn twijfel om wel of niet te gaan en zijn discussies met God zijn menselijke processen, die op zich niet van verdorvenheid getuigen. In de eerste visionaire sessie spreekt de magiër zelfs zijn verlangen uit tot dit gezegende volk te mogen behoren (Bemidbar/Numeri 23:10). In deze visie maakt Bilam sterk de indruk achter zijn woorden te staan. Hij neemt er verantwoording over. Hij doet zijn werk als een goed en integer profeet.
Aan mijn zijde bevindt zich Maimonides, de nuchtere topgeleerde uit de Middeleeuwen. 
Hij noemt de profetieën van Bilam als ware godsspraken, die alleen uit de mond kunnen komen van een ware profeet. ‘Profetie valt alleen ten deel aan iemand, die een groot geleerde is en zijn natuur volledig weet te beheersen', kortom een persoon van hoog moreel niveau (2 ).

Maar wat moeten we dan aan met een Bilam, die later Balak adviseerde om de Moabitische meisjes in te schakelen om de Israëlieten tot ontrouw en afgoderij te verleiden (Bemidbar/Numeri 31:15 ev)? Een listig plan, want daarmee zouden de Israëlieten zich zelf in het verderf storten. 
In de hopeloos verdorven variant van Bilam zou hij volgens de midrasj dat gedaan hebben om door dit advies alsnog zijn honorarium binnen te slepen. Maimonides constateert uit de tekst en overeenkomstig zijn opvattingen over profetie een morele neergang van Bilam in de loop van de parasja. De omslag van zijn persoonlijkheid vindt plaats na de weidse vierde profetie, als hij zijns weegs is gegaan. Tot dan heeft in de ogen van Maimonides Bilam de status van een moreel hoogstaande man. Daarna begint er een morele aftakeling en zakt die status beneden peil (3). Of die opduikende slechtheid pure boosaardigheid was of meer een actie om zijn deconfiture goed te maken, om zijn geschonden reputatie weer te herstellen? Of is het – op de keper niet minder slecht = de onverschilligheid van een consultant, die de effectiviteit van zijn adviseurschap alsnog aan zijn teleurgestelde machtige baas wil bewijzen? Zonder dat dat advies persoonlijk bedoeld was ten opzichte van Israel, hoor, zou hij misschien dan hebben gezegd.

Noten
1) Zie bv Bemidbar Rabbah Chapter 20 en The Legends of the Jews by Louis Ginzberg.
Volgens de Zohar had Bilam zijn zwarte Magie geleerd van de gevallen engelen Aza en Azael (Zohar III:207b,  parasha t  Balak, translated by Avraham Sutton op chabad.org)
2) O.a. in Maimonides' ‘Guide to the Perplexed' p. 242 
(3) Ook in de Talmoed is druk gediscussieerd over Bilam. In de lijn van Maimonids zei, bv R. Yochanan over Bilam: 'in het begin een profeet, later een tovenaar' (Sanhedrin 106a).

Parashat Choekat Bemidbar / Numeri 19:1–22:1  
Slangen

De parasja Choekat bevat veel dood.
Het begint met het ritueel van de ‘rode koe'. Voor mensen en dingen die in contact zijn gekomen met een dode dient reiniging plaats te vinden en daarvoor moet een smetteloze ‘maagdelijke' rode koe ( para adoema ) - een uiterst moeilijk te vinden beest - buiten het kamp volgens een complex ritueel worden geslacht en verbrand; dan kan de as vermengd met water voor de reiniging worden gebruikt door o.a. besprenkeling. Voorbeeld van een ‘ chok ', een wet waarvoor geen ratio is te vinden, zelfs Sjlomo Hamelech (koning Salomo) is het niet gelukt. Op dit punt heeft de Tora 38 jaar laten verstrijken, wat uit de tekst impliciet blijkt. Een nieuwe generatie is opgestaan en de leiders van het volk zijn hoogbejaard geworden. Al die tijd hebben ze waarschijnlijk in de oase van Kadesj doorgebracht. Meteen na het voorschrift van de rode koe wordt de dood van Mirjam, Mosjee's zuster, beschreven. Dan volgt het bekende incident bij het water van Meriva. Mosjee en Aharon bewerken voor jet dorstig volk het waterwonder, maar geven de eer ervan niet aan de Eeuwige, die hen aankondigt dat zij geen van beiden het beloofde land zullen betreden.(1). De Israelieten breken na 38 jaar op van de oase van Kadesj en trekken verder richting Kenaän. De reis gaat verder. Voor Aharon komt de dood al spoedig. Hij bestijgt, honderdentwintig jaar oud, de berg Hor om daar te sterven. Mosjee ontdoet zijn oudere boer van zijn ambtskleren als hogepriester en bekleedt diens zoon Elazar daarmee. Voor Mosjee zal het einde drie jaar later komen.

De Israëlieten trekken, zuidwaarts de woestijn in, waar droogte en andere ontberingen het volk weer treffen. We gaan wat verder in op de plaag van de slangen, die nu over het volk gaat komen. De morrende en dorstende massa heft weer een oude klacht aan: er is geen water, het voedsel (manna) is minderwaardig, waarom zijn wij uit Egypte gebracht, om hier in de woestijn te sterven?   De Eeuwige zend als respons op dit protest nu giftige slangen (   ha-nechasjiem serafiem ) af op het volk die de mensen bijten en velen ( am-rav) sterven. Nechama Leibowitz (Studies in Bamidbar, p. 260 ev) wijst erop dat een meer correcte vertaling is: ‘De Eeuwige liet slangen los', want er staat niet de gewone term voor ‘zond' –   jisjlach – maar een andere (Piel) vorm van deze wortel, ‘   jesjalach ', wat dus veel meer de causatieve connotatie ‘loslaten', ‘vrijlaten' heeft. Wat maakt dat uit? Het vrijlaten betekent dat de Eeuwige eerder de slangen heeft ‘vastgehouden', aldus Zijn volk tot dan toe beschermd hebbend tegen dit gevaar. Nu laat hij de natuurlijke loop van de natuur zijn gang gaan en duiken de slangen op…  
Dan doen de Israëlieten ommekeer en smeken Mosjee om een uitredding. De oude leider krijgt nu een curieus idee ingegeven. Hij moet een koperen slang (   nechasj nechosjet ) maken en deze op een standaard omhoog houden; wie het hoofd heft en ernaar kijkt zal worden genezen en aldus gebeurt. Het curieuze is dat de koperen slang een brute overtreding van het tweede van de Tien Woorden, het afbeeldingverbod, lijkt. Een verklaring die hiermee in het reine probeert te komen is, dat de omhooggehouden slang een ritueel symbolisch middel is die de zieken het hoofd weer naar de hemel doet heffen en zo de terugkeer naar geloof en vertrouwen bevordert.  

Even een zijsprong naar het christendom; daar heeft men de Tenach (min of meer het Oude Testament) – tot ongenoegen van de Joden - afgespeurd naar gebeurtenissen en beelden, die de geschiedenis en met name het lijden van Jezus en zijn rol als verlosser van zonden zou voorafschaduwen. In deze parasja zijn er twee van deze zaken, die vele christenen als zo'n voorafschaduwing zien.  
Zo is Jezus te zien als de ideale en perfecte Rode Koe die ons reinigt van de dood. De omhooggeheven en genezing brengende koperen slang is een voorafschaduwend beeld van de gekruisigde Jezus, die de mensen van hun slangenbeetziekte – hun zonden – verlost.  

Vele Joden zullen het crucifix-beeld op dezelfde manier zien als de vrome koning Chizkijahoe (Hizkia) de koperen slang, die eeuwenlang in de tempel werd bewaard. Hij vond het maar niks, de slang was een object van bijgeloof en afgodendienst geworden. ‘Hij verwijderde de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen, haalde de Asjerapalen omver en sloeg de koperen slang die Mosjee gemaakt had aan stukken. De Israëlieten hadden namelijk nog altijd de gewoonte voor deze slang, die de naam Koperslang (   Nechoesjtan ) droeg, wierook te branden'(2 Koningen 18:4).  

Na de genezing via de koperen slang, omhooggehouden door Mosjee, lijkt er een ommekeer te komen in de vordering van de lange zwerftocht. In een wat chaotische tekst wordt de complexe omzwerving richting Jordaan beschreven, gedurende welke de Benee Jisrael hun eerste militaire successen behalen. Ze versloegen koning Sichon en zijn Emorieten, Og, de koning van Basjan en anderen en veroverden hun eerste gebieden aan de oostelijke kant van de Jordaan.

(1) In een ander commentaar ga ik uitgebreid in op de vraag wat Mosjee verkeerd heeft gedaan.  

Parasjat Korach
  Bemidbar/Numeri 16:1–18:32
Rebellie en haar gevolgen

De in de parasja Korach beschreven crisis rond het leiderschap van Mosjee en Aharon is niet de eerste tijdens de ruim twee jaar geleden begonnen woestijnreis. Sinds het optrekken van de stammen van Israel vanaf de Sinaj is de tocht het volk niet meegevallen. Als we alle gebeurtenissen nog eens in ogenschouw nemen zien we dat er veel ontberingen hebben plaatsgevonden en dat het volk veel heeft geklaagd en gejammerd en dat er veel slachtoffers zijn gevallen door rampen en tegenslagen, die de Tora vaak beschrijft als uitingen van de woede van de Eeuwige over de weerspannigheid van Zijn volk, een woede die door de volksprotesten belaagde Moshé met veel smeekbeden nog ternauwernood kon worden getemperd.  
Het is niet verwonderlijk, dat met dit alles een voedingsbodem was geschapen voor hernieuwde strubbelingen en opstandigheid tegen de leiders onder wie al die tegenslagen hadden plaatsgevonden, Mosjee en Aharon.  
Twee partijen stellen zich tegenover hen op (1). Het is op het ‘spreekuur' dat Mosjee klachten van de mensen behandelt en een hele menigte heeft zich voor hem verzameld, dat Korach, Datan, Aviram en On naar voren treden om dit momentum te gebruiken; ze beginnen pesterig een haarkloverij aan de leidsman voor te leggen over wanneer wel of niet de mitswe van tsietstiet aan een kledingstuk is vereist. Van de discussie daarover komt het tot hun werkelijke aanklacht: Mosjee matigt zich veel te veel macht aan, vinden ze. Waar haalt hij het recht vandaan over hen te beslissen. Korach van de stam van Levi voelt zich onrechtvaardig behandeld. Eigenlijk had hij benoemd moeten worden tot hoofdman van de afdeling van de levitische clan van de Kohatieten in plaats van een neefje van Mosjee, zegt de Midrasj. Mosjee benoemt alleen zijn eigen favoriete familieleden op hoge posten, hij doet aan nepotisme, zo luidt he allemaal. Maar eigenlijk is Korach uit op het hogepriesterschap blijkt uit Mosjee's opmerking in vers 10. Een machtsgreep is in wording.
Datan, Aviram en On zijn van de stam van Reöeven, die gelegerd is naast de clan van Kohatieten in het zuiden van het kamp. Wee de kwaadwilligen en hun buren, roept Rasji uit; als slechteriken je buren zijn ben je nog nie jarig. Hun verwijt is wat we al eerder zo vaak hebben gehoord: Mosjee heeft zijn belofte niet waargemaakt, hij heeft hen uit het welvarende Egypte geleid, maar het beloofde land van melk en honing is nergens te bekennen, alleen woestijn.
Mosjee's reactie is curieus, normaal doet hij dit nooit, maar nu is hij wanhopig; hij roept een godsoordeel in, de Eeuwige zal beslissen, wie de Zijne is, wie Hij in zijn nabijheid laat komen (als leidsman en als hogepriester, moet je erbij denken).  
De uitslag is, dat Mosjee en Aharon de zegen krijgen. Met de aanhangers van de beweging van Korach worden korte metten gemaakt. Ze storten met vrouw, kind en tent in een gapende afgrond of worden met vuur verteerd, tot ontsteltenis van de rest van het toekijkende volk. We zien hier hoe het spel van machtsaanspraken, ideologische discussie, persoonlijke ambities en opkomen voor persoonlijk eigenbelang inclusief alle intriges op theocratische wijze de pas wordt afgesneden door een door goddelijk ingrijpen ingeroepen natuurgebeuren. Beetje absurde vraag natuurlijk: hoe zou het conflict met al zijn herenbare machinaties zijn afgelopen als het op democratische wijze zou zijn aangepakt, de partij van Mosjee en Aharon, de partij van Korach, de partij van Datan en Aviram met hun respectievelijkeprogramma's en verkiezingskampanjes en dan stemmen…

De midrasj laat nog een onverwacht licht schijnen op de vrouwen (2). Achter de schermen hebben ze vaak grote invloed. ‘The brains behind pa' zingt Bob Dylan in zijn song ‘ Maggies farm'.
Niet alleen Korach staat aan de bron van de rebellie, zijn vrouw heeft een groot aandeel, zij heeft hem opgehitst. Mosjee had hem, Korach, doodeenvoudig genegeerd bij de benoeming van hoge posten, zei ze, de boeren moeten de priesters hun deel geven, maar de levieten krijgen niks en moeten gewoon belasting betalen, en hij Korach (='kale') had als gewonen leviet het vernederende afscheren van lichaamshaar moeten doorstaan. En ook andere voorschriften zoals de tsietstietplicht en het mezoeza voorschrift ridiculiseerde zijn vrouw, een echte demagoog achter de schermen.
Nee dan de vrouw van de Rubeniet On. De man On wordt na zijn introductie in vers 1 van hoofdstuk 16 niet meer vermeld; hij is kennelijk aan de rampzalige afloop van de rebellie ontkomen. Dat heeft hij volgens de midrasj aan zijn vrouw te danken. Die zag hem samenzweren met Korach en diens kornuiten. Ze raadde hem dringend aan uit te stappen, hij zou zelfs bij het slagen van de rebellie er toch niets wijzer van worden. Hou je gedeisd, zei ze, blijf in je tent, ik hou je uit de wind. Ze gaf hem wijn te drinken en ging voor de tent zitten. Daar ging ze uitgebreid heur haar kammen en tot een ingewikkelde en coiffure kappen, een langdurige procedure waar mannelijke ogen zich niet op mochten vestigen: die moesten uit de buurt blijven. Toen ze daar eindelijk mee klaar was waren de rebellen en hun familie al door de grond verzwolgen en door het vuur verteerd. Weet met wie je een (echtelijke of politieke) partij vormt.

Maar de zonen van de rebel Korach werden gespaard (Bemidbar 26:11), ze waren het niet eens met hun vader of ze waren te jong. In de tijd van koning David vormden hun nazaten een koor van tempelzangers, Ze componeerden elf beroemde psalmen, waarmee ze wellicht iets van de slechte naam van hun voorvader hebben goedgemaakt.

Noten:
(1) In de volgende passage is commentaar van Rasji (11e eeuw) en Ovadja Sforno (16e eeuw) op Bemidbar/Numeri hfst 16 verwerkt
(2) Het verhaal over de vrouwen is uit 'Daät Zekeniem' ('Mening der Ouden'). Een verzameling aantekeningen van leerlingen van Rasji

Parasjat Sjelach lecha
Numeri/Bemidbar 13:1-15:41
rapportage propaganda, sensatiepers  

Het grootste gedeelte van de parashat Sjelach lecha bestaat uit het verhaal van de verkenners van het beloofde land, daarna volgen nog voorschriften over offers, een kort verslag van de man die hout sprokkelde op sjabbat en daarom gedood werd en het gebod om tsitsiet, gebedskwasten, aan het kleed te maken.  

Het verhaal van de verkenners is bekend. Op gezag van de Eeuwige gebood Mosjee het land Kenaän, aan de grens waarvan zij na twee jaren zwerftocht door de woestijn waren aangeland te verkennen. Hij wees twaalf mannen aan, die moesten bekijken, hoe vruchtbaar het land was en welke mensen er woonden en hoe de steden eruitzagen. Soms wordt gesproken over ‘verspieders', maar waarschijnlijker betrof het een openlijk reizende groep, misschien een gezantschap, want het waren belangrijke mannen, een uit iedere stam, die met deze taak belast werden. Van zuid tot noord trokken zij veertig dagen rond.  
Het is opmerkelijk in deze parasha hoe de verslaggeving van de verkenners bij hun terugkomst wordt beschreven. Allereerst rapporteren zij aan Mosjee en Aharon ten overstaan van het volk:  
‘Wij zijn in dat land gekomen waarheen u ons gestuurd hebt, en werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en dit is zijn vrucht. Het volk echter dat in dat land woont, is sterk, de steden zijn versterkt en heel groot, en ook hebben wij daar nakomelingen van Enak gezien. In het Zuiderland woont Amalek, in het bergland wonen de Hethieten, de Jebusieten en de Amorieten, aan de zee en aan de oever van de Jordaan wonen de Kanaänieten' . (Num. 13: 27 HSV)  

Zo op het oog gezien lijkt dit een objectief verslag, niks mis mee. De informatie die Mosjee heeft gevraagd wordt gegeven, de feiten op tafel gelegd. Toch is al een subjectief oordeel in negatieve zin in dit feitenverslag te bespeuren en dat zit in het woordje ‘echter' in vers 28: ‘ Het volk echter … is ster k etc.' (Hebreeuws:   èfès-ki   ) en de massa pikt dat maar al te graag op. Kalev probeert het rijzend tumult tot bedaren te brengen door zijn positieve kijk naar voren te brengen: ‘ Laten wij vrijmoedig optrekken, wij zullen het land in bezit nemen, want wij zullen het zeker overmeesteren.'
Zijn medeverkenners laten in reactie daarop de objectieve schijn vallen en zeggen onomwonden: ‘Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken, want het is sterker dan wij' .
Dit gebeurt allemaal nog ten overstaan van Mosjee. Een fase later hebben deze medeverkenners zich onder het volk gemengd en nu beschrijven ze hun ervaringen met ronduit ontmoedigende en angstwekkende beelden: ‘ En zij verspreidden allerlei lasterpraat (‘diba') onder de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden, door te zeggen: “Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben, bestaat uit mannen van grote lengte.   Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, afkomstig van de reuzen. Wij waren in onze eigen ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen”'. (13;32,33)  
Het volk breekt nu in gejammer en paniek uit ondanks waarschuwende en aansporende woorden van de twee helden die wel vertrouwen op de mogelijkheid op te trekken onder divine bescherming, Jehoshoea en Kalev. De menigte wil deze twee zelfs stenigen en Mosjee vervangen door een leider die ze naar Egypte terug zal brengen. De “Heerlijkheid van de Eeuwige” (   kawod Hashem   ) komt tussenbeide e nu breekt een episode aan die ons bekend voorkomt. De Eeuwige wil het ongelovige volk vernietigen en Mosjee intervenieert weer en met een beroep op de reputatie van de Beschermer van Israel (‘ de Egypenaren zullen zeggen, de God van Israel was niet bij machte zijn gelofte aan Israel na te komen' ) en op Zijn lankmoedigheid. Het zijn vrijwel dezelfde bewoordingen als in Sjemot/Exodus. 32:11-13, de smeekbede na het gouden kalf. Zo weet hij weer vergeving te bewerkstelligen; alleen, alle mannen boven de twintig zullen het beloofde land niet bereiken, nog veertig jaren woestijn staan voor de boeg. Jehosjoea en Kalev, de rechtgeaarde gelovigen, worden uitgezonderd ….  
Een spoedige dood overviel de overige 10 verkenners. Hun zonde zal niet zozeer hun verslaglegging ten overstaan van Mosjee zijn geweest. Eerder was dat hun rondgaan onder de kinderen Israëls met hun ontmoedigende verhalen, die de Tora omschrijft als lasterpraat.  
Het lijkt of hun aanvankelijk nog tamelijk feitelijke rapportage in tweede instantie is overgenomen door een de feiten uitvergrotende en verdraaiende sensatiepers, of door gewiekste partijpropaganda, die als een demoralisatievirus de volksmassa heeft aangetast. Die angstzaaiende roddel dan wel stokende partijpropaganda, dat lijken fenomenen van alle tijden. Hedendaagse voorbeelden liggen voor het oprapen.  

Met alle drama van een volk, dat een gebrek aan geloof in voortdurende goddelijke bescherming dan wel vertrouwen in eigen kunnen blijkt te vertonen, tot teleurstelling van zijn divine leiding, lijkt de uiteindelijke uitslag toch ten goede te zijn.; de onderstroom van dit hele gebeuren vat van   Nechama Leibowitz   in haar commentaar aldus samen (1):  
‘Je kan niet verwachten, dat mensen, die slaaf zijn geweest en hebben gezwoegd met bakstenen en stro en zo meer, hun vuile handen wassen en onmiddellijk daarna met reuzen gaan vechten. Het was een onderdeel van de Goddelijke wijsheid om hen in de woestijn te laten rondzwerven tot ze hadden geleerd om moedig te zijn. Want het is welbekend, dat een nomadisch bestaan onder spartaanse omstandigheden moed kweekt en het tegendeel, lafhartigheid. Bovendien groeide er nu een nieuwe generatie op, die geen vernedering en slavernij had gekend.'  

(1) Nechama Leibowitz, studies in Bemidbar, WZO

Parasjat Behaälotcha Numeri/Bemidbar 8:1-12:15  
Tussen haakjes

In de parasja Behaälotcha nadert de vorming van de uit Egypte weggetrokken volksmassa van een jaar geleden de voltooiing tot een goed georganiseerde en geïnspireerde gemeenschap.  
De openbaring van de Ene op de Sinai heeft plaatsgevonden, de belangrijkste geboden zijn gegeven, het weerbare manvolk is geteld, het kampement georganiseerd, de marsorde bepaald en last but not least, de Tabernakel is gemaakt en de levietendienst nauw omschreven. De laatste bepalingen omtrent de Levieten staan in deze parasja. Nadat de uittocht voor de eerste keer is herdacht is het volk klaar om verder te trekken.  
Bij lezing van een aantal commentaren ontdekte ik dat hier in de Tora een cruciaal wendingspunt is genaderd. Wat is er aan de hand?  Het gaat om de verzen 10, 35 en 36.  

vers 35   "Wanneer de ark op het punt stond op te trekken zei Mosjé: ‘Eeuwige, laat uw vijanden verstrooid worden en die U haten voor U op de vlucht slaan.' (ook gezongen tijdens de Toradienst)   vers 36   “En als hij op een rustpunt kwam zei hij: ‘Keer terug, Eeuwige, temidden van de tienduizenden van Jisraël. ‘" 

In de Tora-rol (de ' sefer Tora '), maar ook in de hebreeuwse boektekst van de Tora (de z.g. Choemasj ) staan deze woorden apart gesteld, als het ware omhaakt door de hebreeuwse letters "noen' met omgekeerde vlaggetjes. Zoiets als [ … ]. Verklaarders hebben wel gezegd dat dit een hint is naar een apart boek over de uiteindelijke bestemming van van he Joodse volk, een boek dat nog moet worden geschreven. Zie een eerder commentaar .

De haken van de omgekeerde noens hebben ook aanleiding gegeven tot een esoterische uitleg, die ik aantrof bij  R. Simon Jacobson en die ik voorzover mogelijk kort zal proberen weer te geven. In feite is die uitleg een verdere verdieping van het voorgaande.
De twee haken vormen wanneer men ze samenvoegt het beeld van een vierkant. Dat vierkant symboliseert het 'vierkante kleed' van het mysterie van het bestaan. In de woorden van het kabbalistische werk  'Emek Hamelech'   (1):

'Dit kleed bergt het geheim van het vierkant en de sluit-mem  [ ] , omdat het kleed vierkant is en zich dan deelt in twee en twee noens wordt, en dit zijn de twee noens, die geschreven zijn in het stuk  "Wanneer de ark op het punt stond op te trekken",  welke noens gevormd zijn als een open omgekeerde noen ... Dit betekent een groot geheim: ieder die dit stuk dagelijks met de gepaste wijdng leest, zal niet gekwetst worden, zelfs als hij een reis onderneemt naar een plaats van dieven, op zee reist of naar een andere gevaarlijke plaats gaat. Zolang hij de twee bovenvermelde noens, die verwijzen naar de twee helften van het kleed, voor ogen houdt. Dat is het geheim van Mosjee's gebed  "Op, Eeuwige, laat uw vijanden verstrooid worden en die U haten voor U op de vlucht slaan.'  en ook de Rabbi Shimon bar Jochaj zei dat "het uitnemen van de Sefer Tora in het openbaar de poorten van de compassie opent, reden waarom we deze bede uitspreken als de Heilige Arke wordt geopend."'

Het bedoelde kleed kan je je voorstellen als een prachtig tapijt, dat zowel verbergt als onthult. Een kleed dat iets zeer diepgaands en intiems zowel verbergt als openbaart. Dit kleed is gemaakt van twee helften, de ene helft heel doorschijnend, de andere ondoorzichtig. De kabbalisten gebruiken dit beeld om de overgang begrijpelijk te maken tussen onze dagelijkse realiteit en de diepere of hogere realiteit die achter het kleed of gordijn of sluier ligt.

Het kleed beschermt ons als het ware. Zouden we aan de stralende licht en de onbegrensde energie worden blootgesteld van deze hogere werkelijkheid dan zouden we niet kunnen bestaan, zouden we weggevaagd worden. In feite is ons bewustzijn een staat van verberging. Ons besef van 'ik ben' is alleen mogelijk dank zij de verhulling van energie. De paradox is dat werkelijke gewaarheid niet betrekking heeft op datgene is wat we kunnen vatten, maar op 
datgene wat we niet kunnen vatten; wakker zijn betekent beseffen dat we in slaap zijn. Werkelijk gewaar zijn is dat we gewaar zijn van iets voorbij aan onze gewaarheid!

Het kleed sluit ons niet in een gevangenis. Als je goed kijkt zie je delicate patronen en subtiele figuren in het kleed. Die doen ons iets vermoeden van de ontzagwekkende processen achter dat schitterende doek. Het lokt ons om steeds naderbij te komen en het houdt ons ook op een afstand. Het werk van ons leven is om als het ware het licht van achter dat reuzengordijn in ons leven te krijgen, om de twee kanten met elkaar in verbinding te brengen. 
In termen van dat levenslange proces rond het kleed, dat openbaart en verbergt, is de ruimte tussen de twee omgekeerde noens, zoals de Talmoed oppert, op te vatten als een apart boek, in deze uitleg het boek waarin het verhaal van ons eigen leven bezig is zich te schrijven.

Ook de Tora kan opgevat worden als een kleed, dat zowel een uiterlijke, geopenbaarde, exoterische dimensie heeft met zijn do's en don'ts, als ook een innerlijke verborgen dimensie, het licht. Het onmetelijke divine licht kan neerdalen omdat het zich hult, zich verpakt zou je bijna zeggen, in een kleed, de uiterlijke Tora en ruimer gezegd, de materiele schepping. Zoals de midrasj zegt, de Eeuwige hulde zich in een witte talliet, en men verwijst dan naar psalm 4 vers 2,   in een mantel van licht bent U gehuld .
De exoterische kant is de manifeste wereld met al zijn valkuilen, ontberingen, verleidingen, lusten en lasten. Die wereld is eindig. De buitenkant van de Tora voorziet ons van richtlijnen en mitswot om de woestijn door te trekken. De esoterische dimensie, de binnenkant reflecteert het oneindige licht, dat zonder omvatting van een kleed ons zou verpletteren. De witte talliet schijnt in zijn witheid stralend op en vertaalt als het ware voor beperkte schepselen die wij mensen zijn iets van het oneindige licht door. De uitdaging is niet te vluchten uit de manifeste wereld en zijn moeilijkheden van alledag, maar de woestijn binnen te gaan, te temmen en vruchtbaar te maken, contact zoekend en houdend met de bron van licht.
De twee omgekeerde noens vertellen eigenlijk dit verhaal: de reis van het licht naar en door onze wereld en de oproep om die wereld aan te gaan met een gezonde slagvaardigheid in de overtuiging dan gedragen te worden door een kracht die groter is dan en voorbij aan de eigen vermogens. De ene noen representeert de kant van het oneindige licht, de andere kant representeert deze manifeste materiele wereld. Samen omsluiten zij het boek van onze eigen reis waarin wij aan alle kanten geinvolveerd zijn in die manifeste wereld, maar niet in de macht zijn van die wereld

(1) Emek Hamelech , kabbalistisch werk uit de 17 e eeuw met mystieke verhalen van Naftali Hertz ben Yaakov

Parashat Naso 
Bemidbar/Numeri 4:21–7:89 
De nazireeër en het ascetisme

De eerste drie parsasjot in Bemidbar behandelen alle toebereidselen die moeten gebeuren om de grote trek door de woestijn naar de grenzen van het beloofde land te beginnen. Al twee jaar bivakkeren de stammen van Israel in de nabijheid van de berg Sinaj. De parasha Naso is de tweede parasha van het het bijbelboek Bemidbar ‘in de woestijn'. 
De parasha Naso vervolgt de uitgebreide beschrijving van de taken van de drie huizen van de Levieten, die wordt afgesloten door de woorden waarmee Aharon en zijn zonen Israel moeten zegenen, de beroemde prieserzegen (6;24-26). Nu is alles klaar om de Mishkan in te wijden, zodat daarna het sein tot opbreken kan worden gegeven. Die inwijding zal gepaard gaan met een reeks offergaven (vooral dieren) en inwijdingsgeschenken, die de tent der samenkomsten zullen voorzien van het nodige gerei. Vele lange bladzijden zijn gewijd aan de beschrijving van de bonte stoet aan offerdieren en blinkende zilveren en gouden voorwerpen die iedere stam heeft gebracht. Het vertrek is nabij. 

Tussen al die regelingen rond de Misjkan staan in de parasja Naso nog een aantal opmerkelijke aparte bepalingen, misschien juist hier ingesteld om net voor het vertrek het corps aan voorschriften nog af te ronden. Een van die voorschriften is het ‘middeleeuwse' ritueel ingeval de jaloerse man zijn vrouw van overspel verdenkt. Dat laat ik even terzijde. Een ander betreft de voorschriften over de nazireeër (nazir), waarover wat meer. 

De nazireeër doet de gelofte geen alcohol of welk druivenproduct ook tot zich te nemen; ook zal hij zijn hoofdhaar niet afscheren en niet in de nabijheid van een dode komen. Ze wijden zich (hun leven of een deel ervan) aan God. Gaat het om een zuivere behoefte om een tijd ‘heilig' te leven? Gaat het misschien om een heel privaat schuldgevoel omtrent een of ander of dient het om een goed resultaat of de realisatie van een lang gekoesterde wens (bijv. een kind) af te dwingen of een gevreesd gebeuren te voorkomen? Of misschien om de drankzucht een halt toe te roepen, een heilige ontwenningskuur? 

Dat er mogelijk toch wel een begane misstap achter de gelofte van nazireeërschap kan schuilen zou afgeleid kunnen worden uit het feit dat er sprake is van zondeoffers (6:11 en 6:14) bij de beëindiging van de nazir-tijd. 
De rabbijnen hebben door de eeuwen heen het ‘ neziroet ' ambivalent beoordeeld. 
Deels schuilt er blijkbaar vanwege dat zondeoffer een zondaarschap achter de nazireeër. Anderszijds oogst de motivatie om een zuiver en heilig leven te leiden waardering (zoals bij Nachmanides). De adder in het gras is het gevaar dat de naar verzoening of verheffing strevende observant de ontkenning van de fysieke verlangens doortrekt naar een extreem ascetisme. Het christendom heeft dit kenmerk van de nazir om aardse genoegens af te zweren overgenomen en daar is die neiging flink uitgeleefd. Typisch is dat ‘nazir' in het modern Hebreeuws de term voor monnik is geworden. 
Al in de Talmoed wordt de reserve ten opzichte van het neziroet geuit, o.a. op basis van Bemidbar 6:11. Maimonides die extremen in het menselijk gedrag afwijst vermeldt dat in zijn inleiding in de ‘ Pirké Avot' genaamd ‘ Sheva Perakim' . In Bemidbar 6:11 staat onder andere een zondeoffer voorgeschreven, omdat hij “ in overtreding kwam door een lijk” ; in het Hebreeuws staat: ‘ me'asher chata al-hanefesj' , wat ook vertaald kan worden als “omdat hij zonde bedreef tegen zijn ziel”. Wat is die zonde dan? Wel juist die onthouding van de wijn! Als iemand die zich het genot van de wijn ontzegt al een zondaar wordt genoemd, hoeveel te meer dan niet iemand die zich nog veel meer genoegens van het leven ontzegt, zo verklaart ook Maimonides, die ten behoeve van zowel een lichamelijk als spiritueel gezond leven met klem het juiste midden verkondigt. 

Het nazireeërschap is een enkele uitzondering daargelaten uitgestorven. De mainstream opvattingen in het Jodendom keren zich tegen ascetische neigingen, die ontkenning van het lichaam en zijn behoeften en genietingen nodig achten voor spirituele verheffing. 

Parashat Bemidbar   Bemidbar/Numeri 1:1-4:20  

Een vooraanstaand man

Het bijbelboek Bemidbar ‘in de woestijn' - in de latijnse benaming Numeri - begint met het gelijknamige hoofdstuk, parasja Bemidbar. Die latijnse benaming Numeri, wat betekent getallen, wordt meteen duidelijk: het boek begint met het gebod aan Mosjé een volkstelling uit te voeren.  
Hoe die volkstelling moet plaats vinden wordt uitgebreid beschreven. Ieder stamhoofd of vorst, bij name genoemd, moet de leden van zijn stam tellen. In de verzen van hoofdstuk 1 vier tot 7 wordt verordend: ‘En dit zijn de namen der mannen die u ter zijde zullen staan: van de stam van Reöeven Elisoer (…)  van de stam van Jehoeda Nachsjon, de zoon van Aminadav.

Nachsjon ben Aminadav

We zijn de naam Nachsjon al eerder tegengekomen. Hij is de zuster van Elisjeva, de vrouw van Aharon, broer van Mosjee (Shem/Ex 6:27). Laten we deze figuur Nachsjon eens wat vanuit de schaduw in het licht stellen.
De grote volkstelling, die in deze parasja wordt opgedragen aan Mosjee is een grote ordening van de volksmassa in geregistreerde groepen en tegelijk een inventarisatie van het militaire potentieel aan weerbare mannen. Nachsjon, de zoon van Aminadav, is het hoofd, prins (‘ rosj ') van de stam van Jehoeda. Hij moet de telling in zijn stam leiden. Later zal hij de eerste zijn die zijn offers voor de inwijding van de tabernakel zal aanbieden (Bem/Num 7:17). Als de stammen na een jaar gaan vertrekken vanaf de Sinaj zal hij als hoofd van de stam Jehoeda als eerste het kamp opbreken (Bem/Num 10:14) en de grote stoet van voorttrekkers aanvoeren.
Er kleeft aan de man iets van een scenario van de eerste zijn.
De Oude Wijzen signaleren, dat Nachsjon, toen hij als eerste zijn offeranden ter inwijding van de tabernakel aanbood, er zes zaken waren die toen voor het eerst plaatsvonden. (1)
1) Het was de eerste dag, dat de priesters als zodanig dienst deden. 2). Nachsjon was de eerste die in de functie van stamhoofd optrad. 3) Hij was van alle Israelieten de eerste die zijn offers naast de tabernakel bracht. 4) Het was de eerste dag van de (toenmalig) eerste maand (Niesan) van de Joodse kalender. 5) Het was precies een jaar na de uittocht uit Egypte. 6) Voortaan was het verboden een offer aan de Eeuwige te brengen op een andere plaats dan naast de tabernakel.
Te verklaren, waarom aan hem zoveel primeurs toekomen, daarvoor is meer speurwerk nodig.
Om meer te weten te komen gaan we terug naar de spannende momenten, dat het gehaast uit Egypte wegtrekkend volk van Israel gevangen staat tussen het aankomende leger van de farao en de zee, between the devil and the deep blue sea. We volgen bijna letterlijk de weergave van het gebeuren in de midrasj (2):
‘De stammen maakten ruzie met elkaar over wie het eerst in de Rietzee zou stappen. Nachsjon maakt er eind aan en stapte resoluut het water in. Zoals de profeer Hosjea (12:1) zegt: ‘'Efraïm (is Israel) heeft mij omsingeld met leugens, het volk van Israël heeft mij ingesloten met bedrog. Maar Jehoeda heeft nog een band met God en blijft de Heilige nog trouw''. De geschriften citeren hem als het ware in de uitroep van Psalm 69:2 ‘'Red mij, God, het water staat aan mijn lippen, ik zink weg in bodemloos slijk en vind geen grond voor mijn voeten, ik ben in diep water geraakt, de stroom sleurt mij mee''. Op het moment, dat Nachsjon al in het water was gestapt was Mosjee nog verwikkeld in een lang gebed, waarop Kodesjborchoe tot hem zei: ‘'mijn geliefden zijn in de zee en jij staat hier nog voor mij!'' Mosjee zei:''Meester van het universum, wat moet ik doen?'' Hij zei tot hem: ‘'Spreek tot de Israëlieten, dat zij voorwaarts gaan en hef je staf en strek uit je hand over de zee en verdeel haar, etc.'' Terwijl Mosjee nog om goddelijke interventie bad wachtte Nachsjon niet op het wonder, maar anticipeerde het in rotsvast vertrouwen. Daarom werd Jehoeda beloond, zodat hij de heerser werd over Israel, zoals de psalm (ps. 114:2) luidt: ‘'Toen Israël wegtrok uit Egypte, het volk van Jaäkov dat vreemdtalige land verliet,  werd Jehoeda zijn heiligdom,Israël zijn koninkrijk. De zee zag en vluchtte.”'
We zien hier al een voortzetting van de uitspraak van Jaäkov op zijn sterfbed over Jehoeda als leider van het volk. (Beresjiet/Genesis 49:8). In het boek Bemidbar is Nachsjon als vertegenwoorfiger en leider van de stam van Jehoeda steeds letterlijk een ‘vooraanstaand man'. Via Nachsjon loopt de rode draad verder over zijn nakomelingen naar koning David.

noten
(1) Daät Zekeniem (een verzameling rabbijnse uitspraken uit de dertiende eeuw) op Bemidbar/Numeri 7:17:4
(2) Talmoed Sota 37a

Sjawoeot

Zondag is het Sjawoeot, het Wekenfeest. We staan weer aan de voet van de Sinaj berg en luisteren naar de Tien Uitspraken. Sjema! Luister!
Wat is dat luisteren? Het heeft te maken met een zo'n plek van ruimte en stilte. De natuur om ons heen kan ons helpen, maar uiteindelijk is het een plek in onszelf, in ons binnenste, een plek buiten al onze oordelen, vooroordelen, buiten angsten voor straf en veroordeling en hoop op beloning; Een innerlijke plek, waar we luisteren.
Ik geloof dat je niet goed kan luisteren als je gemotiveerd bent door hoop op beloning of angst voor straf of door allerlei andere motieven van vermeend eigenbelang.
Echt luisteren kan toch alleen als we zijn op een innerlijke plek, waarin we vrij zijn en in onze kracht, nieuwsgierig en levend . Als we daar zijn – of het nu lernend is, in het bos, in meditatie, tijdens het bidden, of voor mijn part midden in wetenschappelijk onderzoek, of in een goed gesprek - op die plek kunnen we luisterend contact krijgen met wat werkelijk essentieel is in onszelf, kunnen we vanuit die essentie misschien verbinding krijgen met de essentie van alle essentie, kan een opening zich voordoen en ik denk aan het woord van onze rabbi van Kotsk, God woont waar men hem binnenlaat.
Chag Sjawoeot sameach!


Parashat Bechoekotai  Wajikra/Leviticus 26:3–27:34
Rampen

De parasjat Bechoekotai is de laatste parasja van het boek Leviticus/Wajikra. Het is het forse slotakkoord van dit boek met zijn vele mitswot. In deze parasja, staan een reeks zegeningen "als jullie (Israël) wandelen in mijn wetten en voorschriften en ze houden en ze doen " en daarna een lange reeks indrukwekkend beschreven rampen, die zich zullen voordoen, "als jullie niet naar mij luisteren en jullie al deze voorschriften niet doen” . Dergelijke passages met zegeningen en vervloekingen waren een gebruikelijke afsluiting van contracten in die oude Middenoostelijke tijden. Beschouwt men dit Bijbelboek Wajikra als (een belangrijk deel van) van het verbond van de Eeuwige met zijn volk, dan is deze afsluiting in lijn met destijds toegepaste contractuele gebruiken. Overtreding van overeengekomen verplichtingen werden gesanctioneerd met de meest vreselijke vervloekingen. . 

Hoe gaan we om met al die straffen die de Tora middels de daar tot Mozes sprekende God in het vooruitzicht stelt voor het geval van ongehoorzaamheid aan Zijn voorschriften? 

Wel, die straffende God, daar geloven wij niet meer in, maar in deze parasja – die wel de Tochacha, de berisping wordt genoemd – klinkt wel een basale intuïtie door, die zich niet tot het individu richt, maar tot het collectief, de gemeenschap. Wij kunnen hem lezen als een intuïtie, die in de bijbelse taal gericht is aan het volk van Israël, maar die geldt voor ieder volk, het is een universele intuïtie: de gemeenschap, die de regels van gerechtigheid aan zijn laars lapt, die de voorschriften om voor de armen, de weduwen en de wezen te zorgen verwaarloost, die de vreemde ander onderdrukt, nalaat de werkers hun loon te betalen, die zich bezondigt aan omkoping en corruptie, aan partijdigheid in de rechtspraak, aan haatzaaien, zo'n gemeenschap of maatschappij loopt het gevaar tot anarchie te raken, tot geweld en tot oorlog, die staat bloot aan rampzalige ontwikkelingen, waarvan deze parasja zo'n kleurrijke bloemlezing geeft en waarvan de wereld van vandaag op zo vele plaatsen getuigenis geeft, ik noem geen namen. Het is een maatschappij, waarin de mensen elkaar als object zien - ieder voor zich de ander beschouwend als object in zijn eigen wereldje - , een samenleving, waarin de mensen niet meer het gelaat van de ander zien, dat een appèl doet op gerechtigheid en compassie. Een maatschappij of gemeenschap, waarin de goedheid van de mens is verzonken, kortom die ‘van God los' is. 

De lotgevallen van het volk van Israël lijken dan een soort pilot project voor alle volken. Is de geschiedenis van het joodse volk niet een vaak bittere voorbeeldgeschiedenis van de worsteling om met vallen en opstaan een ‘goed' volk te zijn, een volk, dat het gevaar loopt het slachtoffer te zijn van machtige volken, die op hun beurt de vreemdeling haten en kwade bedoelingen hebben? 
In die zin roept deze parasja ons nog steeds toe. 

Gelukkig hoeft niet ieder lid van de gemeenschap een heilige te zijn, want in het begin van deze parasja staat ook onder de zegeningen – die zijn er gelukkig ook – deze passage: 
26:8   Vijf van jullie zullen volstaan om honderd vijanden te verjagen en met honderd van jullie verjaag je er tienduizend; ze zullen door jullie zwaard worden geveld.

Wanneer je deze belofte van de militaire sfeer overhevelt naar de spirituele sfeer- zoals de Oude Wijzen doen(1) - , dan mag je constateren, dat naarmate de minderheid van getrouwe rechtvaardigen zich vermeerdert hun invloed niet lineair, maar onevenredig toeneemt. Als tien honderd aankunnen, dan kunnen honderd niet alleen tweeduizend man aan, maar veel meer, wel tienduizend! Een ‘kritische massa' van rechtvaardigen – laten we zeggen een massa van fatsoenlijke tot verlichte mensen - kan de samenleving voor rampen behoeden. 
Maar zeker is, dat minder dan tien niet voldoende is, zoals Avraham ervoer toen hij de redding van Sedom trachtte af te smeken.

(1) Vermeld in Nechama Leibowitz' commentaar op Bechoekotai


Parasjat Behar   Wajikra/Leviticus 25:1 - 26:3  
het Joweel-jaar als utopisch moment

In het Bijbelboek Wajikra/Leviticus, in de weekportie ‘Behar', wordt voorgeschreven, dat na zes jaar bebouwing de akkers een jaar braak moeten liggen. Dezelfde rust wordt voorgeschreven voor de wijngaard. Ook zal men wat er opkomt niet inzamelen. Rijk en arm, mens en dier hebben gelijkelijk toegang tot wat er te velde staat. Het moet een sabbatsjaar zijn met volledige werkonthouding.
Na 49 jaren is het vijftigste jaar een Joweeljaar (jubeljaar); In dat jaar komt ook land, dat de afgelopen 49 jaar is verkocht weer terug bij de oorspronkelijke eigenaar en in de verkoopprijs wordt rekening gehouden met de afstand in tijd tot het komende jubeljaar.

‘Laat dan in de zevende maand op de tiende van de maand bazuingeschal weerklinken; op de Dag van de verzoening moet je de bazuin doen schallen in heel jullie land. Geef het vijftigste jaar een bijzondere wijding door in het land vrijheid af te kondigen voor al zijn bewoners, een door de bazuin ingeluid jaar, een Joweeljaar is het en moet het voor jullie zijn; ieder moet dan terugkeren naar zijn eigen grondbezit en ieder moet weer in zijn eigen familie terugkomen'(Waj/Lev. 25, 9-10) en:  
"want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij" (
Waj/   Lev. 25,23)  

Twee fundamentele boodschappen klinken voor mij in deze passages door.  

De eerste is: niets is permanent, zeker bezit niet.  
We hebben ons bezit, onze eigendommen, wellicht ook ons lichaam te leen, in beheer; onder deze passages bespeur ik een ondertoon: bezit of eigendom is een noodzakelijke illusie, een onvermijdelijk maar noodzakelijk ‘onrecht' , dat wel eens in de zoveel tijd doorgeprikt moet worden, weer moet worden rechtgezet. Want het is alles
" van Mij, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij   ".  
In het rabbijnse Jodendom is de regeling allengs aangepast en gemitigeerd.  

In onze wereld van kapitalisme en materialisme hebben we bepalingen als deze ‘uitwendige' Joweel-regeling allang niet meer. Maar in momenten van psychologische, filosofische of religieuze bezinning kunnen we er niet onderuit: in existentiële zin moeten we uiteindelijk alles weer teruggeven. Niet alleen de akker na verloop van jaren tot het Joweel-jaar, maar na de ons toegemeten tijd ook al ons bezit, ons lichaam, ons leven. Het zal geen toeval zijn dat de "Joweel-tijd" 50 jaar is: als ik een akker koop in mijn jeugd, kan ik er een leven lang op zaaien en van oogsten, dan moet ik hem doen terugkeren naar zijn oorsprong.

De tweede boodschap put uit deze oude bepalingen een utopisch moment:  
Stel je voor, overal in het land klinkt het machtige geluid van bazuinen, overweldigend kopergeschal, overal in stad en land te horen; signaal van een fundamentele bevrijding, een jaar lang, waarin knellende banden geslaakt worden, waar in een diep vertrouwen de gangbare gedreven arbeid wordt gestaakt en men zich overgeeft aan de gang der natuur. Wat er te velde staat is voor iedereen. Weg schuttingen, heiningen. Allerlei in bijna een halve eeuw ontstane complicaties worden weer ontrafeld (Even niet nadenken over de andere complicaties die dit met zich ee zou brengen …). Het roept allerlei eschatologische beelden op van een wereld van diepgaande vrede, verzoening en viering. Imagine.. .

En stel, dat je het Joweel-jaar weer zou invoeren, b.v. alleen voor de landbouw, het zou wellicht een ecologische zegen zijn voor de geëxploiteerde grond. Of nog verder doorgevoerd, alle schulden kwijtgescholden, ook aan de derde wereld.  
Stel, dat je dat jubeljaar helemaal zou doorvoeren; stel, dat er een grote en edele geest over de planeet zou waaien: deze aarde is van allen; " want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij   ".  
Stel je voor, - ondenkbaar, maar met utopische fantasie voorstelbaar - hoe zou dat zijn; het lijkt wel totaal onhaalbaar, maar stel je voor" Imagine…
En stel, dat je ook weer zeven maal zeven maal zeven jaar - 343 - voorbij laat gaan en dan een soort ultiem jubeljaar instelt, dat nog verder gaat. Hoe? Fantaseer.
Dit eschatologische beeld vind je terug in de Joodse mystiek in de idee, dat na zes milennia een sjabbat-milennium aanbreekt: de messiaanse tijd. (zie b.v. Talmoed Sanhedrin 92a).

Maar nu even een lichte voet op de rem: Heilsverwachtingen, bewustzijn van Nieuwe Tijden of Eindtijd, verwachting van Messiaskomsten of Christuswederkomsten zijn, als ik het zo mag zeggen, van alle tijden. New Age fenomenen alom. Enige alertheid is op zijn plaats.  
Wat werkelijk nieuw is in dit tijdsgewricht, met welke specifieke bewegingen zich mensheid en wereld nu wendt naar een werkelijke Nieuwe Tijd, laten we dat niet te snel invullen en vastleggen; laten we de diagnose van Nieuwe Tijdsfenomenen steeds open houden:  
zoals we de bijbelse akker braak laten liggen, laat ons hart - met de stevige grond van een geschiedenis en een traditie - open blijven staan voor wat wérkelijk als nieuw, als helend, als richtingwijzend onthuld wordt.

En hoe en waar en wanneer die Nieuwe of Messiaanse Tijd aanbreekt, laten we dat niet te snel bepalen, zeker niet voor anderen. (laat staan dat we handelen uit heilige overtuigingen dat die Messiaanse Tijd de herbouw van de tempel in Jeruzalem zou moeten inhouden, God verhoede).  
Als we ons kunnen onthouden van ideologisering en dogmatisering, kunnen we ook de zuiverheid en afgestemdheid hebben om te weten wat werkelijk de tekenen des tijds zijn.   En om te weten hoe wij misschien - voor een schijnbaar nietig stukje - zelf een 'teken des tijds' kunnen zijn. De beroemde filosoof-bijbelgeleerde Yeshayahu Leibowitz (1903-1994) zegt: ‘de Masjieach zal komen, eens. De masjieachs die kwamen waren vals. De masjieach die komt is vals. Het kenmerk van de Masjieach is dat hij altijd komende is'….(1)

(1) te horen op https://www.youtube.com/watch?v=Zz-QMDPW5RM


Parasjat Emor Wajikra 21:1-24:3 

In de parasja Emor vinden we verdere voorschriften en bepalingen over de priesters en de offergaven. Dan worden de hoogtijdagen voorgeschreven en omschreven, de sjabbat, Pesach, Sjawoeot, Rosh Hashana, Jom Kipoer en Soekot. Tenslotte volgen bepalingen over de twaalf toonbroden en wordt naar aanleiding van een geval van godslaster nog eens teruggekomen op het ‘oog voor oog, tand voor tand etc.', de lex talionis, waarover we eerder al hebben gesproken. Wij focussen op de dag van Lag BaOmer, die in deze week valt op donderdag 26 mei. Wat is Lag BaOmer?

Lag baOmer en Sjimon bar Jochai  

In de periode tussen Pesach en Sjavoeot tellen we 49 dagen lang Omer vanaf de tweede dag van Pesach tot de vijftigste dag: het Wekenfeest, Hebreeuws: Sjawoeot.
Donderdag 26 mei, de 33 ste dag van de Omer-telling, is het Lag BaOmer.
Waar komt deze speciale dag vandaan? Op die datum, 18 Ijar, vond een positieve keer plaats in de Bar Kochwa opstand tegen de Romeinen (maar niet voor lange duur). Tegelijk is die datum de sterfdag van een van de grootste oude wijzen uit die eerste eeuwen van de gewone jaartelling Sjimon bar Jochaj.

Eigenlijk zijn de 49 dagen Omer-telling een periode van lichte rouw, die gedenkt, dat een vreselijke pestepidemie de 24 000 leerlingen van Rabbi Akiva wegvaagde in de tweede eeuw gewone jaartelling. De legende (in de Talmoed) zegt, dat deze epidemie het gevolg was van hun gebrek aan respect voor en jaloersheid op elkaar.
Rabbijnen vergelijken deze raadselachtige en wrede gebeurtenis met Nadav en Avihoe, de twee zonen van Aharon, die wegens ‘vreemd vuur' (eesj zara) door de bliksem werden getroffen (Lev. 9:23-10:4), waarschijnlijk omdat zij in hun fanatieke toewijding het contact met hun omgeving en hun dienende taak verloren hadden. De leerlingen van Akiva, allen hoogbegaafd en fanatiek, verloren op vergelijkbare manier de grenzen van hun taak uit het oog, gingen vurig op in hun eigen brille en verdroegen de mening van hun collega's niet meer. Sommige oude wijzen hebben begrip voor de passie van de leerlingen, die alle grenzen uit het oog verloren in hun streven naar de opperste nabijheid bij God. Tegelijk destilleren uitleggers de les, dat fervente passie de kunst van de terughoudendheid broodnodig heeft.

Op historisch niveau bekeken lijkt me de veronderstelling niet ongerechtvaardigd, dat de dood van deze menigte studenten geplaatst moet worden in de oorlog tegen de Romeinen, die de Joden, geprest door de onbarmhartige verboden van keizer Hadrianus – o.a. om te besnijden – en zijn plan om een Romeinse tempel op de plaats van de in 70 verwoeste tempel te bouwen, in 132 waren begonnen onder militaire leiding van Sjimon bar Kochwa en onder spirituele leiding van Rabbi Akiva. Aanvankelijk boekten de opstandelingen successen. Aangenomen werd, dat het keerpunt in de opstand ten gunste van de Joden plaats vond op de achttiende van de maand Ijar, de dag die nu de rouwperiode even onderbreekt, de dag die we nu Lag baOmer noemen. Later zou men aannemen, dat op die datum het sterven van de Akiva-studenten gestopt zou zijn.
Ruim twee jaar was er even weer een Joods Rijk, van 133 tot 135. Sjimon bar Kochwa werd door velen als Masjieach gezien en hij kreeg de titel ‘nassi', vorst. Maar de Romeinen rukten ten slotte met overmacht op en in de slag bij Betar, 135, werden de Joden verslagen. Rabbi Akiva werd gekruisigd.
De vele leerlingen van Rabbi Akiva, zouden die niet als toegewijde soldaten zich bij het leger van Sjimon bar Kochwa hebben aangesloten en zouden ze niet met passie tegen de Romeinen hebben gestreden? Waarschijnlijk zijn ze dan als strijders op het slagveld gesneuveld of door de Romeinen na de capitulatie geëxecuteerd, net zoals hun leraar. In de Talmoed is dan dit gebeuren, zou men kunnen zeggen, getransformeerd tot een verhaal in religieuze en morele sfeer.

In ieder geval is één leerling van Rabbi Akiva aan de dood ontsnapt door zich voor de Romeinen verborgen te houden. Rabbi Sjimon bar Jochaj was een van de belangrijkste leerlingen van wijze Rabbi Akiva, die een van de grondleggers was van de Misjna. Sjimon bar Jochai bleef ook na de opstand onverzoenlijk en was wars van ieder compromis met de weer toenadering zoekende Romeinse autoriteiten. Bang voor verraad vluchtte hij met zijn zoon Elazar en zocht toevlucht in een grot, 13 jaar lang.  
De legende verhaalt dat zij dronken uit een riviertje dat plotseling vlakbij ontsprong, aten van een carobeboom die vlakbij ontsproot en dat zij in de grot alleen kleding droegen bij het bidden en zich tussendoor met zand bedekten om hun kleding te sparen. Dertien jaren verdiepten zij zich in de geheimen van de Tora. Hier werden de kiemen gelegd voor de esoterische wijsheid van de ‘Zohar', die later in de dertiende eeuw werden opgeschreven door R. Moses de Léon. Na twaalf jaar stierf keizer Hadrianus en werd er een amnestie afgekondigd. Rabbi Sjimon en zijn zoon verlieten de grot. De eerste man die zij zagen was een boer die zijn koren maaide. Rabbi Sjimon kon na twaalf jaren diepgaande verzinking in de Tora niet begrijpen dat iemand zich met dergelijke wereldse zaken bezig hield. Zijn borende ogen verzengde de eenvoudige boer die in een hoop as en beenderen veranderde. De vertoornde stem van de Eeuwige, hij zij geprezen, riep: “Wil jij mijn wereld vernietigen? Ga terug naar je grot!”.   Weer een jaar van intense verdieping volgde. Nu konden zij zich wel verzoenen met de wereldse gang van zaken en het alledaagse gedoe van hun medemensen.
Met grote blijdschap werden Rabbi Sjimon en zijn zoon verwelkomd. Vele wonderen zijn aan hem toegeschreven en vele anekdotes over wijze uitspraken zijn overgeleverd.   Verhaald wordt dat hij zo intensief Tora studeerde dat hij het bidden mocht overslaan.  
Op 18 Ijsr stierf Sjimon bar Jochaj, op de 33 ste dag van de Omer telling, dus Lag baOmer gedenkt ook vooral dat; de Hebreeuwse letters l en g vormen samen het getal 33. Omdat de Joodse wijze bepaald had, dat die gedenkdag een feestdag moest zijn, is er op die dag een onderbreking van de rouwperiode met allerlei vieringen. Gedurende de laatste eeuwen is de gewoonte ontstaan om de sterfdag van Rabbi Sjimon te gedenken door zijn graf te bezoeken. Vele duizenden met name chassidische joden bezoeken op deze dag zijn tombe op Mount Meron in het noorden van Israël, bij Tsfat. Grote vreugdevuren worden ontstoken, en driejarige jongetjes worden voor het eerst van hun leven geknipt, de zg ‘opsheren' ceremonie. In de Omer periode worden geen huwelijken gesloten behalve op deze dag.  
In de kabbala wordt aan deze dag een grote lichtkracht toegeschreven.

Parasja Kedosjiem Leviticus/Wajikra 19:1–20:27
Wat is liefhebben

Iedereen kent wel in een of andere vorm de zg. Gouden Regel, 'The Golden Rule'.
In vele wereldgodsdiensten en levensbeschouwingen komt hij wel in een of ander vorm voor, maar het meest bekend – in ieder geval in het Christelijke deel van de wereld – is hij in de formulering: 'Hebt uw naaste lief als u zelf' of 'Wat u niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet'.

Als je de vraag stelt: wie heeft de uitspraak ‘Hebt uw naaste lief als uzelf' gedaan, krijg je in de meeste gevallen het antwoord: …… Jezus. Op zich is heeft hij dat wel gezegd, maar hij citeerde - als de Joodse leraar die hij ook was - uit de Joodse Tora, uit het boek Leviticus: hoofdstuk 19, vers 18, in de parasja Kedosjiem:  Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de Eeuwige .

Het lijkt zo'n loffelijke uitspraak, hebt uw naaste lief als uzelf, maar voor je het weet wordt het een trits mooie woorden, die je makkelijk als een utopische tegelwijsheid naast je neerlegt om over te gaan tot de orde van de dag.
Wat is liefhebben, het is zo'n vraag, die als cliché de indruk maakt een vreselijke dooddoener te zijn. Maar Joodse bijbelgeleerden met hun praktische instelling en nuchtere kijk weten de vraag tot proporties terug te brengen, die enige beschouwing toch mogelijk maken.
Het is geen romantisch voorschrift om tegenover iedereen tedere en liefderijke gevoelens te hebben. Hoe kan je dergelijke gevoelens ook door een gebod afdwingen. Wat te doen als je iemand absoluut niet mag? En wat heb je aan de liefderijke gevoelens van iemand, die je als je honger hebt geen brood geeft?
De middeleeuwse commentator Nachmanides betwijfelt het menselijk vermogen aan dit zo absolute gebod op emotioneel niveau te voldoen.

Er staat in het hebreeuws trouwens ‘ Ahawta le-reacha k'mocha' , wat als je het heel letterlijk vertaalt betekent: Heb naar de ander toe lief, die ander staat als het ware niet in de vierde naamval – wat je ook in het hebreeuws zou verwachten - maar in de derde naamval. Dat brengt het liefhebben in de sfeer van het streven en niet zozeer als een te volbrengen resultaat.

Nachmanides en anderen stellen, dat het niet om de naaste als persoonlijkheid is te doen, maar om zijn welzijn. Het welzijn – materieel en geestelijk - van de ander dient je net zo ter harte te gaan als je eigen welzijn. Dan wordt het voorschrift de ander lief te hebben als jezelf wel vatbaar voor een actieve uitvoering, als is het op een andere dan de romantische manier ook moeilijk genoeg. Het gaat om goed te doen en het welzijn van de ander te bevorderen, zelfs al heb je van die ander een afkeer. Het gaat dan niet alleen om die edele trits van uit het verhaal van de barmhartige Samaritaan, de giften van voedsel, kleding en onderdak (Lukas 10:25–37) – dat zeker ook – maar ook om een reeks schijnbaar minder spectaculaire, kleinere en alledaagse daden van hulp en hoffelijkheid. 
Geen woorden maar daden zingen de voetbalfans van Feyenoord. Het Jodendom zingt: woorden, desnoods veel woorden, maar wel leidend tot concrete daden. In de Tora, staat een bepaling die steun geeft aan een daadwerkelijke uitvoering van naastenliefde ook in het geval van niet sympathieke personen: in Exodus 23:5 is te lezen: ‘ Wanneer gij de ezel van uw vijand onder zijn last ziet bezwijken, zult gij dit niet onverschillig aan hem overlaten. Gij zult hem zeker helpen met afladen '. Hier heeft Jezus misschien wel aan gedacht toen hij kwam met zijn abstractere adagium ‘Hebt uw vijanden lief'.

Deze opvatting van Nachmanides en latere commentatoren geeft ons voor een deel een grote opluchting: we hoeven niet van iedereen als persoon te houden, niet van die vervelende buurman, niet van die lastige collega's te houden en ook niet van alle nieuwere Nederlanders van Caribische, Zuid-Amerikaanse, Afrikaanse of Middenoosterse afkomst. We hoeven zelfs niet van alle Joden te houden. Maar het geeft ons wel een verantwoordelijkheid: om ons te bekommeren om hun welzijn, om het materiele en geestelijke welbevinden en om hen vriendelijk en hoffelijk tegemoet te komen.

Parashat Acharee Mot Wajikra/Leviticus 16:1 -18:30
Een voorwaarde voor verzoening

In deze parasha – in hoofdatuk 16 - wordt de Grote Verzoendag, Jom Kipoer ofwel Jom Ha-Kippoeriem, ingesteld en de procedures, die de hogepriester, de Kohen Gadol, heeft te volgen om verzoening voor de gepleegde zonden te bewerkstelligen, worden uitgebreid beschreven. Dit hoofdstuk 16 wordt gelezen in de ochtenddienst van Jom Kipoer

Er zijn drie fasen in het verzoeningsproces. Eerst maakt de Hogepriester – beschreven in de persoon Aharon – verzoening voor zichzelf. Dan als gezuiverde voorganger doet hij een gelijksoortig ritueel voor het hele priesterhuis en als derde fase wordt de verzoening bewerkstelligd voor het hele volk.
Daarbij worden twee bokken onderworpen aan het lot. Het ene lot treft de bok die wordt opgedragen aan de Eeuwige en geofferd, de ander wordt door de Hogepriester belast met de zonden van het volk en de woestijn ingejaagd.

In de moesaf (aanvullende) dienst op Jom Kipoer wordt de tempeldienst, zoals die beschreven is in het Talmoed traktaat Joma,, dat gaat over Jom Kipoer, gelezen en als het ware meebeleefd. Daarin wordt de tekst van elk van de drie fasen afgesloten met de zin. die aan het einde van hoofdstuk 16 uit deze parasha concludeert in de woorden:
Ki bajom hazè jechaper aleichem letaher etchem mikol chetoteichem lifné Hashem titharoe.
We volgen de vertaling van A.S. Onderwijzer, die het meest letterlijk vertaalt:
‘Want op deze dag zal men verzoening voor u doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult u rein zijn vóór de Eeuwige.'
Het lijkt logisch dit zo op te vatten dat de eerste in een intentie stelt, ‘om u te reinigen. De tweede zin formuleert die intentie als vervuld, het doel als bereikt, ‘van al uw zonden zult u rein zijn vóór de Eeuwige'.

Maar in de Mishna – de schriftstelling van de mondelinge leer en de kern van de Talmoed - wordt anders geredeneerd: De woorden worden anders verdeeld over de twee zinnen.
De eerste zin wordt gelezen als ‘ ‘ Want op deze dag zal men verzoening voor u doen, om u te reinigen van al uw zonden vóór de Eeuwige'. De tweede zin bevat alleen het Hebreeuwse ‘ titharoe ', ‘je zal rein zijn', in de zin van ‘jezelf rein hebben gemaakt',
Deze lezing vinden we terug in de interpretatie van R. Eleazar ben Azariah: voor overtredingen tussen de mens en de Alomaanwezige verschaft Jom Kipoer verzoening, maar voor overtredingen tussen de ene mens en de andere verschaft Jom Kipoer pas verzoening als hij het met zijn naaste heeft goedgemaakt. (Misna Joma 85b). In zijn uitleg wordt ‘titharoe' op het eind van de tweede zin gelezen als werkwoordsvorm in aansporende zin: laat u zich zichzelf (eerst) reinigen!
Het is dan geen follow up van de eerste zin, maar eerder een conditie voor de eerste zin; De Eeuwige zal pas verzoenen voor alle zonden, als u rein ben door u zelf gereinigd te hebben van de verkeerdheden in relatie met uw naasten , door wat misdaan is met hen goed te maken..

Intussen is dit de mainstream opvatting geworden van de leer rond verzoening op Jom Kipoer.

Sjabbat 7e dag Pesach
Religie, Jodendom en de nieuwe tijd

De laatste dagen van de Pesach-week staat in het teken van de komst van de messiaanse tijd.
De haftara (lezing ui de Profeten) voor de zevende dag Pesach, die op deze sjabbat valt, is Jesaja 11;1-10 ,12:1-6, beroemde passages, waarin o.a. de wolf naast het lam zal liggen en waarin van de Masjieach wordt gezegd, dat ‘de geest van de Ene op hem (zal) rusten: een geest van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest van kennis en ontzag voor de Ene’ .
Voor mij aanleiding om eens de polsslag van deze tijd te meten.

Hebben religies inclusief Jodendom in de toekomst nog betekenis? Om deze vraag te verkennen spring ik eerst naar het verleden en nodig u uit met mij in snelle vogelvlucht van eeuwen her naar nu te reizen. De vraag werpt zich op: zit er in de godsdiensten zelf en in de beleving ervan in de menselijke ziel en geest een ontwikkeling. Is er een evolutie te vinden, een progressie? Een ingewikkelde en misschien overmoedige vraag voor een wetenschappelijke amateur als ik, maar ik moet hem in dit verband toch stellen. Ik wil dan pijlsnel een onvermijdelijk zeer generaliserende antropologische tocht maken.

Tot de Verlichting

Aan het begin zien we dan de archaïsche en magische wereldbeleving van de stam. Onderzoekers is het opevallen, hoe in het millennium vóór het begin van de westerse jaartelling enorme veranderingen zich voltrokken in het religieus bewustzijn. Het wordt wel het axiale tijdperk genoemd. Er ontstond een nieuwe visie op de mens en zijn plaats in de kosmos. De mensheid of althans zijn voorhoede trad uit de donkerte van archaïsche totems en taboes en mythische wereldbeleving met zijn goden en helden. De lichtkring van bewustzijn verbreedde zich.
Er kwam een inzicht op dat de mens de opdracht had zich het leven te ontplooien. In verschillende vormen werd een ethische opdracht geformuleerd. Een besef van de transcendente aanwezigheid van een Absolute achter alles. Boeddha verkondigde zijn visie op wereld, leven, lijden en verlichting. Bij het Joodse volk was Mozes de doorgever van revolutionaire voorschriften aan zijn volk over hoe met elkaar en met zijn bestemming om een voorbeeld voor andere volken te zijn. De Tien Geboden en andere belangrijke ethische uitgangspunten werden onder woorden gebracht.
Oude archaïsche beelden en de mythische wereldbeschouwing van het volk, rijk aan beelden, vol godenverhalen verdwenen niet. Maar aan hen werd een nieuwe rijke inhoud te geven, ze werden getranscendeerd. Veel daarvan is nog in de Joodse Tora, de eerste vijf boeken van de bijbel terug te vinden. Dat was alles bij elkaar een enorme vooruitgang.
De bestaande wereldgodsdiensten begonnen hun opmars, inclusief de latere loten van christendom en islam. Wel zien we de neiging om de spirituele doorbraken van ooit, die in het begin geleefde waarheden waren, in te kapselen in dogma's en machtsstructuren. Eerbiedwaardige en machtige instituten als de kerk werden uitbaters van absolute waarheden. Ook worden deze dan beleden in de sociaal begrensde kring van de eigen gelovigen, waarbuiten geen waarheid kon bestaan. De staat was vooral het terrein waarop religie zijn invloed uitoefende.
Om reden van de nodige beknoptheid laat ik de Helleense invloed even terzijde.

De moderniteit

We passeren heel snel een aantal stations op deze lange mars door de eeuwen en komen via de renaissance en de wetenschappelijke omwentelingen in de 17e eeuw bij de Verlichting. Deze beweging, gekenmerkt door een vernieuwde en scherpere toepassing van de rede op de feiten van de wereld (met name door experimentele toetsing) deed de oude gebouwen van het dogmatiek en kerkelijke autoriteit wankelen. De wereld werd kleiner en de analyserende blik van de mens reikten naar onvermoede verten. Ook God moest eraan geloven.

Ik beschouw de fase van de Verlichting als een fase in de evolutie van het religieus bewustzijn en beleven van de mens en ik zie de gave tot objectief onderzoek van feiten met behulp van rede en experiment als een ongekende expansie van het bewustzijn van de mens en een enorme verruiming van zijn mogelijkheden, ook om de oude absolute dogma's en benauwende claims van de religieuze instituten van de religie te overstijgen. Het is een progressie in de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn met een onpeilbaar grote invloed ook op levensbeschouwing en religie. De moderniteit was aangebroken. Met alle voordelen en de prijs die de mensen ervoor betalen.
De mogelijk van secularisatie werd door brede massa's aangegrepen. Voor de Joden betekende de verlichting emancipatie uit het getto. Het gaf de mogelijkheid de overgeleverde tradities in een nieuw en ruimer licht te zien. Sommigen stapten helemaal van hun geloof af en kozen voor assimilatie.
Omdat de mensen toch niet zonder perspectief kunnen en opgenomen willen zijn in een enthousiasmerend perspectief dat hun eigen leven ontstijgt ontstonden in de moderniteit pseudo-religieuze bewegingen, die een enorme impact op de wereld zouden hebben. Nationalisme, het materialistische marxisme of het kapitalistisch-liberale vooruitgangsgeloof. Onder de seculiere profeten die opstonden konden we trouwens nogal wat Joden ontwaren zoals Karl Marx met zijn socialistisch-messiaanse theorieën en Sigmund Freud, die als een moderne Mozes door de wildernis van het innerlijk trok.

Wat nu

We zijn inmiddels aangeland in de postmoderne periode. De net genoemde surrogaatgeloven zijn van hun voetstuk zijn gevallen en hebben hun magnetische impact op geest en ziel verloren. Wat er overgebleven is aan kerk of geloofsinstituut probeert krampachtig nog een bestaansrecht te claimen. Met de enorme technologische ontwikkelingen lijkt de triomf van de ratio compleet. Maar ook het rationele tijdperk heeft zoals elke fase zijn vervorming; het is de absolutistische en uitsluitende pretentie, die het als het ware heeft overgenomen van de oude religieuze instituten, maar nu om het niet manifeste, het innerlijk, het spirituele en God te ontkennen. Alleen wat gemeten en bewezen kan worden is waar. De ratio is geen instrument meer maar absoluut heerser en zijn neef ‘ het objectief aantoonbaar nut' zijn vazal. Ook in het seculiere vooruitgangsgeloof zijn de barsten maar al te zichtbaar en voelbaar.
Hoe enorm is de wereld veranderd. Communicatie reikt tot de verte uithoeken en is razend goedkoop. De media brengen de wereld bij de zitbank thuis. Reizen is gedemocratiseerd. De productie is geoutsourced. Medische vorderingen strekken tot zegen. De digitale informatierevolutie woedt in al zijn overstelpende dynamiek. Welvaart is in het westen voor velen beschikbaar. Maar ook: tegenstellingen verscherpen zich. De kloof tussen arm en rijk wordt alarmerend groter. De armoede in vele delen van de wereld komt iedere dag in onze huiskamer. Aanstormende economieën eisen hun gigantisch deel in welvaart. Hulpbronnen worden zwaar belast en raken op. De planeet blijkt een subtiel en kwetsbaar systemisch geheel. De aarde is het grote schip van ons allen, dat met ons door de eindeloze ruimte vaart. Spasmen voor de grote ramp of barensweeën van een nieuwe tijd? We hebben een nieuwe visie nodig en we hebben ook iets onmetelijks verloren.
We kunnen natuurlijk onze ogen sluiten en gewoon lekker leven. Een joodse witz brengt dat aardig in beeld: Rabbijn Goldberg stormt zijn huis in en roept:
- Rivka, Rivka, ik heb net doorgekregen, over twee weken komt de masjieach!
- Rivka: Oj gewalt, waarom net nu, we hebben net ons nieuwe huis afbetaald, nieuw bankstel gekocht en een moderne keuken laten installeren...
- Rabbijn: Ach Rivka, je moet denken, we hebben Farao overleefd, Haman, Bergen Belsen, de Masjieach overleven we ook wel...

Maar Rivka kan de problemen niet voortdurend ontkennen.
Wat nu? Hebben de religies ons nog iets te bieden.

We kunnen eigenlijk best wel zonder al die oude godsdiensten, zou je kunnen denken. Wat verlies je als je bijvoorbeeld Jodendom en Christendom zou afschaffen.
Toch wel wat belangrijks. Ik zet het even op een rij voor jodendom - en het geldt mutatis mutandis ook wel voor andere godsdiensten - : ethiek, gemeenschap en geschiedenis.

wordt vervolgd

Pesach: uit de Haggada, Magied ('het verhaal)
zie Brede Haggada vd LJG 8 e.v.

Het bevrijdingsproces van ons zelf kan starten als we ons bewust worden in hoeverre we slaaf zijn geworden.
Daarom moeten we steeds het verhaal van de Uittocht uit Egypte, de Jetziat Mitsrajim, aan elkaar vertellen. Het is een geschiedenisverhaal, maar we kunnen het daarnaast vertellen als een allegorie van onze weg door het leven. Zoals het in de Haggada staat is het een citaat uit Deuteronomium 26 (woorden die de aanbieder van de eerstelingen van de oogst uitspreekt tegenover de priester), aangevuld met aanhalingen uit voornamelijk Exodus.

Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk.
Het verhaal begint met een geboorte. De geboorte van een volk, het volk Israel, dat zoekend naar overleving van hongersnood landt in de echte politieke maatschappelijke wereld van het Midden-Oosten van toen, in Egypte. De 70 mensen rond Jacob groeien uit tot een een volk, een politiek belangrijke minderheid in dat land. Het volk groeit aanvankelijk voorspoedig uit.
Je zou het kunnen zien als de allegorie van de geboorte van onze ziel in deze wereld, de incarnatie van onze essentie in de materiële wereld. Aanvankelijk is de ziel nog onbesmet en schoon.
Ezechiël vergelijkt in zijn profetie Jeruzalem en daarmee het Joodse volk als een baby, een meisje, waarover God zich ontfermt en dat opgroeit tot een mooie vrouw, aanvankelijk nog helemaal naakt.

Maar de Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen.
Na een aanvankelijk voorspoedig uitgroeien en opgroeien dringt de materiele wereld zich met zijn eisen, druk, ontberingen en verleidingen steeds onvermijdelijker op. Steeds meer wordt het volk Israël – en allegorisch gezien onze essentie, onze ziel – in een nauwer fysiek en psychisch keurslijf gedwongen. Opvoeding, indoctrinatie en andere ingrijpende lotgevallen, die ons overkomen doen ons steeds meer accommoderen aan het systeem, tot in die mate dat we ons bijna geheel geïdentificeerd hebben met dat omringende en onderdrukkende systeem; het systeem hebben we zelfs binnen onszelf hebben gehaald, het heeft ons bezet. Het is een onvermijdelijke fase van de weg van de ziel door de wereld van de noodzaak, het lot, de macht, het geld, de seksuele afleidingen, (de afgoden in het bijbelverhaal). Symptomen daarvan zijn de verslavingen waar we geweten of ongeweten aan zijn onderworpen. Zaken waar je fysiek of emotioneel aan verslaafd bent: voedsel, seks, geld, je auto, huis, verwachtingen e.d., maak daar eens een lijst van, raad Marianne van Praag ons aan in haar overdenking van dit jaar. En verbrand het samen met de gevonden chameets, als symbool.

Toen klaagden we de Eeuwige, de God van onze voorouders, onze nood.
Helemaal vergeten en ontkennen van de ziel is ook onmogelijk. Uiteindelijk is daar, op die plek, de kern van ons levensbeginsel. Het kan er dan toe komen, dat – vaak ondershuids – de benauwenis ondraaglijk wordt, de pijn doorbreekt - ‘de kinderen van Israël schreeuwden het uit en hun hulpgeroep steeg op tot G-d' (Ex. 2-23). Na lange tijd was dit wellicht het eerste werkelijke gebed om hulp van de grotendeels aan de Egyptische afgoden gewend geraakte en geassimileerde Israelieten.
We worden genoodzaakt onder ogen te zien, dat we gevangen zitten in en dat we een uitweg willen zoeken.

En de Eeuwige bevrijdde ons uit Egypte.
Die hulp komt in de vorm van Mozes. Hij realiseert zich dat hij niet thuis hoort bij de Farao en zijn staf, maar bij de onderdrukten, en hij besluit te kiezen voor de bevrijding en de verlossing. In de Haggada wordt hij niet genoemd, om alle eer aan de Eeuwige te schenken, die Mozes als zijn spreekbuis heeft gekozen. Allegorisch gezien is Mozes de innerlijke gids, die als krachtig brandpunt zich in ons openbaart en diep in ons weet en wil wat het beste is voor de ontvouwing van onze onderdrukte essentie. Als we open staan voor die stem - vaak hoor je hem nauwelijks, je moet je afstemmen om er contact mee te krijgen - dan krijg je idee over de weg die te gaan is.

Maar als onder leiding van Mozes de strijd begint is die nog niet meteen beslist. Nog tien plagen zijn nodig om de Farao op de knieën te brengen. Het echte gevecht is net begonnen. Farao, of allegorisch gezien het systeem, dat zich grotendeels laat vertegenwoordigen binnen ons door wat je het ego kan noemen, dat ego is hardnekkig. Het vindt zich onmisbaar. Het kan weliswaar niet zonder de vitaliteit en de essentie van de ziel, maar het wil wel absoluut de baas blijven. Er zijn misschien wel meerdere crises ( psychische dieptepunten, tegenslagen, soms zelfs verliezen, ziekten, kortom: de plagen, in het hebreeuws de ‘makot') nodig om het ego (‘Farao') te brengen tot erkenning, dat niet hij maar G-d is te dienen. Dan pas komt Farao ofwel het ego ertoe om ons diepste verlangen vrij te laten, het verlangen om op weg te gaan naar wie we in wezen zijn.

Dan ligt de leegte van de woestijn open. De problemen zijn nog niet voorbij, maar het zijn onze eigen authentieke problemen. De zekerheid van het systeem hebben we niet meer en iedere dag moeten we opnieuw vertrouwen schenken. 

RC 2016

Parasjat Metsora Wajikra/Leviticus 14-16
Het verhaal van de vier lepralijders

De parasja

In de parsje Metsora - in dit schrikkeljaar apart gelezen - volgen reinigingsvoorschriften voor de aantasting van muren, gebouwen en kleden met tsara'at en tenslotte zijn er de regels voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en de bijbehorende reinigingshandelingen. 
Hoe men met de moderne wetenschappelijke kennis van nu hierover moge denken, men kan de Israëlieten van toen een intuïtie voor het belang van hygiëne voor gezondheid en welzijn niet ontzeggen, al zien de oude wijzen tsara'at vooral als een uiting van en een sanctie op een ‘ innerlijke spirituele verstoring in de relatie tussen de lijder en zijn Schepper' (1 ) 

Het verhaal van de vier lepralijders

Ditmaal richt ik de schijnwerper verder op de haftara (aanvullende lezing uit de profeten) vannde parasja Metsora (‘de met tsaraät besmette'). In de liberaaljoodse cyclus in Nederland is dat 2 Divree Hajamiem/Kronieken 26:1-23, het verhaal over hoe koning Oezijahoe (Uzzia) melaats werd, toen hij de offerwetten in de wind sloeg en zelf het reukoffer wilde brengen in plaats van de hogepriester. In veel andere gemeenten is echter de haftara 2 Melachiem/ Koningen 7:3-20, het verhaal van de vier melaatsen. Het is een interessant klein drama, dat waarachtig wel een toneelstuk of film waardig is en tegelijk ook stof tot morele overdenking biedt. 

Het voorspel is de langdurige belegering van de hoofdstad van het koninkrijk Israel, Sjomron (Samaria) door de koning van Aram. De bevolking is uitgehongerd en zelfs een ezelskop en een zakje duivenmest (waarin soms nog graankorrels zijn te vinden) is onbetaalbaar geworden. De koning, loopt over de muur en hoort hoe een vrouw haar kind heeft gekookt en opgegeten. Hij scheurt zijn gewaad en het volk ziet hoe hij een boetekleed op de naakte huid draagt. De wanhopige en razende vorst zweert wraak, niet aan de Eeuwige, maar aan zijn aardse vertegenwoordiger, de profeet des vaderlands, Elisja, wiens hoofd die avond nog van zijn romp gescheiden moet zijn, aldus de vorst. 
Maar zo'n vaart loopt het niet. 
Volgende scene, de kamer van Elisja. De koning en zijn adjudant komen bij Elisja aan en meteen neemt de man Gods het woord: ‘Luister naar wat de Eeuwige te zeggen heeft: morgen om deze tijd zal een schepel tarwebloem in de stadspoort van Sjomron één sjekel kosten, en twee schepel gerst ook één sjekel.' De adjudant van de koning zegt: ‘Zelfs al zou de Eeuwige de ramen van de hemel (voor voedsel) openzetten, wat u daar zegt is toch onmogelijk!' Maar Elisja antwoordt de man: ‘U zult het met eigen ogen zien, maar u zult niet de kans krijgen ervan te eten.' 
Met deze raadselachtige woorden gaat de scene over naar de poort van de stad Sjomron. Vier melaatse mannen, lepralijders, die immers buiten stad en gemeenschap zijn gestoten, steken de koppen bij elkaar. Ze besluiten over te lopen naar het Aramese kamp. ‘of we sterven hier of de Arameeërs brengen ons om, maar misschien hebben we daar nog een kans', zeggen ze. Maar als ze bij het vallen van de avond bij het kamp komen blijkt het uitgestorven, geen mens te bekennen. De paarden en ezels staan er nog, de tenten zijn nog vol spullen, maar geen Arameeërs.
Flash back in het kamp: De Aramese soldaten horen een enorm geraas, het geluid van wagens en paarden, die naderen. Een gemeenschappelijke massahypnose heeft hen bevangen. ‘De legers van Egypte en de Hittieten zijn in aantocht, gecharterd door Israel!', schreeuwen ze tegen elkaar en halsoverkop stormen ze het kamp uit om het vege lijf te redden met achterlating van paarden, ezels, have en goed. 
Het Aramese kamp. Terug naar de lepralijders. Het is nacht en ze doen zich tegoed aan het achtergelaten voedsel en ze pakken goud en zilver, kleding en dekens uit de eerste tent en verstoppen de buit. Maar in de tweede tent, die ze betreden, overvalt hun de twijfel. Hun geweten of angst voor straf brengen hen terug naar de stadspoort. 
De stadspoort. De lepralijders verwittigen de poortwachters van hun wonderlijke bevinding. Die brengen het nieuws midden in de nacht naar de koning. 
Het paleis. De koning hoort het nieuws en schrikt zich dood. Het is een hinderlaag, denkt hij. Maar een adviseur stelt een experiment voor. Er zijn nog vijf paarden over, laat die met hun berijders naar het kamp gaan om uit te vinden wat er aan de hand is. Zo gebeurt het. 
Het kamp van de Arameers. Twee wagens rijden uit en arriveren in het kamp. Wat blijkt, de Arameeers hebben inderdaad spoorslags het kamp verlaten, tot aan de Jordaan liggen hun kleren en stukken van hun wapenrusting, in paniek weggeworpen. Bericht hiervan aan de koning. 
De stadspoort. Het is ochtend geworden. Een massa van opgewonden stadsbewoners stormt naar buiten om voedsel in het Aramese kamp te bemachtigen. De adjudant van de koning - de adjudant die in de kamer van Elisja met zijn cynische grap kwam - heeft het commando over de poortwacht gekregen en moet erop toezien, dat het buitgemaakte voedsel goed wordt verhandeld. Nog net hoort hij: ‘een schepel tarwebloem één sjekel , en twee schepel gerst ook één sjekel' . Dan wordt de man onder de voet gelopen door de uitzinnige menigte en laat het leven.

In dit mooie en wrede verhaal zijn de helden geen koningen, moedige militairen of hoogstaande ridders maar verworpenen van de samenleving, uitgestoten lepralijders. De personages hebben geen naam en geven het verhaal een universele strekking (2). Wat geeft dit verhaal u als lezer in? Misschien: de uitredding of verlossing hoeft niet te komen uit de politiek, uit militaire strategie, op het niveau van regeringen en hoogwaardigheidsbekleders, maar uit onverwachte hoeken, van onderop, misschien wel uit de laag van verworpenen en lijdenden (3). 

De Masjieach als lepralijder 

Zelf had ik een associatie met een merkwaardige anekdote uit de Talmoed (4), waarin de Talmoedleraren een discussie hebben over wanneer en hoe de Masjieach zal komen. Rabbi Josjoea ben Levi stond eens bij het graf van R. Shimon bar Jochaj toen de profeet Elijahoe (Elia) aan hem verscheen. Rabbi Joshua haastte zich zijn brandende vraag aan de profeet te stellen: ‘wanneer komt de Masjieach?', ‘Vraag het hemzelf', ‘Waar kan ik hem dan vinden?', ‘Hij zit tussen d arme lepralijders buiten de poort van Rome. De lepralijders verbinden hun wonden allemaal tegelijk, maar hij doet iedere wond apart, de een na de ander, zodat hij onmiddellijk, zonder vertraging klaar is om te komen, wanneer de tijd daar is', antwoordt Elijahoe. Rabbi Josjoea reist naar Rome, herkent de Masjieach tussen de andere lepralijders en stelt hem de essentiële vraag: ‘wanneer komt u?'. ‘Vandaag' antwoordt de Masjieach. De rabbi reist terug en als hij Elijahoe weer ontmoet zegt hij hem: ‘Hij heeft mij voorgelogen, hij zei, dat hij vandaag zou komen, maar dat heeft hij niet gedaan!'. Elijahoe antwoordde, ‘Dit is wat hij heeft gezegd: vandaag, als je Zijn stem zal horen'. 
Er was dus een voorwaarde aan verbonden, die de goede verstaander zou weten te verstaan als verwijzing naar psalm 95:7: ‘ Want Hij is onze God, en wij zijn het volk van Zijn weide, en de schapen van Zijn hand. Vandaag, als je Zijn stem zal horen'  Hajom iem bekolo tismaöe  ). En dat laatste is nu nog steeds niet het geval. 
Beetje flauwe ontknoping, zou je kunnen zeggen, maar wat treft is dat hier ook het element van verlossing en bevrijding wordt gesitueerd in de sfeer van de ‘verworpenen der aarde' (5).

(1)  Aldus het commentaar van Nechama Leibowitz op de parasja Tazria, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 115 ev

(2)  Het verhaal zelf bevat geen namen. Enig verder lezen onthult dat het gaat om koning Benhadad II van Aram en koning Jehoram van Israel. Rasji veronderstelt, dat het bij de vier lepralijders gaat om Gehazi, Elisja's assistent, die na malversaties is geslagen met lepra, en zijn zonen.

(3)  Zie Nechama Leibowitz' uitgebreide behandeling van dit verhaal, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 141 ev

(4) Talmoed Bavli, Sanhedrin 98a

(5) Emmanuel Levinas gaat uitgebreid in op het gegeven van de lijdende Masjieach in zijn Messiaanse Talmoedlezingen, zie Marcel Poorthuis, ‘Het gelaat van de Messias, Messiaanse Talmoedlezingen van Emmanuel Levinas', B. Folkertsma Stichting voor Talmoedica, 2e druk, 1993.

Parashat Tsav Wajikra / Leviticus 6: 1-8:36
Eigentijdse offers

Ook de parasja Tsav (Draag op …) bevat regels over het offeren, deels een herhaling van de vorige parasja, en beschrijft hoe Mosjé zijn broeder Aharon en diens zonen tot priester wijdde.
Zoals gezegd offeren wij niet meer de dieren en de graanproducten, sinds de tempel niet meer bestaat en het lijkt erop dat onze geestelijke ontwikkeling aan dierenoffers voorbij is.

Wel kunnen wij uit de beschrijving van de offerdienst soms allegorisch nog inzichten uitdiepen. In het Toracommentaar van Harvey Fields worden een paar van die inzichten genoemd. Zo noemt hij Leviticus 6:5, het vuur op het altaar moet altijd brandende worden gehouden, het mag niet uitgaan. Zo moet onze toewijding, onze aandacht actief blijven en gericht op – zo zegt de Lubavitcher Rebbe Menachem Schneerson – Tora leren, gebed en tsedaka en ik zou verruimend willen toevoegen: gericht op awareness, op ontvouwing van het beste in ons op elk moment.

Het begrip offer zelf is niet verouderd, zoals ik in het commentaar op de vorige parasja Wajikra al heb gezegd. Het begrip offer in de zin van het afstaan en aanbieden van iets dierbaars of kostbaars voor een doel dat boven ons eigen belang uitgaat of voor het herstel van de verbinding tussen ons en de schepping om ons heen (of met de Schepper, als u daarin gelooft) heeft nog alle actualiteit.

Ik zal proberen een lijstje van soorten “eigentijdse” offers te maken.
Als offer zouden nu kunnen worden aangemerkt:
- het ophouden met verslavingen. Het offeren van de dierbare sigaretten, de onmisbaar geachte slok alcohol,
dwangmatig eten, het automatisch op de bank televisie gaan kijken.
- het afstappen van telkens terugkomende negatieve gedachtenreeksen over Zelf en Anderen
- het afstappen van gewoonten die schadelijk blijken te zijn voor het milieu. Denk eens aan de auto… Bewuster omgaan met energie in het belang van het milieu.
- het een keer niet uitspreken van een (zogenaamde) waarheid uit compassie met een ander, een keer niet je winst inhalen, je succesvolle act uitspelen e.d., het belang van het groeiproces van een ander laten wegen boven je eigen scoren.
- het afstaan van iets kostbaars voor een hoger doel, een flink deel van je inkomen of vermogen schenken aan een ander belang dan jezelf, je kind, je groep, een goed doel.
- als het niet anders kan het offeren van je leven, kiddoesj Hasjem, zoals de dappere zioniste Hanna Senesh, die in 1943 vanuit Israël weer naar haar geboorteland Hongarije is gegaan om bij de partizanen mee te werken aan de redding van Joden uit de Duitse handen. Ze is opgepakt en na wrede martelingen, waarbij ze geen namen prijs gaf, geëxecuteerd.

Parashat Wajikra Wajikra/Leviticus 1:1-5:26
woorden en offers

Het boek Wajikra

Met de parasha Wajikra betreden we het derde boek van de Tora. Dat boek noemen we naar de eerste woorden van dat boek Wajikra – (Hij) riep - , zoals ook de eerste parasha dus Wajikra heet. Het boek is zo op het eerste oog heel wat minder sensationeel voor de moderne lezer dan de eerste twee boeken Berehiet/Genesis en Shemot/Exodus. Het handelt vooral over de offers, de priesters en de tempeldienst en allerlei voorschriften over het bewaren en herstellen van rituele reinheid; in het Latijn is het dan ook van oudsher Leviticus genoemd naar de tempeldienaars, de Levieten. Bijbelwetenschappers schrijven de tekst toe aan priester-redacteuren, afgekort tot P (1). Een opvallend tussenstuk, dat de actualiteit voor de moderne mens in een aantal belangrijke verzen heeft behouden, is het hoofdstukken 19, die gaat over het nastreven van heiligheid onder andere door intermenselijke omgangsregels van hoog ethisch niveau, waaronder het beroemde ‘hebt uw naaste lief als u zelf'.

De Tempel werd een bedrijvige ‘religieuze werkplaats', waarin tot het jaar 70 meer dan duizend jaar lang - behalve tijdens de Babylonische ballingschap = Goddelijke bescherming werd afgesmeekt, het heil van de Iraelieten werd gewaarborgd, schuld werd verzoend en dank werd gebracht door een leger van religieuze arbeiders, de levitische tempeldienaars, middels graan- en dierenoffers; miljoenen dieren moeten in al die eeuwen dagelijks onder het mes zijn gegaan. Zoals zoveel religieuze instituten ontwikkelde de tempel zich uiteindelijk tot zowel een machtsbolwerk van een ultracondervatieve elite (de Sadduceeen, Tsedoekiem) als ook een commercieel en toeristisch centrum, waartegen de profeten (2) en ook Jezus (Jeshoea be Joseef) tekeer gingen.

Opvattingen over de offerdienst

De parasha Wajikra begint meteen al met een uitgebreide beschrijving van de verschillende soorten offers, brandoffers, vredeoffer, meeloffers, zondeoffers en schuldoffers. Er zijn vele technische verschillen tussen de verschillende offers, afgezien van het object (stier, bok, duif, graanmeel etc.). Maimonides ontkende de intrinsieke waarde van de offerdienst en zag de instelling en de voorschriften van de offerdienst als een in alle wijsheid aan het volk destijds gegeven aanpassing, om het af te wenden van de afgodendienst maar toch te voorzien van de nodige rituelen.
Nachmanides kwam hier tegenin en zag wel degelijk een intrinsieke reden in de dierenoffers: eigenlijk verspeelt de mens met zijn zonden van geest en lichaam zijn leven en het dier dient met zijn bloed en organen als substituut om genade en vergiffenis van de Eeuwige te verkrijgen (3).

Onverwachte betekenissen

Intussen is na de verwoesting van de tempel de offerdienst vervallen. Dat heeft het ertoe geleid de dierenoffers te vervangen door het gebed als middel tot verzoening. In de Talmoed zijn niettemin alle later tot in detail uitgewerkte voorschriften over de tempeldienst, de priesters en levieten en de offers trouw weergegeven en bediscussieerd. Onder de oppervlakte van die oude woorden in de Tora schuilen bovendien onverwachte betekenissen. Wajikra bleef in het Joods gedachtegoed een centrale plaats innemen. De rabbijnen zijn in alle eeuwen bezig geweest de teksten van Wajikra van commentaar te voorzien. Ieder woord wordt gewogen, bekeken en driedubbel onderzocht op verborgen boodschappen. Twee voorbeelden van hoe schijnbaar niet relevante tekstkenmerken toch spirituele inzichten blijken te bevatten volgen hieronder.

Al de eerste twee pesoekiem (verzen) van het boek en deze parasha trekken de aandacht. Rabbijn Simon Jacobson (4) wijst ons erop, dat dat eerste woord 'Wajikra' geen persoonsaanduiding heeft; er staat eenvoudig: (hij)Riep. In het Chassidische denken legt men uit dat deze omissie eigenlijk een krachtige aanvulling is: De essentie van de Ene tart elke naam en beschrijving. Dit vers wil aan ons overbrengen dat Zijn wezen riep tot Mozes, dus zelfs een van de gebruikelijke aanduidingen van de Ene is niet genoemd; het vers zegt alleen maar: "En ___ riep tot Mozes," en vertelt ons zo dat de oproep kwam van een plek die definities overstijgt, een plaats die geen naam of titel heeft. Had het vers en van de gebruikelijke aanduidingen vermeld, dan zou dat hebben betekend dat deze bijzondere dimensie toch een vorm van benoeming had gekregen. Door geen enkele naam te gebruiken, vertelt het vers ons dat dit een oproep is vanuit de zuivere essentie.

Wat de commentatoren verder is opgevallen is de vreemde grammaticale constructie van het tweede vers: er staat letterlijk adam ki jakriev mikem , ‘wanneer iemand een offer brengt van jullie', een onhandige constructie. Je zou het grammaticaal meer regelmatige ‘ adam mikem ki yakriv ,' verwachten, ‘wanneer iemand van jullie een offer brengt'. Maar met deze vreemde constructie wil de Tora ons wat zeggen: het offer dient gebracht te worden vanuit jou vandaan, vanuit jouw innerlijk moet iets worden geofferd. Wat dan? Het vers zegt: ‘een offer van het beest ( behéma ), van het rundvee ( bakar ) of van het kleinvee ( tson ). Deze dieren staan dan symbool voor aspecten van dat innerlijk, en met name de animale neigingen, die ons tot allerlei verkeerde daden en gewoonten brengen, die onze ontplooiing in de weg staan. Mensen hebben veel gemeen met dieren, in zekere zin zijn wij hetzelfde als de dieren, maar we hebben de mogelijkheid daar boven uit te stijgen en de animale aspecten te transcenderen naar een niveau,waarin we niet zonder meer de marionet van zelfzuchtige genen zijn (5).

noten

(1) De zg Documentary Hypothesis (uit Wikipedia ) onderscheidt een aantal veronderstelde redacteuren van de Tora:
De Yahwist bron (J) : geschreven c. 950 BCE in het zuidelijk koninkrijk Juda
De Elohist bron (E) : geschreven c. 850 BCE in het noordelijk koninkrijk Israel.
De Deuteronomist (D) : geschreven c. 600 BCE in Jeruzalem tijdens een periode van religieuze hervorming
De Priesterlijke bron (P) : geschreven c. 500 BCE door Kohanim (Joodse priesters) in ballingschap in Babylon.
(2) Het verst hierin gaat Jirmejahoe (Jeremia), 7:21,22 (NBV): ‘Dit zegt de Ene van de hemelse machten, de God van Israël: (…): Toen ik jullie voorouders uit Egypte leidde, heb ik hun nooit iets gezegd of voorgeschreven over brand- en vredeoffers'. Zie verder hierover Nechama Leibowitz in haar inleiding op Wajikra, Studies in Vayikra, WZO, 1980, p. 1 ev
(3) Uitgebreid over deze controverse tussen deze twee belangrijke middeleeuwse geleerden zie Nechama Leibowitz Ijoeniem
(4) Ergens op http://meaningfullife.com/
(5) Een en ander heb ik ontleend aan het commentaar van Simon Jacobson op Wajikra 1:2, die in een noot verwijst naar deze uitleg van de hand van Rabbi Schneur Zalman van Liadi en verder ingaat op het gebruik van het woord ‘Adam' voor ‘iemand' waar normaal het woord ‘iesh' wordt gebruikt. Voorts ook het commentaar van Rabbijn Jonathan Sacks , die Rabbi Schneur Zalman volgt en op de aard van ‘behema', ‘bakar', ‘tson' verder ingaat en dan ook komt op deze spirituele interpretatie.

Parasja Wajakheel  Sjemot /Exodus 35:1–38:20
Een sacrale krachttoer

De parasja

De twee parsjiot Wajakheel en Pekoedee worden vaak gecombineerd, afhankelijk van hoe de Joodse kalender valt. Dit is een schrikkeljaar en dat geeft ruimte om ze apart te lezen.
Tezamen beschrijven ze in detail hoe de miesjkan (de tabernakel) moet worden gebouwd in al zijn onderdelen, inclusief alle altaren, de ark, de menora, en met beschrijving van welke materialen op welke wijze bewerkt en samengevoegd moeten worden. Aldus gebeurt het ook.

Een sacrale krachttoer

De parasja Wajakheel begint met (nogmaals) de zevende dag van de week als rustdag af te kondigen, de sjabbat. Dan volgt de oproep door Mosjee aan het volk om alle nodige materialen voor de bouw van de Miesjkan bijeen te brengen, goud, zilver, koper, linnen, huiden etc., zoveel als het hart ingeeft, en in grote getale en in ruime mate voldoet men daaraan, meer dan men kan gebruiken wordt gebracht. Mosjee roept een halt toe aan de toestroom en zet de werkers aan het werk, de opperkunstenaar Betsaleel wordt benoemd samen met Aholiav. Dan wordt het werk beschreven; in groot detail worden alle onderdelen afgehandeld, het lijkt wel of dit onderdeel van Sjemot is samengesteld uit een dagboekachtig ooggetuigenverslag, misschien wel op basis van het authentieke werkplan. In feite wordt precies de uitvoering beschreven van wat eerder in de parasha Teroema al uitgebreid als opdracht wordt verordend.

Waarom staat de instelling van de sjabbat net voor de oproep om geld en goed bij elkaar e brengen? De Isbitzer Rebbe (19e eeuw) heeft een originele verklaring (1). Dat komt omdat de geest van de sjabbat, waar arbeid uitdrukkelijk is verboden, wel als het ware doorwerkte in de arbeid aan de miesjkan. Iedereen droeg zijn steentje bij in perfecte harmonie, ieders bijdrage paste precies aan die van de ander, iedereen was erop gericht om de Sjechiena, de presentie van de Ene, een waardige plek onder de Israëlieten te bezorgen. Daarom is ieders aandeel als van gelijke waarde te beschouwen, van het aandeel van degene die de spijkers in de omheining timmerde tot het aandeel van de bouwer van de heilige ark. Niemand is verheven boven de ander. Deze gelijke focus op een heilig resultaat vergelijkt de Isbitzer Rebbe met de tweeënzeventig vertalers, die op bevel van koning Ptolemaeus van Egypte (3e eeuw voor de gangbare jaartelling) ieder voor zich de Tora van het Hebreeuws in het Grieks moesten vertalen, alle vertalers leverden in een eensgezinde spirit dezelfde Griekse tekst.
Zo is de bouw van de Miesjkan een archetypisch voorbeeld van hoe convergentie van energie, gelijke focus en gebundelde intelligentie leiden tot een schoon en bezield resultaat, be-ezrat Hashem .

De uitgebreide beschrijvingen met zijn vele herhalingen (alles bij elkaar wel een derde van het boek Sjemot/Exodus) hebben veel verwondering en verklaringspogingen gewekt. Maar mij komt het niet zo gek voor. Umberto Cassuto wijst terecht op de narratieve gewoonte uit die periode in het Midden-Oosten om wanneer de voorbereiding uitgebreid is beschreven niet te volstaan met een “en zo gebeurde het'. Er zit een boven het tijdsgewricht uitgaande literaire en bijna sacrale kracht in deze repetitieve opzet: wat is voorgenomen wordt ook precies zo uitgevoerd en de triomf van wat in dit geweldige werken is bereikt wordt er nog eens door onderstreept, zeker wanneer dit in een sterke en mooie stijl wordt gedaan; wat begonnen is als een zwerftocht van een berooide massa net vrijgelaten slaven vindt zijn bekroning in deze artistieke tegelijk sacrale krachttoer.

(1) R. Mordechai Yosef of Isbitza, 'Living Waters',The Mei HaShiloach , A commentary on the Torah, vert. Betsalel Philip Edwards, Jason Aronson Inc.

Parasha Ki Tisa  Sjemot/Exodus 30:11 – 35

 In stukken gebroken        

de parasja 

De instructies voor de eredienst gaan in het bijbelstuk van de week Ki Tisa verder met voorschriften omtrent het zoengeld tijdens volkstellingen, die voor de dienst in de tent der samenkomsten, de Miesjkan ofwel tabernakel, gebruikt zullen worden; vervolgens spreekt de tekst over de constructie van het wasbekken, de zalvingsolie en dan is er de aanwijzing van de voormannen van de kunstenaars en ambachtslieden: Betsalel en Aholiaw; een en ander gaat gepaard met een vermaning: de Shabbat moet bij de vervaardiging van de tent en de heilige objecten in acht genomen worden. 
De hoofdmoot van deze parasja  vormt het overbekende verhaal over de afvalligheid van een deel van het volk rond het gouden kalf en de weg van verzoening daarna bewandeld door Mosjee

crisis

Intussen moeten we niet vergeten dat tijdens al de voorschriften, gegeven in de vorige parasja  en deze parasja  voor de Miesjkan, zijn toebehoren en de erediensten daarin, Mosjee uit zicht van het volk was, op de berg Sinaj. Al die dagen wachtte het volk op de terugkomst van hun leider tot de meesten uiteindelijk Mosjee maar hadden ‘afgeschreven' en dan volgt de geschiedenis van het gouden kalf, dat Aharon onder pressie van de ongeduldige massa heeft gemaakt.
Buber, in zijn boek over Mosjee, drukt het ongeveer zo uit: het volk begint bij de langdurige afwezigheid van Mozes te twijfelen, zoekt naar een beschermende en tastbare goddelijke aanwezigheid en overreedt Aharon om een gouden stierenbeeld te maken om die aanwezigheid aan te trekken en te belichamen. 

U. Cassuto, in zijn meticuleus commentaar op Exodus, wijst erop dat het gouden kalf (eigenlijk een jonge stier) door Aharon niet bedoeld was als een god of als vervanging van de godheid, die zich aan Mosjee, en zoeven ook aan het volk, had geopenbaard, maar slechts als zijn troon: een gebruikelijk attribuut voor godheden in het Oude Midden-Oosten. Dat mitigeert de rol van Aharon. Het zou verklaren, dat hij ondanks zijn letterlijk twijfelachtige actie niet als afvallige werd beschouwd en na de verzoeningsfase geschikt bleef voor het hogepriesterschap. 
Zijn overtreding is dan eerder de overtreding van het gebod om geen levende wezens (i.c. een stier) af te beelden. 
Maar de cherubs, cheroeviem, op de ark dan? U. Cassuto zegt: dat zijn geen op aarde levende wezens, maar abstracte voorstellingen (de kabbalisten zeggen later: engelen uit de wereld van ‘Jetsira').

Maar het liep Aharon volledig uit de hand; het volk is grenzeloos en gaat veel verder: een deel van de massa is het gouden kalf wél gaan zien en vereren als een godheid. 
Buber betwijfelt of er sprake was van orgieën en seksuele riten; klinkt niet eerder door de tekst heen de authentieke gebeurtenis van een heftig oproer; dit zouden de geluiden zijn die Mozes en Josjoea horen, gezien Sjemot/Ex. 32:25, als zij van de berg terugkeren, zo vermoedt hij. 
Een scheuring onder het volk zouden zij dan hebben aangetroffen, waarschijnlijk vooral onder de levieten, en wel tussen de echte aanhangers van de nieuwe ‘experimentele' Mozaïsche richting en hen die het bij de oude vormen wilden laten. En het is heel goed denkbaar, dat zo'n felle en heftige twist juist uitbrak bij afwezigheid van de leider. 

twee edities 

Aanlandend van filologisch/bijbelhistorisch niveau naar het meer metaforisch niveau (drash) het volgende nog, dat ik ontleen aan een bron, die mij ontschoten is: 
Het lijkt wel of de geboorte van de openbaring op Sinaj, de onthulling van de transcendente Eeuwige in de materie – in de alledaagse immanentie van het volk - in twee fasen gaat. 
De eerste fase is de zuivere openbaring van wat kan zijn en ooit zal zijn in al zijn volmaaktheid; in het bijbels verhaal komt dit tot uiting, zo is mijn uitleg, in het feit dat volgens Sjemot/Ex. 24:12 en Sjemot/Ex 31:18 en Sjemot/Ex. 32:16 de stenen platen ( shné loechot ) door God zelf zijn geschreven (' be-etsba Elohim '), bijv. 32:16:  De platen waren Gods eigen werk en het schrift dat erin gegrift was, was Gods eigen schrift. 
Maar deze volmaakte inzettingen zijn zodra ze van de berg kwamen in de confrontatie met de onvolmaakte alledaagse realiteit van de mensen in stukken gevallen. 

De tweede fase van neerdaling is aangebroken. 
De boodschap in al zijn immense helderheid kon in deze gebroken wereld niet bestaan. Een aangepaste versie, die wél begrepen en gepraktiseerd zou kunnen worden moest gemaakt. Dat deed Mosjee bij de tweede editie van de platen, er staat in Sjemot/Ex. 34:17 en 28:  “De Eeuwige zei tegen Mozes: ‘Stel deze geboden op schrift, want op grond van deze geboden sluit ik met jou en de Israëlieten een verbond'. 28 Veertig dagen en veertig nachten bleef Mosjee daar bij de Eeuwige, zonder te eten of te drinken. En hij schreef de tekst van het verbond, de tien geboden, op de platen.” 
Híj schreef: nu is het schrijven een menselijke actie geworden. Wél goddelijk geïnspireerd, zoals ook blijkt uit het volgende vers, Mosjee straalt van deze heilige bezigheid zodanig, dat de mensen hem niet nabij durven komen. 

Welhaast zeker is er in de geschiedenis van de wereld en de mensen steeds sprake van een stuwing en worsteling van het volmaakte om in de immanentie tekenen te geven hoe in het werelds proces aan dat volmaakte – wie wil zegge God - dichterbij te komen, tekenen over in welke richting te gaan om uiteindelijk ooit te komen bij de vanuit het verborgene soms oplichtende bestemming van de schepping. Maar telkens zullen die tekenen in de gebrokenheid van de wereld ook in gebrokenheid aankomen. 
Er is een midrasj, dat in de ark ook de scherven van de door Mosjee stuk gesmeten eerste tafelen geborgen waren. In een gedicht heeft Rodger Kamenetz hierop voortgeborduurd:

The Broken Tablets 

The broken tablets were also carried in an ark. 
In so far as they represented everything shattered, 
everything lost, they were the law of broken things, 
the leaf torn from the stem in a storm, a cheek touched 
in fondness once but now the name forgotten. 
How they must have rumbled, clattered on the way 
even carried so carefully through the waste land, 
how they must have rattled around until the pieces 
broke into pieces, the edges softened 
crumbling, dust collected at the bottom of the ark 
ghosts of old letters, old laws. In so far 
as a law broken is still remembered 
these laws were obeyed. And in so far as memory 
preserves the pattern of broken things 
these bits of stone were preserved 
through many journeys and ruined days 
even, they say, into the promised land.

De gebroken tafelen 

Ook de gebroken tafelen werden meegenomen in de ark 
In zoverre zij alles vertegenwoordigden wat verbrijzeld, 
wat verloren was, waren zij de wet van gebroken zaken, 
het blad, gescheurd van de steel in een storm, een wang eens 
met liefde aangeraakt en waarvan de naam is vergeten. 
Wat moeten ze tijdens het vervoer hebben gerammeld, geklepperd, 
hoe voorzichtig ze ook door de woestijn gedragen werden, 
wat moeten ze hebben rondgekletterd tot de stukken 
in stukken braken, zodat de randen zacht werden, 
verkruimelden, stof verzameld op de bodem van de ark, 
geesten van letters, oude wetten. In zoverre 
een gebroken wet nog steeds wordt herinnerd 
worden deze wetten gehoorzaamd. En in zoverre het geheugen 
het patroon van gebroken dingen bewaart 
werden deze stukjes steen bewaard 
gedurende vele reizen en dagen van verwoesting 
zelfs, zeggen ze, tot in het beloofde land 

Parasha Teroema Sjemot/Exodus 25 - 27:2
Een Groots Design: de Menora

Korte inhoud

In dit bijbelstuk krijgt Mosjee de opdracht om aan het volk te zeggen, dat het gaven (teroema) moet geven, allerlei kostbaarheden, ieder zoals zijn hart hem ingeeft. Van deze gaven zal een heiligdom gemaakt worden; verder wordt in deze parasja beschreven hoe de te vervaardigen heilige arke, ha-aron ha-kodesh , de rituele objecten en verder de tent der samenkomsten, de miesjkan, eruit moeten gaan zien. Dit alles volgens de modellen zoals aan Mosjee op de berg getoond. In groot detail worden uiterlijk, soorten materialen en afmetingen bladzijden lang beschreven.

De menora

Naast de tafel voor de toonbroden en de ark wordt in deze parasja de lampenstandaard, beter bekend onder de naam ‘ menora ' beschreven. We lezen in de verzen 25 en verder, dat Mosjee de opdracht krijgt een lampenstandaard te doen maken van zuiver goud volgens de aan hem gegeven richtlijnen. De schacht moest zes zijarmen hebben: drie aan de ene kant en drie aan de andere kant, versierd met amandelbloesem, op elk van de zes armen en de schacht een aantal kelken en knoppen en bloemblaadjes. Zeven lampen moesten worden gemaakt om op de armen te zetten, de snuiters en bakjes moesten ook van zuiver goud zijn. De voet, de schacht, de kelken, knoppen en bloemen moesten uit één stuk worden gedreven. 
En zo werd het gemaakt door een bekwame kunstenaar, die met name genoemd wordt: Betsalel, het archetype van de joodse kunstenaar. Zijn naam betekent ‘in de schaduw van God'. En in Jeruzalem draagt de naar hem genoemde Betsalel kunstacademie zijn naam voort. 
Daarmee is een attribuut van grote schoonheid ontstaan. De lijnvoering van de stam en zijn armen is krachtig en bevredigt ergens diep een gevoel van harmonie. De uitwaaiering vanuit één fundament naar zeven eindpunten, die met licht bekroond worden, resoneert met een archetypisch beeld van groei en bloei naar het licht. Kennelijk is hier een Grote Designer aan het werk geweest. 

Spiritueel symbool

De overlevering wil, dat de kandelaar verwijst naar de zeven dagen van de week. Ook wordt van oudsher verteld, dat de zeven armen de zeven hemellichamen vertegenwoordigen, de zon, de maan, en de vijf planeten die in de oudheid bekend waren. 
En dan is er natuurlijk het licht van de lampen als verwijzing naar de goddelijke presentie. Even een kleine excursie in verband met de polariteit licht versus donker. 
De exoterische traditie stelt graag de dominantie van het divine licht centraal. Maar sommige joodse mystici, kabbalisten, zien het krachtigste licht ontspringen uit de donkerte, waarin ongekende scheppende kracht wacht op transformatie. Zo wijzen ze op de dubbele betekenis van de naam Betsalel, de archetypische kunstenaar uit deze parasja, die de menora heeft vervaardigd. Betsalel kan zowel ‘In de schaduw van God' betekenen als ook ‘In de schaduw – in de donkerte – ís God'. Het machtigst is het licht dat komt uit de duisternis, is hun overtuiging, zoals de ‘schitterende bloem met haar delicaat gekleurde blaadjes groeit uit donkere grond, gevoed door wormen, afval en verval. En zoals diamanten, die oorspronkelijk zwarte kool zijn, hun schoonheid danken aan intense druk' (Marc Gafni). Hier raken we aan de joodse esoterie, zo niet aan ketterse regionen, waar reguliere rabbijnen hun wenkbrauwen fronsen. 

De profeet Zecharja zag de menora in zijn droom (4:1–7). Zo beschrijft hij het: ‘De engel die met mij sprak, kwam terug en wekte mij zoals men iemand uit de slaap wekt. Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? Daarop antwoordde ik: Ik zie daar een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop; en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer. Hij antwoordde mij: Dit is het woord van de Eeuwige : “niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest”, zegt de Eeuwige van de heerscharen'.

En dat beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen is geworden tot een veel gebruikt meditatie object. Het wordt gecombineerd met de zin uit psalm 16 vers 8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', zeg maar: een joodse mantra: ‘  Sjiviti Hashem lenegdi tamied  ' en zo wordt die afbeelding ook genoemd: een ‘Sjiviti', hij hangt als beeltenis in vele synagoges en het beeld wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor het tekenen en schilderen van meditatieve afbeeldingen en als object voor meditatie. 

Heilig attribuut en oorlogsbuit

Hoe verging het deze imposante tempelkandelaar met zijn pakkende zevenarmige vorm na zijn schepping verder? Vanaf zijn plaatsing in de tabernakel begon het heilige attribuut een grillige reis door de geschiedenis. In de tempel van Sjlomo ha Melech kwam hij te staan en in de tweede tempel van Ezra en in de gerenoveerde tempel van Herodes, misschien niet steeds hetzelfde exemplaar, maar toch steeds in zijn rol als heilige lichtbrenger. Heel lang blijft hij onvermeld en onafgebeeld, tot hij opeens onmiskenbaar opduikt in de verhalen van geschiedschrijver Flavius Josephus over de Joodse oorlog in de eerste eeuw en op de triomfboog van keizer Titus, die hem na de verwoesting van Jeruzalem in 70 van de westerse jaartelling in triomf naar Rome heeft gebracht. 
Menora op de Triomfboog van Titus

Daar verbleef hij vermoedelijk in de tempel van de vrede. Tot de Vandalen in de vijfde eeuw Rome plunderden en hem meenamen, overzee naar Carthago. En wat er toen mee gebeurde is speculatie en zou stof kunnen geven voor spannende romans à la Dan Brown. Eén versie luidt dat het vandalenschip is gezonken en dat de originele menora ergens op de bodem van de Middellandse zee rust. 

Herleving als nationaal symbool 

Is het unieke fysieke exemplaar niet meer onder ons, wel is de menora al die eeuwen het symbool van het Jodendom geworden, tezamen met de davidsster, in het hebreeuws ‘ magen dawied' , wat betekent schild van David en inderdaad zegt de legende dat koning David die ster op zijn schild had staan. 

Had aanvankelijk de menora als symbool terrein verloren aan de davidster, nieuw leven kreeg zij als symbool van het in de negentiende eeuw herlevende zionisme. Het zogenaamde Joodse Legioen, dat in de eerste wereldoorlog met opmerkelijke dapperheid voor de Engelsen meevocht tegen het Ottomaanse rijk had de menora op zijn baret staan met daaronder het woord ‘ kadima ', voorwaarts! Veel bekende zionisten telde dat legioen, waaronder Ben Goerion, de eerste premier van Israël. Nu staat de menora in het wapen van de staat Israël en staat de Davidsster op de vlag.  En voor het Israëlische parlement, de Knesset, staat een reusachtige menora van steen met in reliëf allerlei verbeeldingen uit de Joodse geschiedenis. (zie hierboven)  De Menora wordt heel vaak gebruikt als model voor de Chanoeka kandelaar. Deze heeft echter 8 lichten en een 'aansteeklicht'. Strikt genomen is de Chanoeka kandelaar geen menora en hij kan en mag ook een heel andere vorm hebben, naar inzicht van de kunstenaar die hem ontwerpt. 


parashat Misjpatiem

Shemot / Exodus 21:1–24:18
Oog om oog?

De parasja

De parasja Miesjpatiem (regels) wordt wel ‘het boek van het verbond' genoemd. Immers het grootste deel van de parasja bestaat uit allerlei belangrijke regels (21-23), een uitwerking van de Tien Woorden. Achtereenvolgens komen aan de orde: regels betreffende slaven en hun vrijlating, overtredingen rond moord, doodslag, geweld (inclusief het vervloeken van de ouders), regels rond kwetsuren en toebrenging van lichamelijk letsel, verantwoordelijkheid voor schade toegebracht door dieren, regels rond diefstal, onrechtmatige begrazing en brandschade op het veld, regels rond bewaring, verleiding van maagden, goddeloze gewoonten, liefde voor en solidariteit met vreemdelingen, armen, weduwen en wezen, aanbod van eerstelingen, regels rond juist gedrag (m.n. inzake hulp aan de naaste, getuigenissen, omkoping), regels betreffende heilige tijd (joweljaar, sjabbat, pelgrimsfeesten; hier staat ook het verbod een bokje in de melk van zijn moeder te koken, vermoedelijk opgenomen omdat de Kenaänitische volken rondom dit in hun riten wél deden. 

Oog om oog?

Een bekende bepaling is het ‘oog om oog, tand om tand', de zg. lex talionis. Vaak wordt deze bepaling aangevoerd als schoolvoorbeeld van oudtestamentische wreedheid. Laten we dit eens verder uitpluizen. Het valt op hoe vreemd deze bepaling is gekoppeld aan de woorden over vechtende mannen die een vrouw per ongeluk een miskraam bezorgen (NBV): Sjemot/Sjemot/Exodus 21: 22-25:  Wanneer twee mannen aan het vechten zijn en een van hen een zwangere vrouw raakt met als gevolg dat zij een miskraam krijgt, maar ze heeft verder geen letsel opgelopen, dan moet een boete worden geëist waarvan de hoogte door haar echtgenoot wordt vastgesteld; de rechters moeten op de betaling toezien. Heeft ze wel ander letsel opgelopen, dan geldt: een leven voor een leven, een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet, een brandwond voor een brandwond, een kneuzing voor een kneuzing, een striem voor een striem.
Dit beginsel is duidelijk in al zijn directheid; het is in ook opgenomen in het boek Wajikra/Leviticus. Wajikra 24:19-20 (NBV) luidt : ‘ Wanneer iemand letsel toebrengt aan een ander, moet hem hetzelfde letsel worden toegebracht: een breuk voor een breuk, een oog voor een oog, een tand voor een tand. Wat hij de ander heeft aangedaan zal ook hem aangedaan worden.'  Dat liegt er niet om. We moeten wel beseffen, het was toen een vooruitgang. Het betekende in de tijden dat deze woorden geschreven werden een inperking van eindeloos durende bloedwraak, vetes en het recht van de sterkste. In de loop der eeuwen is een meer humane interpretatie nodig geworden en dit was de taak van de rabbijnen.  Die vonden ze, zoals Rasji, in het woord ‘gegeven'. In het Hebreeuws staat in Wajikra/Leviticus. Wajikra 24:19-20 niet letterlijk: ‘Wat hij de ander heeft aangedaan zal ook hem aangedaan worden', zoals de NBV luidt, maar: ‘ Kaäsjer jiteen moem be-adam ken jinaten bo ', letterlijk vertaald: ‘zoals hij letsel gaf aan een mens, zo zal aan hem gegeven worden' en Rasji zegt dan, geven betekent geven van hand tot hand, dus gaat het om geld. Zo worden nu eenmaal de wrede ‘barbaarse' bepalingen omgesmeed en aangepast aan modernere tijden. De rabbijnse uitleg is dus, dat hier in de woorden zelf al een geldelijke compensatie besloten ligt.
Umberto Cassuto (in zijn boek a Commentary on the book of Sjemot/Exodus, p. 272 ev) merkt in zijn commentaar op, dat in tegenstelling tot de rabbijnse uitleg, het hier oorspronkelijk wel degelijk ging om een fysieke uitruil, dus letterlijk oog om oog. Met allerlei voorbeelden uit oude Semitische wetgevingen toont hij aan, dat het gaat om een oeroude standaardformule. Waar oorspronkelijk een feitelijke uitvoering van het vonnis werd uitgevoerd kon later de dader vóór de executie een schikking voor geld aanbieden. Hij kon het vonnis afkopen. Deze afkoop of losprijs werd later als vanzelfsprekend in de formule begrepen. De zin die we nu aantreffen, ‘ een leven voor een leven, een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet, een brandwond voor een brandwond, een kneuzing voor een kneuzing, een striem voor een striem' werd gefixeerd tot een standaardformule, die de mogelijkheid van een geldelijke schikking in zich bood. Vandaar de opsomming van allerlei vormen van letsel, die in deze casus van een zwangere vrouw eigenlijk niet relevant zijn. Ook gezien de strekking van andere bepalingen lijkt een letterlijke uitvoering uiterst onwaarschijnlijk. Zo meldt v ers 21:13 in dit hoofdstuk, dat bij een niet opzettelijke doodslag geen doodstraf geldt, maar het recht naar een asielstad te vluchten. Bovendien bepaalt Bemidbar/Numeri 35:31: ‘Je mag geen losprijs aannemen voor het leven van een moordenaar die schuldig bevonden en ter dood veroordeeld is'. Dus voor niet opzettelijke doodslag en verminking mag je wel een financiële compensatie aannemen! 
Dus het zou absurd zijn om in geval de oog-om- oog-formule wel een fysieke uitvoering te eisen. De oude formule impliceert een financiële compensatie.

(1) Umberto Cassuto (1883–1951), A Commentary on the Book of Exodus , Jerusalem, 1997 (eerst verschenen in Hebreeuws in 1951)
2) Ontleend aan de website over Rav Abraham Isaac Kook  (1865-1935) http://ravkooktorah.org/MISHPATIM_67.htm


Parasjat Wajigash Bereshiet/Genesis 44:18 – 47:27

In de parasja Wajigash (Hij naderde) vindt dan eindelijk de verzoening plaats tussen Joseef en zijn broers. Het hele verhaal wordt in geuren en kleuren, met veel detail en dialoog verteld. Ook verhaaltechnisch zit het goed in elkaar en is het boeiende lectuur.
De machtige onderkoning eist als sanctie op de zogenaamde diefstal door Binjamien van een kostbare bokaal (zie vorige parasja) de jongen als slaaf op; benieuwd is de nog niet als zodanig herkende Joseef over wat de reactie van de broers zal zijn. Jehoeda neemt het woord. In een lang betoog om Binjamien vrij te pleiten bespeelt hij alle snaren van Joseefs gemoed, als hij de vader Jaäkov beschrijft als een wanhopige oude man, die oit de oudste zoon van zijn geliefde Rachel heeft verloren en nu ook de jongste lievelingszoon, het enige wat hem nog aan het leven bindt, niet zal terugzien; de grijsaard zal dan prompt van verdriet sterven. Jehoeda smeekt om hèm als slaaf te houden en Bijamien te laten gaan. Als de man zich zo laat kennen als redder en beschermer van de jonge knaap en als ook de andere broeders Binjamien niet laten vallen - zoals ze ooit met hem, Joseef, hebben gedaan - , maakt de machtige geagsdrager een eind aan de beproeving; hij laat de tranen eindelijk gaan en maakt zich bekend als hun doodgewaande broeder, Joseef; een emotionele ontmoeting en verzoening vindt plaats. Joseef laat ook Jaäkov en zijn huishouding en vee uit Kenaän halen; de hele familie van zeventig personen wordt hartelijk en feestelijk binnengehaald en krijgt van Paro een woonplaats in Egypte, in de vruchtbare streek Chosjen.
Er volgden nog een aantal jaren van hongersnood en de onderkoning Joseef verkocht het in pakhuizen opgespaarde koren aan de bevolking. Straf en streng ging hij te werk,hij redde het land, maar haalde tegelijk ook al het geld, vee, land van de wanhopige kopers voor zijn heerser binnen; tenslotte gaf hij de boeren zaaigoed en voerde een pittige oogstbelasting in ten gunste van Paro' s kas.

Vergeving, een revolutionaire uitvinding

Vergeving is beter mogelijk als de aangedane partij tekenen zie van een veranderde houding en ten goede gekeerde daden bij de tegenpartij. Een veranderde houding van schuldgevoel en berouw bleek al uit het gesprek van de broers tijdens hun driedaagse gevangenschap (zie vorige parasja); veranderd gedrag bleek uit de heftige pleitrede van Jehoeda voor zijn jongste broer Benjami. Jehoeda, die nota bene hem, Joseef, ooit als slaaf had verkocht, kwam nu op voor het heil van de andere zoon van Rachel. Ook een duit in het zakje deed Jehoeda's begaanheid met het welzijn van zijn vader, die hij ooit zo'n verdriet had gedaan en had bedrogen. Dat lange hartstochtelijke blijk van familieliefde – contrast met het vroegere onderlinge ‘kinnesinne'– bracht Joseef tot de onthulling van zijn identiteit als hun broeder. Tegelijk deed hij aan iets, dat daarvoor nog nooit zo duidelijk in de Tora was beschreven: vergeving.
Rabbijn Jonathan Sacks (1) merkt dit aan als een revolutionaire daad in de geschiedenis van de mensheid, te vergelijken met de uitvinding van de boekdrukkunst, de elektrische motor en internet! In de evolutie van het ethisch bewustzijn van de mensheid is het een essentiële sprong. 
Er zijn in de Tora vòòr de geschiedenis van Joseef wel bewegingen in de richting van vergeving geweest. Avraham beweegt Hashem de inwoners van Sedom en Amora te sparen, maar hij dringt niet aan op vergeving van deze zondaren. Jaäkov nadert zijn boze broer Esav met zeven buigingen een grote geschenken; hij probeert zijn broer te kalmeren en gunstig te stemmen om af te zien van wraak en geweld; ze begraven de strijdbijl, maar Jaäkov vraagt niet om vergeving en Esav geeft die ook niet
Joseef vergeeft wel, als hij zegt: ‘  Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden  ' (Ber/Gen 45: 5). Het dringt nog niet echt door tot de mannen, dat hiermee vergiffenis is geschonken voor de mishandeling van hun broer. In de volgende parasja Wajechi willen ze zekerheid daarover hebben, beangst als ze nog zijn om na de dood van hun vader Jaäkov alsnog het voorwerp van wraak te worden. Daarom vragen ze aan hun machtige broer nog een keer om vergeving: ‘ Nu dan, vergeef toch de overtreding der dienaren van de God uws vaders  ' (Ber/Gen 50:17) . 
Wat is er zo revolutionair aan het fenomeen van vergeving? Rabbijn Jonathan Sacks signaleert, dat in vele culturen, bv ook in de oude Griekse, geen vergeving bestaat; wel zijn er verwante mechanismen, rituelen van kalmering en zelfvernedering, om wraak, geweld en straf te voorkomen. Een voorbeeld in de Tora hebben we juist genoemd: de benadering van Jaäkov van zijn broer Esav. Het gaat om culturen, waarin schaamte en eer de hoofdrol spelen. In het Jodendom overheerst een cultuur van schuld, schuld die vergeven kan worden. 
We citeren uit het diepzinnig commentaar van R. Sacks: ‘Binnen het jodendom werd een nieuwe vorm van moraal geboren. Jodendom is (hoofdzakelijk) een ethiek van schuld, in tegenstelling tot de meeste andere systemen, die een ethiek van schaamte zijn. Een van de fundamentele verschillen tussen hen is dat schaamte en schande zich hechten aan de persoon. Schuldgevoel hecht zich aan de handeling. In schaamte-culturen is een persoon die verkeerd doet als het ware, besmeurd, getekend, verontreinigd. In schuld-culturen is niet de dader fout, maar de daad, niet de zondaar, maar de zonde. De persoon behoudt zijn of haar fundamentele waarde ("de ziel die u me gaf is zuiver," zeggen wij in onze ochtendgebeden). Het is de daad die op een of andere manier moet worden rechtgezet. Dat is de reden waarom in schuld-culturen er processen zijn van berouw, vergeving en verzoening'. 
Dat maakt mogelijk, dat de vicieuze cirkel doorbroken kan worden, de cirkel van actie en tegenactie, van wraak en weerwraak. We hoeven het verleden niet eeuwig te herhalen. Vergeving maakt verandering mogelijk en schept een nieuw perspectief van vrijheid voor de toekomst. Rabbijn Sacks: ‘De mensheid veranderde de dag Joseef zijn broers vergaf. Als we vergeven en waardig zijn om vergeving te ontvangen, zijn we niet langer gevangenen van ons verleden'.

noot
( 1) Zie op zijn website zijn commentaar op Wajigasj van 5775/ 2014

(herzien dec 2015)

parashat Mikeets , Bereshiet/Genesis 41-44:18
Doorbrekend schulbesef

De parasha

In de parashat Mikeets (‘aan het eind van') neemt het verhaal van Joseef en zijn familie een aantal spannende en ingrijpende wendingen. Joseef wordt uit de gevangenis gehaald om de droom van de Farao te verklaren, de beroemde droom van de zeven vette koeien, die worden opgegeten door zeven magere koeien en de zeven volle aren, die worden verzwolgen doorzeven lege aren. Josef verklaart hem: er komen zeven vette jaren, waarna zeven magere jaren zullen volgen; hij geeft ook nog het recept om de na zeven welvaartsjaren de te verwachten hongersnood door te komen. De Farao verheft hem uit zijn nederige positie van bajesklant tot onderkoning en geeft hem een voorname vrouw tot echtgenoot. Joseef neemt zeer vooruitziende maatregelen en laat overal door het land voorraadschuren bouwen en vullen met koren en inderdaad komen na zeven jaren van welvaart zeven jaren van hongersnood, die ook het land Kenaän teisteren. Tien broeders van Joseef trekken naar Egypte om koren te kopen en komen voor de onderkoning Joseef, die zij niet herkennen, maar andersom wel. Binjamien, nog een knaap, zo vertellen zij aan de nieuwsgierige onderkoning, is achtergebleven bij zijn vader.
Joseef gaat nu een gecompliceerd spel met zijn onwetende broers spelen. Hij beschuldigt hen van spionage; ze protesteren heftig en Joseef eist dat ze om hun onschuld te bewijzen terug naar Kenaän moeten gaan en Binjamien met hen mee terug naar Egypte moeten nemen, als het bewijs van dat zij de waarheid spreken. Ze krijgen wel koren mee, maar Sjimon blijft als gijzelaar achter.
Jaäkov weigert zijn oogappel Binjamien – naast Joseef de tweede zoon van Rachel - naar Egypte te laten gaan, maar ten langen leste als de honger weer toeslaat en Jehoeda zich borg stelt voor zijn jongste broer, stemt hij toe en de broers trekken nu met hun jongste broer weer naar Joseef. Joseef ontvangt hen vorstelijk maar laat in de voederzak van Binjamien een kostbare bokaal van zijn tafel stoppen, die hij later, als de broers weer met gevulde korenzakken de terugweg aanvaarden, zogenaamd weer door zijn agenten laat vinden.
De broeders worden teruggehaald en Joseef veinst dat hij 'de dief' Binjamien als slaaf bij zich wil houden. Jehoeda neemt het woord en in de volgende parashat Wajigash houdt hij een lang betoog om Binjamien vrij te pleiten.

Joseef en zijn broeders

Joseef is een uitgebreid beschreven karakter en we volgen hem in deze n de volgende parashot in zijn ontwikkeling. Nog meer dan bij Jaäkov blijkt zijn personage te zijn uitgewerkt in markante trekken.
In het begin van zijn leven komt Joseef over als een jongen met een uitstekend verstand, een rijke fantasie en een uitzonderlijk vermogen om dieper te schouwen.
Duidelijk is hij verwend en de kleurige mantel symboliseert zijn kleurige en beeldrijke talenten en tegelijk belichaamt deze uitdossing ook zijn voorgetrokken positie als zoon van Jaäkovs grote liefde Rachel. Jong, overmoedig en arrogant weet Joseef zijn talenten en geestkracht nog niet in de hand te houden. Hypocriet klikt hij over zogenaamde zonden van zijn broers en met zijn op zich veelbetekende dromen gaat hij slordig en ontactisch om. Dat leidt tot de heftige poging van zijn gekwetste en getergde broers hem uit de weg te ruimen.
De doodsangst en de spanningen van de slavernij zullen de jonge Joseef tot inkeer hebben gebracht. In zijn positie als slaaf en gevangene gaat hij zijn gaven beter gebruiken. Hij leert op langere termijn te denken en blijkt een uitnemend organisator. Hij is allengs meester geworden over zijn dromen en doorziet andermans dromen. Hij kan zijn gaven nu inzetten voor zijn eigen zaak, zaken van anderen en zaken van de gemeenschap.

In dat proces speelt een belangrijke rol, dat hij is gaan beseffen dat hij een dienaar is, dat hij een instrument is geworden van een oneindig grotere macht, zoals hij zelf naar voren brengt tijdens de droomuitleg aan Paro: het is God die Paro zijn bedoeling te kennen geeft en Joseef is alleen maar de doorgever. Op zijn manier heeft hij contact gemaakt met de God van zijn vaderen. Nog duidelijk komt dit besef naar gedurende de latere hereniging van Joseef met zijn broers.
Het lijkt wel of Joseef voor zijn broers een subtiel maar lastig parcours heeft uitgezet, waarlangs zij geleidelijk tot inkeer en tot besef van schuld kunnen komen. Na de beschuldiging van spionage worden de broers gevangen gezet. In de loop van drie dagen detentie onderzoeken de broers vertwijfeld waar ze hun tegenslagen aan te danken hebben. Heeft misschien hun mishandeling van Joseef, nu tweeëntwintig jaar geleden, er mee te maken en betalen ze nu de prijs? Bereshiet/Genesis 42: 21, vertaling Dasberg: “ We hebben inderdaad schuld tegenover onze broer wiensr doodsangst wij hebben gezien toen hij ons smeekte en wij niet naar hem geluisterd hebben, daarom is deze ellende over ons gekomen .”
In de verzen, waarin wordt verteld hoe Joseef in de put wordt geworpen (Beresjet/Genesis 37:21 e.v.) wordt van de doodsangst en van de smeekbeden van Joseef geen gewag gemaakt. Pas hier, na drie dagen afzondering in gevangenschap en in deze penibele omstandigheden, dringt de impact van die smeekbeden tot de broeders door en beseffen ze de verharding van hun hart. Pas nu, vele jaren en bladzijden later, lezen wij over die hartverscheurende smeekbeden; commentator Nechama Leibowitz wijst op de narratieve vondst om dit nu pas te vermelden: het is een krachtig literair middel om het berouw van de broers tastbaar te maken.
Joseef luistert dit gesprek in de gevangenis af en begint te vermoeden, dat zijn broers misschien wezenlijk zijn veranderd. Als dat werkelijk ook uit hun daden zal blijken kan hij zijn eventuele wraakplannen laten varen, kan hij kiezen voor het verlangen naar zijn familie, voor de ook altijd levend gebleven liefde; dan kan hij zich bekendmaken en komen tot ontmoeting en verzoening. Dan zal hij kunnen zeggen: ‘ Maar God heeft mij vooruit gezonden tot grote redding … ' (Ber/Gen 45:7).

De Haftara en Chanoeka

Het is de tijd van Chanoeka en in de Haftara : Zecharja 2:14-4:7 is het thema van Chanoeka zeer sterk aanwezig in het visioen van de gouden zevenarmige Menora. De afbeelding van dit visoen is een meditatie object geworden in de joodse spirituele praktijk, een zg "Shiviti".
De zevenarmige gouden Menora wordt omgeven door twee olijfbomen, die de hogepriester Jehoshoea en de politieke leider Zerubavel representeren. Deze twee waren betrokken bij de restauratie van de tempel in 516 BCE na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. De olijfbomen voorzien de Menora van een voortgaande stroom van olie. De beschrijving van de Menora uit Zecharja (Zacharia) wordt gelezen in de Haftara van de eerste sjabbat van het Chanoekafeest en besluit met een messiaans visioen van vrede, " Niet door macht, niet door kracht maar door mijn Geest "(Zech: 4.)

Parashat Wajesjev Bereshiet/Genesis 37-4l
Joseef en Jehoeda, karakters in ontwikkeling; 1. Joseef

De parasha

In deze parasha zet het familieverhaal van Avrahams nakomelingen zich voort. Een nieuwe generatie betreedt het podium, de zonen van Avrahams kleinzoon, Ja'akov. Hoofdfiguur is diens lievelingszoon Joseef. In deze parasha en de volgende parshiot Mikets, Wajigasj en Wajechi speelt zich de geschiedenis van de familie om Joseef heen af. Het is het laatste bedrijf van de family story van Bereshiet/Genesis; in het volgende boek, Shemot/Exodus zal het over een volk gaan, in de volgende boeken aangeduid als de ‘benee Jisraël', de kinderen van Israël.
De parashat Wajesjev valt eigenlijk in twee bedrijven uiteen.
Het eerste bedrijf vertelt hoe de puber Josef – naïef of arrogant, naar men wil – zijn dromen vertelt aan zijn broers, dromen met beelden van hoe hij de baas is in de familie, korenschoven, zon, maan en sterren, allemaal buigen ze voor hem, Joseef; daarbij gaat de jongen gekleed in het sjieke kleurig gewaad dat zijn vader hem heeft geschonken. De broers hebben schoon genoeg van dat verwaande knaapje en ze zijn ook nog jaloers. Als de ruige herders ver van Jaäkovs tenten de schapen weiden en hun vaders oogappel in zijn mooie mantel zien naderen om hen te controleren besluiten ze hem te doden en gooien hem in een lege put. Uiteindelijk doden ze hem niet en – een idee van Jehoeda – verkopen ze hem als slaaf aan een passerende handelskaravaan op weg naar Egypte (1). Ze vertellen aan de ontroostbare vader, dat zijn zoon is verscheurd door wilde dieren en tonen hem het met geitenbloed besmeurde kleurig gewaad. Het thema misleiding en leugen, ook dat thema zet zich in deze generatie voort.
Vóór het dan volgende tweede bedrijf rond Joseef krijgen we nog een intermezzo verhaald over Jehoeda en zijn schoondochter Tamar, weduwe van twee zonen van Jaäkovs zonen, een vrouw, die verlangend naar een kind, haar schoonvader listig als hoer vermomd verleidt en een tweeling baart.
Het tweede bedrijf is het begin van de carrière van Joseef als slaaf in Egypte, die het in latere parshiot tot onderkoning zal brengen. Zijn eerste baantje als huismeester van een generaal eindigt in de gevangenis als hij door de meesteres des huizes ten onrechte wordt beschuldigd van aanranding. In de gevangenis weet hij toch weer op te klimmen tot manager en vestigt hij zijn reputatie als droomuitlegger door uit twee dromen van in ongenade gevallen hoffunctionarissen, de schenker en de bakker, correct hun toekomst te voorspellen, voor de een eerherstel, voor de ander de dood. Die reputatie zal hem later nog van pas komen.

De wegwijzer; toeval of sturing?

Van de vele kleurige en dramatische gebeurtenissen kies ik een passage over één bepalend moment, dat zich voordoet tijdens Joseefs zoektocht naar zijn broers, die hem als slaaf zullen verkopen. Het lijkt een vrij onbelangrijk detail dat in hoofdstuk 37: 15-18 wordt verteld: (NBV)“ Toen Jozef daar in het veld ronddwaalde, kwam hij iemand tegen die hem vroeg wie hij zocht. ‘Ik ben op zoek naar mijn broers,' antwoordde hij. ‘Kunt u me zeggen waar zij het vee aan het weiden zijn?' ‘Ze zijn hier niet meer,' zei de ander, ‘ik hoorde hen zeggen dat ze naar Dotan wilden.' Jozef ging zijn broers achterna en trof hen in Dotan aan.“ Uitgangspunt bij Tora-verklaring is dat er nooit iets voor niets staat.
Ook al lijkt het een onbelangrijk detail, het feit dat het is opgenomen in het verhaal houdt in dat het een betekenis of boodschap heeft.
In de hierboven opgenomen vertaling staat, dat Joseef ‘iemand tegenkwam'. Letterlijk vertaald staat er: ‘ Jiemtsehoe iesh ' ofwel: een man ( iesh ) vond hem. Wanneer er sprake is van een anonieme ‘man' gaat het in de Tora meermalen om een instroming in de manifeste wereld van een transcendente kracht, die een belangrijke wending teweeg brengt. Soms wordt hij een ‘man' genoemd, zoals de mannen die bij Avraham op bezoek komen en hem de geboorte van Jitschak in het vooruitzicht stellen; en denk ook aan de ‘man' met wie Jacob heeft geworsteld aan de Jabbok. Soms wordt hij een boodschapper genoemd, een ‘ malach ', later via het Griekse equivalent ‘ angelos ' vertaald als ‘engel'.
De veel geraadpleegde Middeleeuwse commentator Rabbi Sjlomo Jitschaki (Rasji) verklaart beknopt, dat het hier gaat om (de engel) Gavriël; zie ook het boek Daniël, waarin gewag wordt gemaakt van ‘een man Gavriël', waar het duidelijk gaat om een engel-achtig fenomeen (Daniël 9:21 ) Daarmee kiest deze commentator duidelijk voor de interpretatie dat het hier een ingreep van de Eeuwige betreft.
Hoe het ook zij, het is duidelijk dat het hier een draaipunt betreft in de afwikkeling van het drama van Joseef en zijn broeders, ja zelfs in de geschiedenis en het lot van Israël. Joseef was verdwaald. Als hij de man niet had ontmoet had hij zijn broeders waarschijnlijk nooit gevonden. Misschien was hij wilde dieren tegengekomen, rovers, misschien was hij onverrichter zake teruggekeerd naar het kamp van zijn vader.
Hij was waarschijnlijk nooit in Egypte terecht gekomen (en als hij er onverhoopt toch terecht zou zijn gekomen was zijn geschiedenis zich daar heel anders verder ontwikkeld, was de broederschuld niet opgetreden, was Joseef nooit de redder van zijn familie geworden). Waarschijnlijk was Jacob en zijn zeventig mensen nooit in Egypte aangeland, althans niet op de manier zoals in de Tora beschreven met de vestiging in het land Chosjen, de bevolkingsaanwas, de toenemende onderdrukking en tenslotte de Exodus.

Is het toeval dat de ‘man' op de weg van de verdwaalde Joseef kwam?
Eeuw in eeuw uit is de vraag of een essentiële schakelgebeurtenis (b.v. een ontmoeting) nu zuiver toeval is geweest of een ingreep Gods. Het is een onderwerp, dat gezellig bediscussieerd werd en wordt aan de borreltafel (of bij het nomaden kampvuur, wie weet) en tussen wetenschappers, theologen en filosofen, in gewichtige academische fora. Op belangrijke historische wendingspunten, maar ook in de individuele levens van onberoemde personen zijn er staaltjes van al dan niet schijnbaar toeval te geven.
Wie ben ik om een overzicht te geven van de stand van deze discussie, die in populair wetenschappelijke vorm een eigentijdse variant kent – waar het gaat over biologische evolutie - onder de noemer van ‘intelligent design'.
Ik wijs er hier op, dat de Tora suggereert, dat er een bovenmenselijke, zo u wil goddelijke sturing is. Een sturing, die kennelijk wil, dat Joseef zijn beproeving tegemoet gaat, dat de broeders hun dwaling aan hem begaan, zodat Joseef vanuit de diepste put via toppen en dalen naar zijn hoogste glorie kan stijgen, waardoor hij zijn familieleden vanuit hun ontberingen een veilige plaats van welvaart kan bieden, welke plaats weer wordt tot een oord van ellende, van waaruit zij uiteindelijk uit de slavenketens bevrijd optrekken naar de Sinaj, waar zij de openbaring van de Tora krijgen, waarna etcetera de geschiedenis verder rolt met een beurtelings oplichtende dan weer in duistere raadselachtigheid verzinkende finaliteit.
Misschien is onze grootste vrijheid als mens niet zozeer dat wij in opperste vrijheid kunnen kiezen als wel dat wij de vrijheid hebben ons af te sluiten óf ons te openen voor welke boodschapper ons vanuit een grotere dimensie met zijn tekens, met zijn richtingwijzing tracht te bereiken. Misschien is dat de kwaliteit van Joseef geweest – behalve dat hij een helder verstand had, een prima intuïtie, een visie om te schouwen en dromen in hun essentie te begrijpen - : de kwaliteit om in de nood van het moment, verdwaald in eindeloze velden, open te staan voor tekenen, die de juiste richting aangaven; en wie weet geeft dat aan die hogere dimensie (God zo u wil) de gelegenheid zich te openbaren met de noodzakelijke weg die te gaan is.

Tenslotte: het is opvallend hoe af en toe in de Tora (in de Tanach, in de historie) de aanvankelijke menselijke verkeerdheden, misstappen, dwalingen, vooruit: zeggen we zonden, de geschiedenis juist essentieel vooruit duwen. Met het eten van de boom der kennis begint de geschiedenis der mensen, de jaloersheid en naijver van Joseefs broeders brengen Joseef - en uiteindelijk Israël – in Egypte. In deze zelfde parasha brengt de zonde van Juda met Tamar het nageslacht voort dat zal leiden tot David ha-melech (koning David)en diens zonde met Batshewa brengt Sjlomo ha-melech (koning Salomo) voort.

noten
(1) Hebben de broers nu Joseef eerst aan de Midjanitische kooplieden verkocht of waren die hen voor? De tekst is niet duidelijk. Nechama Leibowitz behandelt in haar commentaar uitgebreid deze kwestie; ze vermeldt hoe vele commentatoren komen tot een viervoudige doorverkoop van Joseef: broers naar Midjanieten, Midjanieten naar Ishmaëlieten, Ishmaëlieten naar Medanieten. Medanieten aan Farao's generaal Potifar

2. Jehoeda

Als een plots intermezzo tussen de verhalen over Joseef vertelt de parasja het verhaal van Juda en zijn schoondochter Tamar.
Is de Joseef de hoofdpersoon van deze parasha, een dragende bijrol heeft zijn broer Jehoeda. De eerste keer, dat deze vierde zoon zich profileert is, als hij oppert Joseef niet te doden, maar te verkopen als slaaf. De tweede keer staat hij een poos middenin de schijnwerper. Want tussen de twee net kort samengevatte bedrijven rond Joseef speelt zich nog een intermezzo af rond Jehoeda en zijn schoondochterTamar. Tamar – een Kena'anitische vrouw - huwt de oudste zoon van Juda, Er, die ze aan de dood verliest. De tweede zoon Onan weigert zijn zwagerplicht om zijn overleden broer alsnog een erfgenaam te bezorgen te vervullen en ‘ verspilt zijn zaad op de grond' (1). Ook hij overlijdt en dan is volgens de regels van het zwagerhuwelijk ( Jiboem ) de derde zoon Sjelah aan de beurt. Jehoeda voelt daar helemaal niets voor en schuift het op de lange baan en Tamar voorvoelt op de lange duur dat de toezegging van haar schoonvader niet tot het huwelijk met Shelach zal leiden, er zal niets van komen. Ze verzint een list – alweer misleiding! - , nu is Jehoeda het slachtoffer. Als de man op weg is naar zijn schapenscheerders in Timna komt hij onderweg - bij ‘ petach enajim' , de poort van het dorp Enajim, letterlijk ‘opening der ogen' – een gesluierde hoer tegen, de onherkenbare Tamar. Zij verleidt haar schoonvader (en inmiddels ook weduwnaar}. Ze baart een tweeling - Perets en Zerach - en als Jehoeda later hoort van deze schande en dit, onwetend dat deze zwangerschap aan hem te wijten is, wil bestraffen met verbranding stelt zij hem aan de kaak als de vader van die twee zonen. Dat doet zij door hem de onderpanden te tonen die ze indertijd als hoer van hem kreeg voor de uitgestelde betaling van haar diensten: zijn zegel, zijn koord en zijn staf. Jehoeda herkent ze en erkent: ‘ Zij staat tegenover mij in haar recht, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sjelah heb gegeven ' (Ber/Gen 38:26).
Rabbijn Jonathan Sacks wijst erop, dat dit in de Tora de eerste keer is dat iemand met zoveel woorden zijn fout aan een ander toegeeft. Toen Jehoeda hoorde van de hoererij en zwangerschap van zijn schoondochter beval hij dat zij verbrand moest worden. Tamar klaagde hem toen niet rechtstreeks aan, maar gaf hem de gelegenheid zelf naar voren te komen en te bekennen. Ze zei immers: ‘Zie eens goed, van wie deze zegelring en snoeren en staf zijn ‘ (Ber/Gen 39:24) .Jehoeda had ook zijn reputatie de voorrang kunnen geven en kunnen ontkennen. Tamar liep dus een groot risico, bij ontkenning door haar schoonvader zou ze verbrand worden.
Deze actie van Tamar gaf de Talmoedische Rabbi Jochanan - 3e eeuw westerse jaartelling - de gelegenheid op te merken: ‘ Het is beter voor een mens zich in een brandende oven te werpen dan een medemens openbaar te schande te zetten. Hoe komen we daarbij? Van Tamar (Talmoed Sota 10b). Zouden de planners van dergelijke openbare onthullingen zich daaraan houden, dan zouden we een schrijnend gebrek aan brandende ovens hebben

Eén van de zo o p de wereld gekomen zonen, Perets, zal de voorvader worden van koning David, die zijn opvolger, Shelomo, ook verwekte bij een via een misstap aan zijn zijde gekomen vrouw, Batshewa (David die volgens de sage van het Nieuwe Testament de voorvader van Jezus zou zijn).
Ook hier zien we hoe de geschiedenis voortschrijdt middels misstappen van de hoofdpersonen van het drama. De geschiedenis van Israël is allerminst een geschiedenis van verheven personen van onberispelijke levenswandel. De voortstuwing van de gebeurtenissen houdt zich niet aan religieuze regels en ethische voorschriften. David Biale concludeert in zijn boek ‘Eros and the Jews' met verleidelijke ironie: ‘Nogmaals, (…) misstappen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israel; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit om het fortuin van zijn uitverkoren volk te bevorderen'.
Zijn de dramatis personae geen zondeloze figuren, wat wel opvalt is dat het levende mensen zijn in ontwikkeling. Het zijn geen stereotypen, maar het zijn karakters, die groeien met de jaren. Misschien is dat wel het belangrijkste. Ze worden wijs door schade en schande; getekend door de gevolgen van hun beslissingen en hun daden winnen ze aan statuur. Dat geldt voor Jaäkov, voor Joseef en ook voor Jehoeda. De derde keer dat Jehoeda in de spotlight staat is zijn ‘finest hour' , dat is later als de broers in Egypte zijn en voor de machtige onderkoning van Egypte staan, die ze nog niet als hun broer hebben herkend. Dan houdt Juda als spreekbuis van zijn peers zijn lange pleitrede ten behoeve van Binjamiens terugkeer naar zijn vader, de langste monoloog in de Tora, woorden die het hart van de machtige heerser Joseef doen breken en deze ertoe brengen zich als hun broer bekend te maken ( parashat Wajigash ,Gen/Ber 44:18 ev).
Als de oude Jaäkov op zijn sterfbed ligt, zal hij in zijn visionaire laatste woorden niet Joseef omschrijven als de leider van zijn broers, maar Jehoeda (Ber/Gen 49) :
Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
Juda is een leeuwenwelp;
van je prooi ben je opgestaan, mijn zoon, en zo verder

Jehoeda zal uiteindelijk de voorvader en naamgever van het Joodse volk worden

noten
(1) Van Onan is afgeleid het woord onaneren, in mijn jeugd nog gebruikt in de betekenis van masturberen. In feite heeft Onan dat helemaal niet gedaan, blijkens de tekst praktiseerde hij de zg coïtus interruptus.

Parasjat Wajisjlach Beresjiet /Genesis 32:4 – 37
Jaäkov en Esav: de mogelijkheid tot verzoening

De parasja

Jaäkov trekt Esav, die hij tweeëntwintig jaar geleden was ontvlucht, tegemoet. Beiden zijn welvarend geworden. Met angst en beven ziet Jaäkov de ontmoeting naderen. Hij vreest de wraakzucht van zijn ooit zo bedrogen broer. Verschillende preventieve maatregelen tegen de te verwachten vergeldingsacties treft hij. Hij verdeelt zijn mensen over verschillende plaatsen, zend rijke geschenken vooruit. Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje aan de beek Jabbok en vecht met een onbekende man, die na een heftige worsteling Jaäkov zegent en hem de naam Jisraël (Israël) geeft. Jaäkov herkent de man als (een engel van) God. De dag daarna loopt hij met zeven buigingen Esav tegemoet (1). Deze sluit hem in de armen en kust hem ‘ en zij huilden '. Als Esav aandringt om samen op te trekken wijst Jaäkov dit af en ze scheiden weer. Jaäkov slaat zijn tenten op bij Sjechem.
De prins van die stad verkracht Jaäkovs dochter Dina. De tot over zijn oren verliefde prins wil toch Dina wil trouwen en is daartoe tot vele concessies bereid. De zonen van Jaäkov brengen hem ertoe zichzelf en alle mannen van de stad te besnijden, maar dat is een bedrieglijke valkuil. Onder leiding van Sjimon en Levie nemen ze alsnog afschuwelijk (eer)wraak voor hun zuster door de mannen die nog ziek waren van de besnijdenis om te brengen en de stad te plunderen. Jaäkov is hier zeer ongelukkig over Hij trekt verder en slaat zijn tenten op bij Beet El en brengt offers en neemt maatregelen tegen de afgoderij bij zijn zonen en personeel in een poging de bescherming van de Eeuwige te behouden en de toorn van de omwonende stammen en steden af te wenden. De Eeuwige bevestigt opnieuw de nieuwe naam ‘Jisraël en geeft wederom zijn zegen. Verder trekkend in de richting van het kamp van de oude Jitschak komen ze bij Beet Lechem (Betlehem), waar Rachel Jaäkov nog een zoon schenkt – Benjamin - , maar sterft in het kraambed. Reöeween (Ruben) legt het aan met Bilha, de bijvrouw van zijn vader. Jitschak sterft en wordt begraven door Jaäkov en Esav. Blijkbaar zijn de twee broers bij die gelegenheid nog een keer bij elkaar zijn gekomen. De parasja besluit met een overzicht van de nakomelingen van de beide broeders.
We zoomen in op de op de nachtelijke worsteling van Jaäkov met de man/engel vóór de ontmoeting met Esav.

Strijd en verzoening

Het is de moeite waard het leven van Jaäkov bekijken vanuit het perspectief van rijping en groei naar volwassenheid en zelfs grootheid.
Lang is Jaäkov's coming out voorbereid. De begaafde dromer is steeds meer geïncarneerd in het leven van de aarde. Hij is geworden tot een aanzienlijk man, aan het hoofd van kudden en omringd met vrouwen en kinderen. En nu staat hij voor Esav, vijand en tegenpool, de verpersoonlijking van kracht, geweld, impulsiviteit. Hij voelt zich aan een afgrond van angst, angst voor vernietiging door de vloedgolf van wraak en geweld van zijn broer. Maar die diepe doodsangst gaat gepaard met de angst om in een nieuwe grootheid te gaan staan, zijn werkelijke ruimte in te nemen, zijn essentie onder ogen te zien en voluit te omhelzen. Om die sprong te kunnen wagen, moet Jaäkov eerst schoon schip maken, d.w.z. zijn verleden onder ogen zien, en met name zijn bedrog ten aanzien van vader en zijn broer, hij zal de intense gevoelens van schuld en waardeloosheid moeten doorwerken. Dat is een gevecht op leven en dood. Als hij dat een nacht lang gedaan heeft en de man/engel-heeft overwonnen – je kan ook zeggen grondig ommekeer, teshoeva ,  heeft gedaan - is hij klaar om in zijn nieuwe grootheid te stappen, bevrijd van oude ballast. Dan is hij van een Ja'akow, een hielenvolger, een Godstrijder, Israël, geworden (1)
De nacht Jaäkovs worsteling met de ‘man' (‘iesj' ) is een beproeving (3). De paradox is, dat de duistere kracht die Jaäkov aangrijpt en het op zijn ondergang voorzien lijkt te hebben, hem zelfs kwetst aan zijn heupspier, zich in de loop van het gevecht onthult als engel van licht die Jaäkov kan zegenen en hem een nieuwe identiteit (als ik dat beperkte woord kan gebruiken) inleidt. Het is Jaäkov die zijn inzet ten volle moet doen, maar als hij dat dan ook doet, wil de tegenstand wijken en blijkt daarachter de Goddelijke zegen schuil te gaan. 
Ik denk dat ieder mens in zijn leven één of wel meerdere nachten heeft gekend van gevecht met de engel, met God, met het lot, misschien niet zo spectaculair en mythisch van proportie als die van Jaäkov, misschien wat minder heftig, hoewel wie zal dat meten…..In Jaäkovs eenzame nacht aan de beek is ons in ieder geval het prototype gegeven van hoe grootse krachten op beslissende momenten ons kunnen beproeven en ons een nieuwe levensfase kunnen induwen met een aanvankelijk onbegrepen duistere kracht die geleidelijk zegen blijkt te zijn. 

Esav – ook Edom wel genoemd – is in vele rabbijnse uitleggingen de verpersoonlijking van slechtheid geworden(2) Vele latere vijanden van Israel zijn betiteld als ‘Edom'. De tekst van de Tora zelf gaat in deze demonisering niet mee. Jaäkov en Esav zijn beschreven als heel uiteenlopende mensentypen. Jaäkov was meer een man van geest en verstand, een intellectueel, zouden we nu misschien zeggen. Esav was een man van het lichaam, bezield met hartstocht en kracht, een macho. Ieder had zijn slechte en goede kwaliteiten. De mannen hebben elkaar dwars gezeten, gehaat. Zoals in ieder mens geest en lichaam met elkaar overhoop liggen. Maar laten we niet vergeten: de zo tegengestelde helften van deze tweeling hebben zich verzoend en daarna elkaar getolereerd in de streken van het toenmalig Palestina. Samen begroeven de mannen hun vader en ze rouwden samen aan zijn graf (Bereshiet/Genesis 35:29). Zo zijn ze niet alleen symbool van rivaliteit en strijd geworden, maar ook symbool van de mogelijkheid tot verzoening en verdraagzaamheid. Laten we op dit laatste element het accent leggen wanneer we dit verhaal in het licht houden. Laten we de verzoenende strekking laten spreken en niet meegaan in de zo aanlokkelijke en gemakzuchtige neiging om in andersdenkenden, andersgeaarden en andersgelovigen een gedemoniseerde Edom te zien. Hielden Jaäkov en Esav na hun verzoening van elkaar of bleven ze elkaar haten? Ik weet het niet, maar ze respecteerden elkaar en gunden elkaar de nodige levensruimte. In deze tijden van interculturele en interreligieuze spanningen zou dat al heel wat zijn.

RC herzien nov 2015

noten
(1) De geschenken en buigingen van Jaäkov bij de ontmoeting met Esav zijn te correleren aan de aan Esav ontstolen zegen, zoals te lezen in een van de commentaren van Jonathan Sacks op parashat Toldot.
(2 Sommige oude midrasjiem gaan daar ver in. Zo is het opgevallen dat in de Hebreeuwse tekst in de Tora ‘hij kuste hem' – wajishakehoe – voorzien is van extra puntjes op de letters; Rabbi Yanai zegt dan, dat dat is om te ons te vertellen, dat Esav niet van plan was om Jaäkov te kussen maar om hem te bijten, maar Jaäkovs keel werd van marmer en brak de tanden van de slechtaard (Midrash Rabba, op Chabad.org).
(3) Een niet gering aantal identificeert de ‘man' met Esav of met de beschermengel van Esav. Ook de middeleeuwse bijbelgeleerde Rasji volgt die oude wijzen die menen dat het ging om de beschermengel van Esav. Bepaalde kabbalistische bronnen associëren deze met Samaël, de engelachtige manifestatie van Satan en tevens de verleider van Chava (Eva) in Gan Eden (overzicht in Wikipedia  http://en.wikipedia.org/wiki/Samael  ) . 
Mijn duiding gaat meer in de richting van de interpretaties van Gunther Plaut in zijn uitgave van de Tora met commentaar– Jaäkov vocht met oude schuldgevoelens over zijn bedrog - en Elie Wiesel - Jaäkov vocht met oude angsten en schulddgevoelens – zoals vermeld in ‘Een Toracommentaar voor deze tijd' (p. 91) van Harvey Fields.

Parashat Wajetsé (Bereshiet/Genesis 28:10 – 32:4)
List en bedrog als thema in Ja'akovs leven

De parasha

Deze parasha vertelt over Jacobs tocht naar en verblijf in de streek Charan in het land Aram (ongeveer tegenwoordige Syrië), waar zijn oom, de Arameeër Lawan, woont. Op de vlucht voor zijn uitzinnig boze broer en op zoek naar een vrouw. Het familieverhaal van de vorige parasha Toldot zet zich voort. Het bevat alle gevoelens en emoties die een familie kan beheersen, liefde, haat, jaloersheid, woede, angst, ambitie. Interessante thema's – ik meld er drie - springen naar voren.

Het eerste thema heeft te maken met bewustwording van roeping en bestemming. Het speelt vooral in de aanvang van de parasha ala Ja'akov zijn lange reis begint. ‘ Ja'akov verliet dus Be'ershewa en ging op weg naar Charan'(28:10) . 's-Nachts ziet hij, slapend met het hoofd op een steen, de engelen langs een ladder naar de hemel ziet opklimmen en neerdalen en hij hoort hoe de Eeuwige zich aan hem bekend maakt met de woorden "Ik ben de Hashem , de God van je vader Awraham en de God van Jitschak. Het land waarop j e nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven etc." Min of meer gelijke woorden hebben ook al geklonken voor grootvader Avraham en vader Jitschak. De Eeuwige bevestigt hiermee de positie van Ja'akov als hoeder en doorgever van Avrahams erfenis. Jitschak had bij het vertrek van zijn zoon deze positie ook al erkend (aan het slot van de vorige parasha, Ber/Gen 28:1 ev). Hoewel volgens de bijbelse leeftijd Jacob toch minstens veertig moet zijn geweest lijkt hier bij Bet-El de inwijding van een jongeman plaats te vinden, middels een openbaring, die eerst nu pas de zoon op het pad van een volwassen man brengt en op de weg van zijn bestemming (1).
Het tweede thema betreft huwelijk en relatie. Het wordt ingeleid door het prachtige verhaal van Ja'akovs ontmoeting bij de put met Rachel, de dochter van zijn oom Lawan. Eerst moet hij echter de oudste dochter Lea trouwen. Een belangrijk deel van de parasha gaat over de ingewikkelde verstandhouding van de man met de twee vrouwen in zijn leven, zijn diepe hartsliefde voor de ene vrouw, Rachel, en het verstandshuwelijk met de andere vrouw, Lea. Met de twee vrouwen en de twee bijvrouwen Bilha en Zilpa krijgt hij gedurende zijn diensttijd bij Lawan elf zonen en een dochter.
In de loop van lange jaren wordt hij ondanks de listen van Lawan, die Ja'akov in zijn macht wil houden, en dankzij zijn eigen listige tegenzetten een welvarend man. Na twintig jaar trouwe dienst ontsnapt hij aan de greep van zijn oom en aanvaardt met zijn hele gezin en met al zijn enorm gegroeide bezit aan slaven en vee de terugtocht naar het land van zijn vaderen. Er volgt nog een laatste ontmoeting en verzoening met Lawan. Intussen trekt zijn broer Esav hem tegemoet.

Misleiding als levensthema

Het derde thema is het thema van list, bedrog en misleiding en hoe dat een rol speelt in het leven van gemeenschap en familie. Daar ga ik wat verder op.
In de vorige parasha Toldot is het spel van machinaties al begonnen en in deze parasha zet het zich voort . Blijkbaar is het een centraal thema in Ja'akovs leven. Misleiding heeft een stempel op zijn leven gedrukt. Als ik me een term uit een andere religie mag veroorloven, het is deel van zijn karma geworden. In termen van de psychologie, het is onderdeel van zijn levensscript gaan uitmaken. Telkens duikt bedrog en misleiding in zijn leven op. In deze parasha dus ook weer, maar ook later nog vele malen.
Aan de ene kant betekent de droom over de ladder bij Bet-El samen met de openbaring van de Eeuwige het begin van een grote ommekeer bij Ja'akov. Een proces van ‘ teshoewa ' is ingezet. Hij is een man met een roeping geworden, met verantwoordelijkheid voor zijn gepleegde daden. Hij moet nu echt het rechte pad op. Aan de andere wordt hij steeds betrokken in gebeurtenissen, waarbij bedrog en misleiding een beslissende rol spelen. Hoe menselijk allemaal. Alsof zijn eigen list en bedrog van vroeger resoneren in wat het leven hem later brengt. Dat krijg je ervan, boontje komt om zijn loontje, zegt de volksmond.
Een grote kool wordt hem gestoofd door zijn oom Lawan. Na zeven jaar werk voor zijn oom heeft Ja'akov als loon zijn lang verbeide Rachel verdiend, de mooie dochter, op wie hij op eerste gezicht smoorverliefd werd - ‘En Ja'akov kuste Rachel en verhief zijn stem en weende' - , iets wat in de Tora zelden expliciet voorkomt, romantische liefde. Waarschijnlijk dronken geworden op het huwelijksfeest – veronderstellen de rabbijnen – merkt de bruidegom niet, dat de in zijn tent gebrachte gesluierde bruid niet de mooie Rachel was, maar haar oudere minder mooie zuster Lea (over wie staat dat haar ogen ‘ rachot ' waren, steevast vertaald als ‘mat' of ‘flets', maar voor hetzelfde geld kan het ook betekenen ‘teder', ‘zacht', of ‘lief'). 's Morgens ontdekt Jak'akov dat het Lea was met wie hij had geslapen. ‘ Hoe hebt u mij dit kunnen aandoen! ' werpt hij Lawan voor. ‘ Ik heb toch om Rachel bij u gewerkt? Waarom hebt u me zo bedrogen! ' ( Ber/Gen 29:25 ). Later werd na weer zeven jaren zwoegen Rachel toch zijn vrouw; lees de boeiende passages over de wederzijdse jaloersheid van de twee vrouwen …
Het was niet de laatste streek die Lawan hem flikte. Ook met de afspraken over het vee werd de schoonzoon benadeeld, overigens zonder succes ( Ber/Gen 30) ). Ja'akov werd een welgesteld man – mede door zijn listig management van het paringsgedrag van zijn geiten en schapen - en hij kreeg vele zonen en één dochter bij Lea en een zoon bij Rachel.
Na twintig jaar trouwe dienst besluit Ja'akov naar zijn geboortestreek terug te gaan. Ook dat gaat niet zonder complicaties(Ber/Gen 31:19, 20): 'Rachel nam de kans waar om de godenbeeldjes van haar vader te stelen en Jakob bedroog de Arameeër Lawan door er heimelijk vandoor te gaan. '
Wat Rachel bewoog, daarover lopen de meningen uiteen. Vast staat dat godenbeeldjes door de Arameeërs van groot belang werden geacht voor de bescherming van huis en familie.
Als Lawan hem na een lange achtervolging vindt en hem beschuldigt van diefstal antwoordt de overigens van Rachels handelwijze onkundige Ja'akov: (Ber/Gen 31: 32) : ‘” Ik was bang dat u mij zou beroven van uw dochters. Maar degene bij wie u uw goden aantreft, mag niet in leven blijven. Stel samen met onze verwanten maar een grondig onderzoek in, kijk of ik hier iets heb dat van u is en neem dat dan terug.” Jakob wist namelijk niet dat het Rachel was die de godenbeeldjes had gestolen'. Lawan vindt ze niet omdat Rachel de beeldjes listig heeft verborgen in het kameelzadel, waarop ze is gaan zitten. Ongeweten heeft Ja'akov met zijn uitspraak hoog spel gespeeld; volgens de commentatoren (o.a. Rashi) heeft hij daarmee de vroege dood van Rachel over zich afgeroepen; als uitvloeisel van Ja'akovs woorden = Maar degene bij wie u uw goden aantreft, mag niet in leven blijven - stierf zijn zo geliefde vrouw in het kraambed van haar tweede zoo n Benjamin (zie de volgende parasha, Ber/Gen 35:19), een afloop die doet denken aan hoe veel later de rechter Jiftach zijn dochter verspeelde.

Veel heeft Ja'akov nog moeten meemaken, het overspel van Re'oewen met zijn bijvrouw Bilha, de misleiding door zijn zonen rond hun broer Joseef, wiens dood hem werd gemeld, hoewel hij als slaaf naar Egypte was verkocht, de machinaties rond Benjamin, die hij moest afstaan voor een ongewisse reis als gijzelaar naar Egypte. Als hij eindelijk na een lang leven is aangeland in Egypte verzucht hij aan Far'o (Ber/Gen 47: 9): ‘Honderddertig jaar heb ik nu op aarde rondgezworven. Mijn leven, dat ellendig is geweest, heeft nog maar kort geduurd, ik heb nog niet zo lang op aarde rondgezworven als mijn voorouders'. Was dat nu alleen maar een soort hoffelijkheid om jezelf niet al te gelukkig aan te prijzen of was dit een werkelijk gevoelde klacht, waarvoor de oude man reden genoeg had om die te uiten? Een midrash zegt niettemin dat Ja'akov om deze woorden ‘niet zo oud' als zijn vader en grootvader is geworden: ‘maar' honderd en zevenveertig.

De maakbaarheid van het lot

Zijn de listen en lagen van Rivka en Ja'akov nodig geweest? Misschien niet. Er ligt hier een paradox. Laten we uitgaan van een onvermijdelijk vastliggende richting in de materiële, culturele en spirituele evolutie in van het universum, de aarde en zijn bewoners, waaronder de mensheid. In vrome vertaling zou je dit Gods plan kunnen noemen. Maar voor velen klinkt dat veel te personalistisch, te direct, te simplistisch, ook voor mij. Ik gebruik graag het beeld van een grote rivier, die soms onmerkbaar rustig dan weer met woeste stroomversnelling, soms gladjes, soms tegen de klippen op naar zee afdaalt, de zee niet als een implosie en ook niet als een paradijs, maar als een mysterieus en geweldig doel ver achter onze horizon. Als mensen vragen we ons af wat die richting, die sturing is – dat is het kenmerk van mensen, dat ze bewustheid hebben en nieuwsgierig zijn naar zin en verlangend naar bedoeling . Soms vangen we iets van een glimp op, een onthulling, een openbaring, menen we iets op te vangen. Soms is de antenne goed afgesteld, soms minder goed. Dat is onderdeel van het kosmische spel. Rivka kreeg een onthulling over de toekomst en de potentie van de tweeling in haar buik. Daarna heeft ze samen met Ja'akov gepoogd die voorzegging een handje te helpen met list en bedrog. De verleiding was groot, maar de twijfelachtige middelen waren toch in de grond verkeerd. In de stress om de gewenste uitkomst te forceren is de greep naar verkeerde middelen snel gedaan. Met meer vertrouwen en geloof was het waarschijnlijk ook goed gekomen. Het vraagt een grote en open geest om te zien waar vertrouwen op zijn plaats is en waar en wanneer ingrijpen wordt gevraagd.

Ondanks alles nam het leven van Ja'akov na zijn vertrek uit Charan in grootheid toe. Het proces van Ja'akovs ommekeer ( teshoewa ) zette zich verder door. Het culmineert in de ontmoeting met zijn broer Esav, twintig jaar na hun laatste confrontatie in de tenten van Jitschak. Daarover verhaalt de volgende parasha Wajishlach en mijn commentaar daarop.

noot
(1) Over de ladder-droom valt nog veel meer te zeggen en daavan is iets te lezen in
een ander commentaar van mij

RC nov 2015

Parashat Chajé Sara Bereshiet/ Genesis 23:1–25:18
nov 2015
Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?

De parasha

De parasha Chajé Sara , ‘het leven van Sara', gaat niet over het leven van Sara. De betiteling hangt samen met de gewoonte het bijbelstuk van de week te noemen naar de eerste belangrijke Hebreeuwse woorden van de tekst, in dit geval ‘ het leven van Sara (bedroeg 127 jaar etc.)'. De parasha begint met haar dood en begrafenis in het door Avraham aangekochte familiegraf in de grot van Machpela. Maar we kunnen er toch wel een betekenis aan hechten: het bijbelstuk gaat over continuïteit. Van Awraham en Sara gaat de estafettestok van Israëls bijzondere geschiedenis over naar Jitschak (Isaäk) en Rivka (Rebekka). De hoofdmoot gevormd door twee verhalen, die de continuïteit van de generaties in beeld brengen, eerst de dood van Sara en de aankoop door echtgenoot Avraham van een graf voor haar en de hele familie en vervolgens de verwerving van een bruid voor hun zoon Jitschak, volbracht door de de ‘hofmeier' Eliëzer.
Voor de nomade Avraham is de aankoop van de grot van Machpela en het stukje grond daarbij de eerste echte eigendom in het land Kena'an, dat aan zijn nageslacht is beloofd. De oude commentatoren zien er een voorteken in van het komende beloofde land, reden waarom de onderhandelingen tussen de vreemdeling van over de rivier, de ‘ Ivri ' Avraham , met de eigenaren, d zonen van Heth (de Hittieten), zo uitgebreid beschreven zijn. Deze beschrijving geeft trouwens een aardige inkijk in de uitgebreide beleefdheden en schijnbewegingen, waarmee dit soort onderhandelingen plachten (en vaak nog plegen) plaats te vinden.
Het tweede verhaal gaat over de opdracht van Avraham aan zijn trouwe knecht Eliëzer om een vrouw te zoeken voor Jitschak, maar ‘ geen vrouw van de dochters van de Kena'anieten in wie midden ik woon. Maar dat je naar mijn land en geboorteplaats (artsi we-moladti) zult gaan om een vrouw voor mijn zoon Jitschak te nemen ' (Ber/Gen 24:3,4).

Wat is belangrijker, deugd of afkomst?

De vraag is gesteld (1) waarom Avraham geen vrouw voor zijn zoon uit het midden van de Kena'anieten wilde hebben. Ging het hem om ‘ethnische zuiverheid'? Absoluut niet. ‘Geen idee is meer vreemd aan onze Tora en Jodendom', zegt de moderne commentator Nechama Leibowitz op deze vraag. Goed bekeken geeft de aartsvader ook niet aan, dat zijn knecht Eliëzer beslist een bruid onder zijn familieleden moet zoeken; hij heeft het slechts over mijn land (van afkomst) en mijn geboortestreek/vaderland.
Wat was er nu mis met de dochters van de Kena'anieten? Dat ze afgoden dienden kan niet doorslaggevend zijn geweest. Avraham was de enige die Hashem diende, om hem heen waren alle volken ‘heidenen' en ook in zijn geboortestreek diende men andere goden, Avrahams familieleden, zijn broer Nachor en zijn huis inbegrepen. Afwijkende geloven en gebruiken vind je overal. Nechama Leibowitz redeneert: maar de Kena'anieten gingen verder, zij begingen ronduit slechte daden, verrichtten ‘abominations', schanddaden. Herhaaldelijk veroordeelt de Tora de Kena'anieten hierom. Zie bijvoorbeeld in het boek Wajikra/Leviticus 18:3: ‘ Volg niet de levenswijze van de Egyptenaren, bij wie je gewoond hebt, noch de levenswijze van de Kenaänieten, naar wie ik je breng. Leef niet volgens hun bepalingen'. Met de schanddaden van de Kena'anieten wordt zeer waarschijnlijk gedoeld op seksuele perversies en dergelijke, aangezien dat vooral het onderwerp is van genoemd hoofdstuk 18 van Wajikra/Leviticus. Rashi zegt hierover, dat dit vers ons vertelt, dat die Kena'anitische volken meer verdorven waren dan alle andere volken (zelfs de Egyptenaren). Het ging Avraham dus niet om afkomst, ras of religie, maar om zekerheid omtrent het moreel niveau van een aanstaande bruid.

Dat blijkt ook uit de gang van zaken bij de put, waar Avrahams afgezant Eliëzer, aangekomen in de streek waar Avraham vandaan is gekomen, buiten de stad post heeft gevat met zijn kamelen bij een waterput en heeft besloten om hier met Gods hulp een keuze te maken; de vrouw die hem op zijn vraag naar een slok water te drinken zal geven, zij zal de ware zijn voor zijn meester Jitschak. Rivka, een van de meisjes die het vee komt drenken, overtreft alle verwachtingen en geeft niet alleen hem een slok uit haar kruik, maar haast zich ook nog al zijn tien kamelen te drenken.
Verbijsterd door zoveel grootmoedigheid, overrompeld door zoveel vriendelijkheid en blij verrast door zoveel dienstbaarheid aan mens en dier (alle drie centrale karaktertrekken in de Joodse deugdenleer Moessar (2)) geeft hij haar een gouden neusring en twee gouden armbanden (Ber/Gen 24:22 ev). Zijn keuze is dan al gemaakt. Daarna pas vraagt hij haar naam en dan blijkt zij een kleindochter te zijn van Nachor, de broer van Avraham. Niet het feit, dat zij familie is en blijkt te behoren tot de clan van Avraham en Nachor, geeft de doorslag maar haar vriendelijkheid en gedienstigheid tegenover een vreemde.
Samenvattend, ongeveer in de woorden van Nechama Leibowitz, heeft de knecht een karaktertest toegepast met als criteria vriendelijkheid en grootmoedigheid (generosity) . Het was passend, dat deze toekomstige schoondochter werd uitgekozen op grond van haar betoon van juist die kwaliteit, die kenmerkend is geweest voor het Joodse gezin. Het roept in herinnering het loflied op de vrouw in Mishlei (Spreuken) hoofdstuk 31 vanaf vers 10, dat in veel Joodse gezinnen het begin van de de shabbat wordt gezegd en dat onder de titel Eshet Chajil op muziek is gezet. Niet voor niets is dit hoofdstuk 31 de haftara (aanvullende Bijbellezing uit Tanach) bij deze parasha (3).

10 Een sterke vrouw ( eshet chajil ), wie zal haar vinden?
Zij is meer waard dan edelstenen.
11 Haar man vertrouwt op haar
en zal daar rijkelijk bij winnen.
12 Ze brengt hem voorspoed, geen ellende,
alle dagen van haar leven.
13 Ze zoekt wol en linnen uit,
en spint en weeft met vreugde . Etc.

Als Eliëzer aan Rivka's grootvader Nachor en vader Bethuel uitgebreid verslag doet van zijn missie en van het gebeuren bij de bron met de jonge vrouw blijkt hij voor het front van de familie de volgorde van het geven van de neusring en het vragen naar naam en clan net omgekeerd weer te geven; eerst – zo vertelt hij - heeft hij haar naam en afkomst gevraagd en toen pas heeft hij de neusring en de armbanden gegeven (Ber/Gen 24:47). De woorden in de Tora zijn heel vaak zorgvuldig zo gekozen en subtiele overwegingen liggen vaak aan de basis aan een bepaalde formulering. Die laatste opgepoetste versie diste de afgezant van Avraham natuurlijk op uit diplomatieke overwegingen om zo de belangrijkheid van de mogelijk aanstaande schoonfamilie voorop te zetten.

In de tijd van Avraham en ook in latere generaties waren de grenzen tussen de Israëlieten en niet-Israëlieten nog niet zo nauw getrokken. Voor Avraham stond het moreel niveau van de aanstaande echtgenoot voorop. Voor Moshé rabbenoe was het feit dat Tsipora, die hij trouwens ook bij een waterput tegenkwam, een Midjanitische was, geen verhindering om haar tot vrouw te nemen en ook de Koeshitische tweede vrouw was later welkom in zijn tent. De Moabitische Roet (Ruth) werd de vrouw van Boaz. De deugden – karaktertrekken, soul traits, psychische kwaliteiten, zo u wilt – zijn belangrijker dan afkomst en bloedverwantschap, is dat niet de les die we uit deze parasha kunnen trekken?

noten
(1) Dankbaar is geput uit de commentaren van Nechama Leibowitz op deze parasha,
Studies in Bereshit/Genesis, WZO, Jerusalem, 1981, 4 e ed.
(2) Voor meer over Moessar, zie mijn inleiding in de spirituele ontwikkelingsweg van de Moessar
(3) In deze regels valt op, dat de Eshet Chajiel wol en linnen weet te combineren, wat anders is verboden ( sha'atnez verbod, Wajikra/Lev 19:19 and Dewariem/Deut 22:11); zo krachtig is de uitstraling van de Joodse vrouw, weten de oude wijzen…

RC nov 2015

Parashat Toldot (Bereshiet/Genesis 25:19-28:9) Nov 2015
Een gezinsdrama met een spirituele strekking

De parasha

In de parasha Toldot (‘generaties') wordt de familiegeschiedenis van Avraham en de uit hem gesproten nakomelingen voortgezet. We zien een levendige en van drama doorspekte kroniek zich voor ons ontrollen met markante karakters en boeiende verwikkelingen van alle tijden. De hoofdpersonen in dit bijbelstuk zijn Jitschak, zijn gemalin Rivka, een mooie vrouw en een sterke persoonlijkheid, en hun pas na twintig jaar huwelijk geschonken zonen Ja'akov en Esav (ook wel Edom genoemd). Esav – ‘de harige' – is een kundig jager en een man van het veld. Hij was de lieveling van zijn vader Jitschak, die graag de producten van zijn jagende zoon at.  
Ja'akov - ‘die op de hielen zit' - was in alles zijn tegenhanger, een gladde tengere jongen, die het liefst bij de tenten bleef en bij zijn moeder (de oude vrome rabbijnen wisten al zeker, dat hij daar al Tora studeerde). Hij was de oogappel van zijn moeder Rivka.   Al in de baarmoeder is de strijd begonnen met zijn tweelingbroer, die als eerste ter wereld kwam en die hij bij de hiel vasthad in een poging hem in het geboortekanaal al voorbij te streven
Jitschak, tweede aartsvader, is een niet al te opvallende man geweest. Voor een deel heeft hij de belevenissen van zijn vader in licht gevarieerde wijze nog eens dunnetjes overgedaan. Ook hij heeft hongersnood gekend en was op weg naar Egypte, maar strandde in het gebied van Avimelech. Ook hij heeft zijn vrouw Rivka aan een machtige heerser, Avimelech, voorgesteld als zijn zuster, maar voor het tot de zonde kwam ontdekte Avimelech de waarheid . Ook Jitschak had ruzie over de bronnen voor het vee, maar hij wist grote conflicten uit de weg te gaan en werd een welvarend en rijk man met veel vee en veel knechten
Esav was een impulsieve, hartstochtelijke man, zoals blijkt uit de onstuimigheid waarmee hij vermoeid na de jacht de rode linzensoep van zijn broer opeist   De ambitieuze en slimme Ja'akov maakt hem in ruil voor de soep hem het eerstgeboorterecht – zeer belangrijk in het toenmalig Midden-Oosten – afhandig.   Esav komt ons later weer tegemoet als hij veertig is en twee Hittitische vrouwen huwt tot verdriet' van zijn ouders. Dan volgt het beroemde verhaal over hoe Ja'akov op instigatie van zijn moeder zijn blinde vader op zijn waarschijnlijk sterfbed misleidde door zich voor te doen als Esav en zo de vaderzegen binnen te halen, die de oude Jitschak voor zijn favoriete zoon had gereserveerd,. Jitschak moest trillend van boosheid of angst voor zijn zoon Esav de misleiding opbiechten en Esav brulde van woede en zwoer zijn broer te zullen laten boeten. Om de woede van zijn broer te ontlopen (en ook om naar de wens van zijn moeder een vrouw uit de stam te zoeken) vlucht Ja'akov naar zijn oom Lawan.  Esav trouwt alsnog een vrouw in de familie, een dochter van Jishma'el, om de liefde van zijn ouders te winnen,

Een psychologische diagnose van de familie

Er is duidelijk sprake van een familie met flink wat disharmonie. De vader heeft zijn favoriete zoon en de moeder heeft háár favoriet. De twee zonen zelf zijn totaal verschillend geaard. De jongste van de tweeling lijkt een huismus, maar blijkt behept met grote ambities en niet terug te schrikken voor list en bedrog ten aanzien van zijn broer en zijn vader. Daarbij komt de het verraad van Rivka aan haar echtgenoot Jitschak. Rivka is – mede door een droom tijdens haar zwangerschap van de tweeling - vast besloten om tegen de traditie en tegen de wil van haar Jitschak haar oogappel Ja'akov in het zadel te hijsen van stamhoofd; zij is het die Ja'akov instrueert zich aan diens blinde en doodzieke vader voor te doen als vaders favoriet Esav. Het gezin is verscheurd, maar moeders plannen zijn gelukt en Avrahams erfenis rust voortaan op de schouders van Ja'akov. Het is gebeurd met listen en lagen van de kant van Rivka en Ja'akov. Hebben we dat niet vaker gezien in legenden, drama en literatuur, de moeder die haar favoriete zoon op de troon wil en daar alles voor doet. Was het de hogere bedoeling, dat het zo zou gaan? De schoonheidsprijs verdient het niet. Bepaald geen voorbeeld voor het handboek ‘goede gezinsverhoudingen'. De televisieschrijver zou spreken van een adembenemend gezinsdrama, de psycholoog van een broken home. Maar het is vaak wel de werkelijkheid, die zo zich afspeelt, vroeger en nu. Er staan veel meer laakbaarheden in de Tora. Het absurde is dat die het grote verhaal van Israel niettemin vaak juist verder brengen (huiswerk: noem er een paar…)

Een spirituele visie

Maar we kunnen het verhaal ook proberen te hervertellen vanuit een meer spirituele optiek. Misschien licht dan een andere laag op. Is Rivka inde gezinspsychologie de slechte moeder met haar eenzijdige voortrekken van haar oogappel, in de spirituele geschiedenis is zij degene, die de dramatische constellatie voorvoelt als zij zwanger is en (25:23) de stem hoort die voorzegt dat er twee naties in haar schoot zijn en dat de oudste de jongste zal dienen (1). Ze moet bij het opgroeien van de kinderen haar voorgevoel bevestigd hebben gezien en in de jonge Ja'akov de kwaliteiten hebben op gemerkt die hem waardig maakten om de erfenis van Awraham op zich te nemen.  
In de woestheid, de impulsiviteit, het gebrek aan overleg van Esav lag tegelijk een onvermogen om boven de passie of de begeerte van het moment uit te kijken, om te luisteren naar diepere of hogere boodschappen, om de essentie van dingen en mensen te peilen, kortom om contact te voelen met de Eeuwige. Daarmee is Esav geen kwaadwillige, geen slechterik, geen crimineel, hij is eenvoudig alleen maar ongeschikt. Hij is zoals u of ik, als we niet ons niet boven onze emotionele impulsen uit kunnen stijgen en verder dan de aandriften van het moment kunnen kijken, en dat doen we meestal niet. (2)
Rivka voelde zich instrument om de herschikking van de opvolging van Awraham te helpen realiseren. Het lijkt wel of zij de drager van inzicht was, terwijl Jitschak geen gevoel had voor de meer spirituele laag van werkzaamheid in zijn familie. Hij was blind voor de meer subtiele kwaliteiten van Ja'akov en genoot van de wilde kracht van Esav en zijn gebraden wild, Esav in wie hij waarschijnlijk meer zichzelf herkende (3)(4)

noten
(1) Bereshiet/Genesis. 25:23: De Eeuwige zei tegen haar:
‘Twee volken zijn er in je schoot,volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard.
Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen.'
Ik vat deze uitspraak op als een – zo je wil transcendent - voorgevoel van Rivka. Vat je deze regels op als een absolute godspraak, dan heeft dat veel theologische en filosofische implicaties. Zo hebben deze regels veel theologische discussies - met name in het Christendom, bv Augustinus - veroorzaakt over predestinatie,uitverkiezing, verlossing en genade; als God al weet wat er gaat gebeuren, wat betekent dat dan voor de vrije wil en de toerekenbaarheid van daden, goede en slechte?
(2) In midrash en legende heeft Esav of Edom een wel heel slechte naam gekregen. Hij is het toonbeeld van de bedrijver van het kwaad geworden en men meende Edom te herkennen in de Romeinen, in vele andere groepen tot en met de Nazi's . Maar niets in de Tora duidt daarop of geeft aanleiding tot een dergelijke demonisering. In de parasha Dewariem lezen we hoe Moshé gebiedt, dat de binnentrekkende Israëlieten het land van Esavs nakomelingen, het gebied van Edom, niet mochten binnenvallen.
(3) Gunther Plaut (The Torah, a modern commentary) die ik voor deze parasha heb geraadpleegd,
werpt de interessante vraag op of Jitschak toch niet ergens halfbewust heeft geweten, dat Ja'akov de meer geschikte was. Alles in de pesoekim (verzen) 27: 18-27 – lees het nog eens –na wijst op de twijfel die de bijna blinde vader ervoer al vanaf de binnenkomst van de als Esav zich voordoende en geklede Ja'akov. De vraag rijst: wilde Jitschak misschien misleid worden, omdat hij zelf niet de moed had om de beslissing te nemen, die Rivka wel had genomen. Speelde Jitschak misschien het spelletje mee om te laten gebeuren wat ook hij diep in zijn hart wist, dat zou moeten gebeuren?
(4) Een veel verdere uitwerking van de spirituele strekking, mede aan de hand van de sefirot, treffen we aan in het commentaar van rabbi Simon Jacobson .

Parashat Wajera Genesis/Bereshiet 18,1 – 22,24
23 okt 2015
Gastvrijheid en het begin van een moreel debat

De parasha

In de parasha Wajera, worden een aantal sleutelgebeurtenissen verhaald uit de oergeschiedenis van Israël. Een belangrijk deel van Awrahams leven speelt zich in deze passages af. Achtereenvolgens zijn dat:
het bezoek van de drie ‘mannen' (engelen), die, gastvrij onthaald door Awraham, hem de geboorte van een zoon uit Sara aankondigen;
de verwoesting van Sedom en ‘Amorra, die ondanks de discussie tussen Awraham en de Eeuwige, plaats zal vinden;
het lot van Lot. die door tussenkomst van de engelen aan de verwoesting ontkomt en toevlucht vindt in een dorp in de buurt en later in een grot, waar zijn twee dochters hem twee zonen ontlokken;
de ontmoeting met Awimelech, die Sara in zijn gevolg haalt en haar later, geschrokken door een droom, weer aan Awraham teruggeeft;
de geboorte van Jitschak;
het wegzenden van Hagar en haar zoon Jishmaël en de haar geschonken uitkomst;
conflict en verbond met Awimelech;
beproeving van Awraham met het gevraagde, op het laatste moment afgelaste offer van Jitzchak, en de herhaalde belofte van een overvloedig nageslacht. (1)
Uit deze rijke geschiedenissen wil ik twee items naar voren halen.

Gastvrijheid

De parasha begint met ‘wajera' , ‘hij verscheen'. De Eeuwige verscheen aan Avraham.
Dat verschijnen wordt beschreven onmiddellijk na het verslag van de besnijdenis (eind van de vorige parasha). In de Joodse verhalende uitlegkunde (de midrash) worden gebeurtenissen, die vlak na elkaar plaatsvinden heel vaak causaal met elkaar in verband gebracht (post hoc propter hoc). Daarom zien rabbijnse commentatoren als Rashi de oude Awraham voor zijn tent nog bijkomen van deze ingreep. Hij is nog herstellend en heeft veel pijn. Bovendien is het brandend heet op die dag. ‘De Eeuwige verscheen hem …' wordt dan mede gezien als een soort archetypisch ziekenbezoek van de Eeuwige aan Awraham, een bezoek, dat een voorbeeld zet voor de mens om dat na te volgen. “Wie een zieke bezoekt verlicht diens aandoening met een zestigste", zegt de Talmoed (Nedarim 39b). Ziekenbezoek is volgens diezelfde Talmoed (Sjabbat 127a) een van de zes zaken waarvoor je nog in dit leven beloning krijgt of - laten we in een wat modernere terminologie zeggen - de positieve gevolgen mag ervaren. Wat zijn de andere zes? Dat zijn: meditatie in gebed, vroege aanwezigheid in sjoel (!), je kinderen opvoeden met Torastudie, met een positieve houding oordelen over je naaste en tenslotte gastvrijheid voor reizigers. En van dat laatste krijgen we in dit zelfde begin van deze parasha ook een voorbeeld, gegeven door Avraham.
De Tora vertelt over drie mannen, die voor Avraham opdoemen. Avraham , voor zijn tent zittend, ziet de mannen als voorbij reizende vreemdelingen, misschien rondtrekkende Bedoeïenen. Zoals gezegd heeft Awraham nog veel pijn.. Maar dat verhindert hem niet op te springen en de uiterste gastvrijheid te betonen aan de passerende vreemdelingen, hij biedt een plaatsje in de schaduw aan, roept Sara op koeken te bakken en kiest een uitgelezen kalfje uit en laat dit klaarmaken.
De toewijding waarmee hij dat doet blijkt uit de woorden spoeden, vlug, rende, Hebreeuws: ‘wajarats', ‘jemaher', ‘mahari', ‘rats'. Zo is Awraham voor de latere generaties het durend toonbeeld geworden van toewijding (‘ zerizoet ' (2)) en van gastvrijheid. Hoe hoog gastvrijheid wordt geschat in de Joodse traditie blijkt uit de interpretatie, dat Avraham zelfs de Eeuwige gevraagd heeft om eventjes te wachten, zodat hij de vreemdelingen kon bedienen. Dat wordt uit de tekst afgeleid: het Hebreeuwse ‘ Adonai ' in 18: 3 wordt dan niet gezien als ‘mijne heren' en gericht tot de bezoekers, maar gericht tot de Eeuwige met zijn gebruikelijke aanspraak Adonai. De conclusie (3) is: gastvrijheid naar reizigers is groter dan het verwelkomen van de Sjechina, want er staat, ‘ Mijn heer, als ik gunst in uw ogen heb gevonden, ga niet weg (denk erbij: want ik moet eerste mijn gasten bedienen)'. Beetje geforceerd,maar de boodschap is duidelijk.
Die gastvrij verwelkomende houding van Avraham naar vreemde bezoekers roept ons op dat na te volgen. Het zit in de Joodse genen om gastvrij te zijn. Begrijpelijk genoeg hebben traumatische ervaringen van vervolging en onderdrukking die genen vaak onderdrukt en een gereserveerde en soms ronduit afwerende houding naar vreemden in de hand gewerkt. Deze Abrahamitische passages roepen ons op die houding te doorbreken en de vreemdeling, de nieuweling, de ander, de ‘watandersdenkende' weer welkom te heten. Neem weer een risico, in het kleine: groet wie voorbijkomt, reik een hand uit naar de nieuweling, uit een vriendelijk woord ook naar de onbekende die je tegenkomt. In het grote komen ons tegemoet de mensen, die uit benarde en uitzichtloze en soms levensgevaarlijke situaties wegreizen om elders een toevlucht te vinden,vluchtelingen. Soms staan ze plotseling en masse op je drempel. Als we Avraham navolgen, laten we angst en eigenbelang terzijde en nemen we een verwelkomende houding aan.

Begin van een moreel debat

Een van de andere markante momenten in het verhaal van Avraham is zijn dialoog met de Eeuwige over Sedom en ‘Amorra, een dialoog over een vraag, die de mensheid sindsdien zou bezig houden: als er een wereld is geschapen, waarin de mens wordt uitgedaagd het goede te doen, hoe kan dan (door God) worden toegelaten, dat de rechtvaardigen (de goede mensen) lijden onder de kwaden?
Avraham gaat in discussie met de machtige stem die hem vernietiging van Sedom en ‘Amorra aankondigt. De aartsvader trekt zich het lot aan van de onschuldigen, die mogelijk zouden worden meegesleept in het harde oordeel over de schuldige bewoners van deze twee steden ( Ber/Gen.: 18:22 e.v.) . Hij gaat een discussie aan over wat gerechtigheid is en de morele afweging die daarbij hoort. Bij Avraham zien we de gewaarwording doordringen, dat religie en ethische opdracht niet los van elkaar staan. Religie, dat is niet alleen ritueel maar ook hecht daarmee verbonden een juiste levenswandel. Daarom waagt Avraham het erop de strenge godheid te bevragen en erop aan te dringen om de goddelijke boosheid op zondige stervelingen te matigen en rekening te houden met gerechtigheid en compassie. Hier zien we, dat een mens nadenkt en zijn gevoel voor redelijkheid en recht ontwikkelt en in het geding brengt tegenover de goddelijke autoriteit.
De principes van gerechtigheid en compassie – hoe vervormd soms ook in de contingente praktijk van het mensdom - , hebben doorgewerkt in Jodendom en daarna – soms anders begrepen – in het christendom. Avrahams leven geldt in Jodendom (ook in de islam) als een lichtend voorbeeld. En als ‘Jood avant la lettre' kan hij dialoog en debat niet nalaten. Jodendom is voortdurend bevragen, in Frage stellen.
Ethiekprofessor Susan Neiman zegt: 'Avraham was een ware man des geloofs, maar toch gebruikte hij zijn eigen morele redeneren op gevaar af van Gods woede. (…) Soms kan het in frage stellen van religieus gezag een morele actie zijn. Het verhaal van Avraham geeft aan, dat, als God ons verstand heeft gegeven, Hij ook de bedoeling heeft gehad, dat we dit zouden gebruiken – zelfs als dat zou betekenen, dat we daarmee de hoogste bevelen zouden uitdagen' (4).

RC 0kt 2015

Noten
(1) Over de binding van Jitschak en de verscillende visies daarop zie een ander commentaar van mij
(2) Zerizoet , ijver, een nastrevenswaardige eigenschap, mida , van de spirituele ontwikkelingsweg van de Moessar
(3) van Rav Juda in Rav's naam in Talmoed Sjabbat 127a
(4) In: ‘Is Morality Driven by Faith? ' Washington Post, okt. 2008 ..

Parashat Lech Lecha   Bereshiet/Genesis 12-18    
Avraham, een nieuw inzicht

De parasha

Als de Tora het verhaal van de schepping heeft verteld en daarna het verhaal van Noach, de zondvloed en de toren van Babel, verlaat het geschrift de sfeer van mythen en sagen. Het boek Genesis/Bereshiet betreedt de voorgeschiedenis van het volk van Israel. Het verhaal zoomt in op een specifiek individu, dat nauwkeurig wordt gevolgd in zijn persoonlijke en spirituele ontwikkeling gedurende de vele wederwaardigheden van zijn leven: Avram, later hernoemd tot Avraham (Abram, Abraham)

De jonge Avram was mogelijk geen uitzonderlijke hoogverheven man. De Tora geeft vooraf geen bijzonderheden over hem, zoals bij Noach, van wie wordt gezegd, dat hij een rechtschapen man was. Hij kon en kan iedereen zijn. Hij was geen uitzonderlijke hoogverheven man, totdat de roep “Lech lecha!” hem dat opriep te zijn en dat waar te maken. Zijn leven is iconisch geworden voor een leven, waarin de beproevingen, die ons onvermijdelijk toevallen, met sterk geloof en standvastige liefde overkomen kunnen worden, dit alles in een intense verhouding met een godheid, die hem als Ene onthuld werd. Zo is hij de grootvader geworden van drie wereldreligies.

De Mishna zegt, dat het leven van Avr(ah)am getekend werd door tien beproevingen.
“ Met tien beproevingen werd onze vader Avraham, hem zij de vrede, beproefd en hij doorstond ze allen, om ons te tonen hoe groot de liefde was van onze vader Avraham, hem zij de vrede ” (Pirké Avot 5:3). Welke beproevingen dat waren noemt de Mishna niet.
Sommige oude wijzen zoals de middeleeuwse commentator Rashi noemen als eerste twee beproevingen de vlucht in het ondergrondse van de jonge Avram voor koning Nimrod en de wonderbaarlijk overleefde verbranding verordend door deze legendarische koning. Deze verhalen staan niet in de Tora en behoren tot de volksverhalen van de midrash (1).
Rambam (acroniem van Rabbi Moshé ben Maimon, Mozes Maimonides) beperkt zich tot de Tora en komt tot deze tien beproevingen, waarvan de eerste zes in deze parasha voorkomen:
1) Avraham's afscheid van zijn familie en thuisland.
2) De hongersnood die hij in Kena'an aantrof.
3) De trek naar Egypte en de ontvoering daar van Sara.
4) De oorlog met de vier koningen , die Avrams neef Lot hadden meegenomen.
5) Zijn verbintenis met Hagar als gevolg van de durende onvruchtbaarheid van Sara.
6) Het gebod tot besnijdenis. Avram omgenoemd tot Avraham
In latere parshiot volgen dan nog:
7) Avimelech's ontvoering van Sara.
8) De verdrijving van Hagar.
9) De verdrijving tegen Avrahams zin van Ishmael.
10) De binding (akeda) van Jitschak op het altaar.
In de geschriften en gebeden wordt Avraham aangeduid als ‘Avraham Avinoe', Avraham onze vader. Het Joodse volk ontstond eigenlijk pas met de uittocht uit de slavernij in Egypte, de Exodus onder Moshé (Mozes), die vaak gesierd wordt met de toevoeging ‘rabbenoe', onze leraar. Maar met Avraham wordt wel de kiem van het jodendom gelegd en wordt de mogelijkheid van het volk Israel geboren. Tegelijk begint ook de ontvouwing van een culturele en religieuze geschiedenis van de hele wereld.

De doorbraak van een nieuw inzicht

Wat is er nou bijzonder aan Avraham (Abraham)?
Bij Avraham brak het werkelijk nieuwe inzicht in de eenheid van het scheppend principe in al zijn volheid door. In de nanacht van de betoverde, chaotische wereld van magisch bezielde natuur en de versplinterende fantasieën van met willekeur heersende halfgoden en afgoden brak het heldere licht door van een onderliggende al verbindende eenheid.
Avraham staat voor de eerste mens, die de illusie van de afgoden doorzag. Een misschien van tijd tot tijd wel angstig inzicht maar – zeker in de periode van het tweede millennium voor de gewone jaartelling - een inzicht van zo'n nieuwheid en een ervaring van zo'n geweldige ruimtelijkheid, dat het individu dat dat inzicht durfde te omhelzen en die nieuwe ruimte durfde betreden een naam heeft gekregen in de geschiedenis: Abraham, hebreeuws dus: Avraham.
Avraham staat aan een puur begin. Er waren nog geen geschriften, waarop je kon terugvallen, nog geen commentaren op geschriften en commentaren op commentaren op geschriften. Er was nog geen baaierd van wettische voorschriften of een Halacha, de joodse wet. Avraham was geen wetgever als Moshé, geen profeet. Hij was niet missionair bezig en wilde niet bekeren en leverde geen strijd met de belijders van andere goden om hem heen om redenen van hun afgodendienst . Zijn betekenis voor later ligt vooral in een exemplarisch leven in een complexe wereld, waarin hij geslingerd werd tussen de eisen van een aards leven met alle intriges van dit ondermaanse en de opdrachten en eisen vanuit uit de transcendente wereld, zoals die zich in zijn innerlijk wilden onthullen. Als zodanig geeft hij generaties na hem tot nu herkenning en inspiratie.
Avraham vertrouwde de stem die hij hoorde. Lech lecha! Verlaat je land! Spiritueel gezien was die eerste etappe uit Charan richting Kena'an ‘a great step for a man, but a giant leap for humanity'.
De stem die Abraham hoorde was niet zomaar een metafysisch fenomeen; het was een stem die uitnodigde tot indringende overdenking over wat goed is om te doen, over wat rechtvaardig is. Ook in die zin was dat een revolutionaire vernieuwing in verhouding tot de godsdiensten in dat oude Midden-Oosten met zijn grillige en amorele goden.

Noot
(1) meer over de legenden die lege plek hebben ingevuld, zie een ander commentaar van mij, dat begint met: ‘“Cuando el rey Nimrod al campo salía ”, toen koning Nimrod naar buiten trok – zo begint een liedje in het Ladino, het ‘joodse Spaans' – zag hij in de hemel de voortekenen van de geboorte van Awraham en als een Herodes avant la lettre gebood hij de vroedvrouwen iedere pasgeboren zoon te doden etcetera '.

okt 2015, herziene versie van eerdere commentaren

Parashat Noach Genesis 6:9-11:32
Eenheid en verscheidenheid

De parasha

De parasha Noach – Genesis 6 tot 12 – vertelt het overbekende drama van de zondvloed, beter gezegd grote vloed ( maboel ha-majiem ). Noach wordt als enige rechtvaardige onder de verdorven mensheid gespaard voor vernietiging door de komende watervloed en krijgt de opdracht een ark te bouwen en met hem zijn familie en van alle diersoorten paren op die ark mee te nemen. Na vele maanden op de overstroomde aarde te hebben rondgedreven landt de ark op de droogvallende aarde en stelt de Almachtige zijn regenboog aan de hemel als teken dat Hij niet wederom deze radicale sanctie op zijn schepselen zal toepassen. Noach wordt landbouwer en wijngaardenier en zet met zijn gezin het leven voort.
In de volgende episode wordt het incident rond Noachs dronkenschap beschreven . Hij ligt in zijn tent naakt zijn roes uit te slapen, als zijn zoon Cham binnenkomt en hem open en bloot ziet. Hij laat zijn vader maar zo liggen en vertelt het dan het aan zijn broers, Shem en Jefet. Deze twee andere zonen handelen wél met het nodige respect en benaderen hun vader met afgewend gelaat om hem te bedekken met de mantel der liefde.
Dan volgt het verhaal over de nakomelingen van Noach, die allen samen bleven wonen op dezelfde plaats en die met het bouwen van de stad Bawel (Babel) met haar hoge toren de Eeuwige ongerust hadden gemaakt over de ambities van de schepselen, die zijn evenbeeld droegen. Hij veroorzaakte verwarring door de eenheid van hun taal te doorbreken, waarna de mensen zich verstrooiden over de aarde.
Tenslotte focust de parasha zich op de reeks nakomelingen van Shem, die in tien geslachten uitmonden in de stamvader van het monotheïsme, Avraham.

Een tweede schepping

De algehele indruk die het verhaal van de grote vloed maakt is die van een ‘herschepping',
een grote schoonmaak van de eerste versie van de schepping, die door het wangedrag van de haar bevolkende mensen in diskrediet was gebracht. Een ‘tweede schepping' mag als het ware letterlijk met een schoongewassen lei en een nieuwe Adam opnieuw beginnen in de persoon van Noach.
Weer klinkt de opdracht: Peroe oereboe oemil'oe et ha-aret ‘, weest vruchtbaar, vermeerdert je en vul de aarde ', zoals dat eerder werd opgedragen aan Adam en Chawa (Eva) in de allereerste parasha (Bereshiet/Genesis 1:28). Evenals voor Adam en Chawa wordt het voedsel voor de Noachidische generatie benoemd, maar was in Bereshiet 1, 29 alleen het fruit en het gewas aangewezen – en dus eigenlijk het vegetarisme verordonneerd - nu is naast het groene gewas ook al wat beweegt en leeft potentieel voedsel: het vlees, maar uitdrukkelijk niet het bloed (1 ). Nog een parallel zie ik in het gepaard gaan van assertieve daden van de torens bouwende mens aan een zekere angst van De Eeuwige voor de kennis en kracht van zijn schepselen. Ten aanzien van de eerste mens In de parasha Bereshiet/Genesis overlegt de Eeuwige ( Bereshiet 3, 22): ‘” Zie, de mens is geworden tot één van ons doordat hij weet van goed en kwaad. Als hij nu maar niet zijn hand uitsteekt en ook van de boom des levens neemt en eet zodat hij eeuwig leeft ”'(en dan volgt de verdrijving uit het paradijs). In deze parasha Noach (Bereshiet 11, 6) spreekt de tot de toren van Bawel afgedaalde Eeuwige tot zichzelf:'“ Ziet één volk is het en één taal hebben ze allen, indien dit het begin is van wat ze willen doen, zal hun niets, wat ze ook van plan zijn om te doen, meer te moeilijk zijn ”'
En weer voelt zich De Eeuwige bezorgd over de macht van de mens – bijna als een vader die zijn te snel opgeschoten zoon zijn plaats wijst - en neemt hij actie door het volk te verstrooien.

Eén plaats, één taal, één streven

De geschiedenis van de Toren van Bawel (Babel) is een van de bekendste verhalen uit de bijbel.
Na de zondvloed is een nieuwe generatie neergestreken in de vlakte van Shin'ar – de vlakte rond Bawel, neemt men aan – en de mensen hebben nog één taal, sfat achat oe dewarim achadim, een taal en eendere woorden. Ze besluiten om als één grote gemeenschap bij elkaar te blijven en daartoe een grote stad te bouwen met een hoge toren. De Eeuwige is niet gelukkig met de torenhoge ambities van zijn schepselen en hun voornemen bij elkaar te blijven klitten. Hij besluit de eenheid van taal te doorbreken, waarna de bouw van de stad niet meer kan doorgaan en de mensen zich verspreiden over de hele aarde.
Gangbaar is de uitleg van dit verhaal als een goddeloze opstand van de overmoedige mensen tegen de Almachtige. Aldus ook de gezaghebbende middeleeuwse commentator Rashi, die zich baseert op een midrash (verklarende vertelling) uit het begin van de jaartelling. Die vermeldt de opvatting, dat ‘ een taal en eendere woorden ' erop duidt, dat de mensen het met elkaar eens waren geworden over dit punt: “ God heeft het recht niet om voor zich de hemel te kiezen; laat ons opklimmen naar het uitspansel om met Hem oorlog te voeren” , hebben ze tegen elkaar gezegd.
En zo bouwden ze een toren en zette er een afgodsbeeld op met een zwaard in de hand om zo de oorlog tegen de Eeuwige te verbeelden, zo gaat de midrash verder. Dat ging wel erg ver, dat plan. De verklaarders vroegen zich dan ook af: Als de mensen van de zondvloed wegens hun slechtheid werden vernietigd en verzwolgen in de vloed, waarom werd de generatie van de torenbouwers dan gespaard? Er was echter een principieel verschil, vonden de verklaarders: de generatie van de zondvloed, dat waren mensen, die elkaar bedrogen, elkaar oplichtten en elkaar beroofden, terwijl de goddeloze torenbouwers dat niet deden, maar in vrede en liefde met elkaar leefden en samenwerkten. Een Talmoedleraar zei dan ook: ‘ Groot is de vrede, want zelfs als Israel aan afgoderij doet, maar in vrede met elkaar leeft, zegt de Heilige, Hij zij gezegend, als het ware, ik heb geen zeggenschap over jullie '; knoop dat in de oren: vrede gaat boven religieuze correctheid! (2 )

De mens wil, maar het leven (de natuur, het lot, God, vul maar in) wil anders

De moderne bijbelwetenschapper Umberto Cassuto (3) ziet echter deze opstand tegen God als een niet-bijbelse uitbreiding, die van de essentie van het verhaal afleidt. De wezenlijke betekenis van het verhaal ligt niet in het verklaren van het ontstaan van de verschillende talen of in de illustratie van een opstand tegen de Eeuwige door het bouwen van een toren.
De vertelling is volgens hem in wezen een ethische kritiek van de Israëlieten op de wereld van die tijd om hen heen in de vorm van een satire.
Hij belicht daarom de historische oorsprong en context van het verhaal. Die ligt volgens hem in het midden van de zestiende eeuw voor de gewone jaartelling, in de tijd dat in de stad Bawel (Babel) de tempel van Mardoek was verrezen, een ontzagwekkend bouwsel met een immens hoge toren (ziggurat), opgetrokken met gebakken stenen, een revolutionaire vondst in die tijd gedaan. De stad en het gebouw werden vervolgens verwoest door de Hittieten; de ruines ervan waren eeuwenlang als imponerende resten te zien. Umberto Cassuto meent, dat het verhaal uit de parasha Noach verwant is met of teruggaat op een dichtstuk, dat destijds door Israëlieten met een welhaast satirisch karakter is geschreven over deze verwoesting en de neergang van de zich welhaast God wanende Babylonische stervelingen. Daarin bestaat de belangrijkste strekking volgens de bijbeluitlegger, die Cassuto tegelijk ook is, uit twee boodschappen.
De eerste is de boodschap, dat hoogmoed - gevoed door de eigen superieure technische vermogens - en louter vertrouwen op de eigen materiële macht de verkeerde weg is, ‘ een zonde in de ogen van de Eeuwige '. Aan mijn lezend oog reizen onvermijdelijk voorbij de glinsterende torens van Doebai, Shang Hai ,Londen, New York, de poenige hoofdkantoren van banken en internationale concerns, noem maar op. Maar ook minder tastbare projecten, die gebaseerd zijn op mateloos prestige, grenzeloos machtsvertoon, rancune, nog daargelaten de overmoedige overschatting van de maakbaarheid van het lot. Vast komen er bij de lezer eigen beelden op.
De tweede boodschap gaat er vanuit dat zich boven de mensheid uit een plan zich aan het realiseren is, dat zich wil doorzetten ondanks alle menselijke strevingen in andere richtingen.
Je zou in wat meer seculiere termen kunnen zeggen, dat in de evolutie, biologisch, antropologisch, sociaal, spiritueel, een drijfkrach is ingebouwd, die ondanks schijnbare afwijkingen zich onvermijdelijk in een bepaalde richting ontrolt. Zoals een rivier via allerlei kronkels, lussen, omwegen en hoogteverschillen onvermijdelijk naar zee stroomt. Als optimist of gelovige zeg je: in een richting uiteindelijk ten goede.
In termen van dit verhaal over de bouwers van Bawel was het Gods plan, dat de mensheid zich na de zondvloed weer zou verspreiden over de hele aarde. Aldus was ook de nakomelingen van Noach geboden: peroe oereboe , wees vruchtbaar, word talrijk en vervul de aarde. De mensen van na Noach hadden echter hun eigen plan. Ze wilden juist graag bij elkaar blijven en zich veilig verschansen in een grote stad; ze verzetten zich tegen het grotere plan – Gods bedoeling of de essentiële bestemming - om uit elkaar te gaan en de aarde weer te bevolken. De taalverwarring is als het ware ‘een zet van de Schepper' aan de mens om niet symbiotisch op één plek van de aarde te blijven 'plakken', maar om de hele aarde te verkennen en te vullen.
De daardoor ontstane verscheidenheid in plaats, taal en cultuur betekende een diversiteit, die op langere termijn een bron van veelkleurigheid en creativiteit tot gevolg heeft gehad, nog steeds heeft en zal blijven hebben. Tegelijk bergt deze diversiteit ook de mogelijkheid van gevaarlijke spanningen in zich. In combinatie met economische en militaire macht en menselijke eerzucht is ontaarding in haat, onverdraagzaamheid en oorlog aan de orde van de dag geweest en nog steeds niet ver weg. Dan is het goed te beseffen, hoe wij mensen zijn ontsproten - in het narratief van Babel - aan ‘één taal en eendere woorden, sfat achat oe dewarim achadim '. Een beetje daar naar terug te streven kan geen kwaad, zeg maar: naar goed verstaan en wederzijds begrip, verscheidenheid onder een koepel van eenheid. Daaraan te werken mag toch een mitswe worden genoemd.

noten
(1) Zie over het eten van vlees mijn commentaar op de parasha Re'é
(2) Zie voor de midrash Genesis Rabba (een verzameling rabbijnse uitspraken uit de eerste eeuwen van de gebruikelijke jaartelling) 38, 6-7, de Talmoedleraar is Jehoeda Hanasi, ( bijgenaamd Rabbi, tweede eeuw, de samensteller van de Mishna) die zich beroept op Hoshea 4:17: (NBV) Het volk van Efrajiem heeft zich vergooid aan afgodsbeelden – laat het maar!
(3 ) Umberto Cassuto (1883-1951), U. Cassuto, A commentary on the book of Genesis, part two, from Noah to Abraham, Jerusalem, The Magness Press, p.225 ev

RC 16/10 2015

Parashat Bereshiet Bereshiet/Genesis 1:1-6:8 okt 2015
De eerste drie woorden

De parasha

Bereshiet (Genesis) is het eerste boek van de Joodse bijbel, genoemd naar het eerste woord ‘Bereshiet' - ‘in het begin' - . De kern van die bijbel bestaat uit de vijf boeken van Mozes, die de hoeksteen vormen van het Joodse geloofserfenis: de Tora. Bereshiet is dus het eerste van die vijf boeken ; de andere vier zijn Shemot/Exodus, Wajikra/Leviticus, Bemidbar/Numeri en Dewariem/Deuteronomium. Maar ook is Bereshiet de betiteling van de eerste parasha van het hele boek Bereshiet, ‘In het begin' van ‘In het begin', waarmee de jaarcyclus van de wekelijkse Tora-lezingen bgint. Het hele boek Bereshiet vertelt in bloemrijke taal over de schepping van het universum en van de mens, over aartsvader Avraham en de generaties na hem tot en met de vestiging van Ja'akov, zijn zonen en zijn huishouding in Egypte.
De parasha Bereshiet bevat op zich al een schat aan ingrijpende iconische gebeurtenissen, die een altijddurend stempel hebben nagelaten in het bewustzijn van een groot deel van de mensheid.
In Bereshiet 1 tot 2-4 is een zelfverzekerde Schepper bezig de wereld te scheppen, met veel overleg; hij noemt, ordent, scheidt, maakt en schept als kroon op het werk de mens naar Zijn evenbeeld, om de aarde te vervullen en over haar te heersen.
Bereshiet hoofdstuk 2 zoomt in op de mens, Adam, die nu door de Schepper gevormd wordt uit stof, geplaatst wordt in een tuin, Gan Eden, geconfronteerd wordt met een verbod om van de boom van kennis van goed en kwaad te eten, in zijn alleenheid en onvervuldheid wordt gezien en wordt gecompleteerd met een helper, de vrouw, Chawa (Eva), die uit zijn zijde is gebouwd.
In hoofdstuk 3 vindt het drama plaats van de verdrijving uit Gan Eden na de overtreding van het verbod aan beiden om van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten.
Bereshiet 4 verhaalt over de gezinsvorming van de mens en zijn vrouw. Het gaat mis tussen hun zonen Kajin en Hewel (Kaïn en Abel); de dood doet zijn intrede, als Kajin zijn broer doodslaat. Hij wordt verbannen. Een derde zoon wordt geboren als ‘compensatie', Shet (Set).
Hoofdstuk 5 en 6 t/m vers 8 behandelen het nageslacht van Shet tot aan Noach en zijn tijdgenoten die kwade dingen gingen bedrijven.
In dit commentaar gaat het over de eerste drie woorden van de Tora: ‘In het begin schiep De Ene …' (1)

In het begin schiep De Ene (de hemel en de aarde)

De machtige eerste drie woorden zijn: ‘In het begin schiep De Ene (de hemel en de aarde)' , Bereshiet bara Elohiem (et ha-sjamajim we-et ha-arets). Al meteen zijn deze woorden het onderwerp van een zee aan commentaren geworden, grammaticale, diepzinnige, esoterische, noem maar op.
In de gebruikelijke interpretatie van deze eerste zin van Bereshiet lijkt natuurlijk De Ene het onderwerp; HIJ schiep in dat mysterieuze begin-moment. Maar sommige commentatoren zien toch andere opties. Zo wil de gerenommeerde middeleeuwse commentator Rashi (acroniem van Rabbi Shlomo Yitzchaki) vertalen ‘ In het begin van de schepping door de Ene van hemel en aarde etc ', dit om taalkundige redenen (2); De Ene is dan niet het onderwerp van de zin en de zin geeft geen volgorde van de scheppingsdaden. De 20 ste -eeuwse bijbelgeleerde en semiticus Umberto Cassuto –aantoonbaar een hele verre verwant en naamgenoot - toont aan, dat het wel degelijk gaat om een zelfstandige zin, die in majestueuze beknoptheid de hele paragraaf samenvat. ‘In het begin' is: in het begin van de tijd, in het verste verleden, dat de menselijke geest zich kan voorstellen. (3)

Maar in een nog weer andere redenering kan je het woord Elohiem ook zien als het object van de zin. Dat is de visie van de kabbalistische verklaarders in de Zohar, het esoterische bijbelcommentaar, toegeschreven aan de 2 e -eeuwse Sjim'on bar Jochai, maar waarschijnlijk geschreven door Moses de Leon in de twaalfde eeuw, puttend uit oude tradities (4). Zij gaan uit van de Hebreeuwse woordvolgorde: ‘ In-het-begin (subject) schiep Elohiem (object)' . Wie is het uiteindelijke onderwerp?
Dat is het Niets, de Altijd Zijnde, de ‘Ein Sof', de Zonder Einde', de Onzegbare die niet in enig woord of begrip gevat kan worden. Kabbalisten menen niettemin toch een beschrijving te kunnen geven van een ingewikkelde creatie-proces, dat ik niet pretendeer zelf voldoende te kunnen begrijpen laat staan weergeven, maar toch waag ik een poging tot benadering. In dit creatieproces dus , dat de weg beschrijft van gefaseerde neerdaling uit Ein Sof naar uiteindelijk de materiële wereld, vloeit uit het Ein Sof voort het ‘Bereshiet', dat gelijk te stellen is aan de oervonk, en uit die oervonk Bereshiet komt weer voort de Elohiem, de bron van waaruit de overige schepping voortspruit.
(Voor wie enigszins bekend is met de Levensboom, de Ets Chajim: alle scheppingsniveaus ontrollen zich trapsgewijs volgens de tien scheppingsprincipes, de Sefirot; in dit geval is de allereerste sefira Ein Sof=Keter, de Kroon, de tweede is Bereshiet=Chochma, de Vonk, de Wijsheid, de derde is Elohiem=Bina, begrip, het paleis. Overigens is het geen toeval dat de het boek van de schepping begint met een beth, niet met een alef, om de onzegbaarheid van Ein Sof te symboliseren).

Natuurlijk zou een degelijk taalkundig en rationeel redeneren de voorkeur geven aan de duidelijke logica van Elohiem als het onweerlegbare onderwerp van die eerste zin. De esoterische taalspelen van de kabbalisten zouden de deskundige en nuchtere bijbelcommentator Umberto Cassuto niet erg bekoren, denk ik, gezien ook zijn rationele weerlegging van Rashi's vertaling van de eerste drie woorden met doorwrochte grammaticale argumenten.
Mij spreekt de mogelijkheid wel aan om, naast het gedegen filologisch commentaar en de gangbare uitleg, deze teksten ook te zien als geladen met potenties om spiritueel doorzicht te geven voorbij hun misschien oorspronkelijke letterlijke betekenissen.
De goddelijke oorsprong van alles te erkennen als gaande boven en buiten iedere menselijke poging om te kennen en te omschrijven, wat kunnen we anders doen dan dat? En te erkennen, dat een nooit eindigend Creatief Vormend Principe eens een universum begon te creëren en dat steeds door blijft doen, wat kunnen we anders doen dan dat? En dat in dat proces wij als miniem onderdeel daarvan zijn geschapen met niettemin een drang om dat oneindig grotere te onderzoeken en te spreken over een schepping en een schepper; wat kunnen we anders doen dan dit onder ogen zien en accepteren? En dat Scheppend Principe, is tegemoet gekomen aan ons beperkte bewustzijn, aan ons gelimiteerd kennen en ervaren, door ons een verwijzingsmiddel te geven, de taal, en door zich te kleden in de eerste drie woorden van Bereshiet; niet in het allereerste woord, dat nog niet is geland in een bewustzijnsmogelijkheid, niet in het tweede woord, dat nog aan het landen is, maar pas in woord nummer drie (5).

noten
(1) Commentaren op andere aspecten van de parasha Bereshiet, zie op mijn website hier
(2) Het komt hierop neer dat het de woordvorm ‘reshiet' nooit zelfstandig voorkomt maar altijd verbonden wordt met een volgend woord, zoals Rashi met voorbeelden aan wil tonen
(3) Zie U. Cassuto, A commentary on the book of Genesis, part one , from Adam to Noach, Jerusalem, The Magness Press, p. 19 en 20, met argumenten op grond van de woordvolgorde
(4) Ik heb voor deze passage o.a. geput uit een bloemlezing van teksten uit de Zohar met commentaar, ' Zohar ', translation and introduction by Daniel Chanan Matt,Paulist Press, 1983
(5) Iets heb ik proberen te vangen in dit gedicht:
a fathomless knowing blue as a soul, travelling space
searches for landing
and having landed
dies from being born
left with a mouth sealed
but for a delayed stammering

RC 7 okt 2015


Parashat We-zot ha-beracha Dewariem/Deuteronomium 32 en 33      0kt 2015
Een profeet van nu?

De parasha

De parasha We-zot ha-beracha is de laatste parasha van de Tora. Op het komende feest van Simchat Tora wordt deze laatste parasha over de dood van Moshé gelezen en meteen daarna de eerste parasha van de Tora, Bereshiet/Genesis, over de schepping van het universum, de aarde en de mens. De cyclus van Tora lezen gaat door. In de geschiedenis van het volk van Israel gaat het verhaal in zekere zin ‘longitudinaal' door: de Israëlieten staan aan de rivier de Jordaan en onder Jehoshoea zullen zij de rivier oversteken.
De parasha begint met de zegeningen die Moshé over de stammen Israëls uitspreekt. Iedere stam krijgt zijn eigen langere of kortere zegenspreuk over zich uitgesproken.
Al eerder waren de stammen op een sterfmoment toegesproken: door stamvader Ja'akov (Bereshiet/Genesis 49:1-28). Het is interessant de woorden van Ja'akov en die van Moshé naast elkaar te leggenen; zie daarvoor een eerder commentaar van mij. De parasha besluit met een nuchtere en waardige schets van de dood van Moshé, nadat hij vanaf de berg Newo een laatste blik mocht werpen op het beloofde land.

de dood van Moshé

De beschrijving van de laatste gang van Moshé (Deut. 34), weg van het volk, de berg Nevo op, raakt mij altijd weer als ik het lees. Waar hem dat in zit, ik weet het niet. Ik ben sowieso al gevoelig voor sterfscènes en dit is wel een van de meest klassieke. Buber moet denken "aan een van de edele dieren, die zich van hun kudde verwijderen om alleen te kunnen sterven". Dat zit er ook in, ja.
Het is ook de combinatie van kracht - de laatste wandeling alleen, "niet wazig was zijn blik en niet geweken zijn frisheid" (Deut. 34,7) - en de menselijke smart van het afscheid. De grootsheid van zo'n vol leven, dat een einde neemt. De eenzaamheid die hem zijn hele leven moet hebben omgeven die hier in zijn volheid en naaktheid onthuld lijkt.
Het is ook de menselijkheid ondanks de heroïeke enscenering van de eenzame bergbeklimming, Moshé was geen mens zonder zonden, zoals Jezus, hij was toornig als de God van de Tora zelf, geduldig en ongeduldig, bescheiden en autoritair, een welsprekend man met ooit een spraakgebrek, moedig met bange momenten, een profeet maar niet heilig.
Zijn graf werd geen heilige plek of bedevaartsoord, want niemand wist en weet waar hij begraven is.

Profeten

In vers 34:10 staat: “nooit meer stond er een profeet in Jisraël op als Moshé, met wie de Eeuwige omging 'van aangezicht tot aangezicht”. Moshé zelf sprak eerder tot het volk in Dew/Deut18:15: “de Eeuwige zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren”. Die profeten zijn inderdaad gekomen. Vele profeten heeft het oude Israel gekend en een aantal hebben de canon van de Tanach gehaald, waaronder als meest bekenden Jirmejahoe (Jeremia) en Jeshajahoe (Jesaja). Echter: in de eeuwen na de terugkeer van het Joodse volk uit Babylon is de profetie als het ware uitgestorven en zijn de rabbijnen in hun plaats gekomen als richtingwijzers naar de goede weg. Toch is profetie wel een element in de Joodse religie gebleven. Maimonides is uitgebreid op profetie ingegaan. Het zesde geloofspunt van zijn bekende 13 geloofspunten luidt:
Ik geloof er volledig aan dat al wat de profeten verkondigd hebben waar is. Hij ziet profetie als een eigenschap, die ieder, Jood of niet-jood, in principe kan hebben. . Om een profeet te zijn somt de beroemde middeleeuwse geleerde de volgende criteria op: men moet wijs zijn en beschikken over een heldere geest, een onberispelijk karakter en beheersing van zijn hartstochten en begeerten, men moet een rustige en opgewekte gesteldheid hebben, men moet de stoffelijke en frivole kanten van het leven mijden en zichzelf volledig wijden aan het kennen en dienen van God. Met dat alles is zo'n persoon nog geen profeet; wat zo'n wijze pas echt een profeet maakt is dat de Eeuwige hem daartoe kiest (1).
Zoals gezegd, de rabbijnen hebben de profeten overbodig verklaard. Het fenomeen van een overvloed aan valse profeten heeft dit waarschijnlijk in de hand gewerkt en ook de ervaring met allerlei messiassen heeft niet gunstig uitgepakt. Maar ze lieten de mogelijkheid van werkzaamheid door de ‘roeach ha-kodesh' – de heilige inspiratie - wel open voor rechtvaardigen, voor tsadikiem.
De belevenissen van de oude profeten lieten zien, dat het een ondankbare en eenzame taak betrof. Ze werden gedreven om het tegen koningen en regeringen opnemen en misstanden, die door machthebbers werden bevorderd en door de meerderheid werden geduld en zelfs toegejuicht, aan de kaak stellen. Maar de waarheid is al te vaak bij machthebbers niet geliefd. Profeet zijn was een levensgevaarlijk beroep. Dat een profeet is in zijn eigen land niet geëerd is ervoer ook Jezus in zijn vaderstad Nazareth (Matteus 13:54-57).

Een profeet van nu?
.
Al komen profeten volgens de rabbijnse opvattingen niet meer voor, er zijn wel mensen, die door hun boodschap en levenswandel de associatie met profeten wekken of hebben gewekt. Ook die ‘evenknieën' van de oude profeten kunnen bevestigen, dat hun boodschappen aan de natie of de wereld heftige weerstanden hebben opgeroepen of nog oproepen. Niet zelden zijn die met verbanning, gevangenis of zelfs moord beantwoord.

Velen noemen in dit verband figuren als de Dalai Lama, Martin Luther King, Nelson Mandela.
Het jongste nummer van het magazine van het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom, Joods Nu, is gewijd aan ‘Profeten, toen en nu' (2). Het bevat o.a. een interview met de de voorvechtster van het liberaal Jodendom in Israel, Anat Hoffman. Gevraagd naar wie voor haar een hedendaagse profeet is hoeft ze niet lang na te denken: dat is de controversiële Israëlische denker en leraar professor Jeshajahoe Leibowitz. Op het onvolprezen internet heb ik wat informatie over hem gezocht (3).
Hij is in 1994 overleden, 91 jaar oud, verguisd, gerespecteerd en bewonderd. Zijn boodschap was straight, maar voor vele Israëli niet gemakkelijk. Hoewel rechtgeaard orthodox was hij een felle voorstander van de scheiding van kerk en staat, veroordeelde hij de corrupte religieuze instituten en beschouwde hij het nationalisme rond de staat Israel als voedingsbodem voor fascistische tendensen, waarbij hij indringende bewoordingen als ‘blut und bodem' niet schuwde. Een keerpunt ten kwade noemde hij de voortdurende bezetting van de Jordaanse westoever na de Zesdaagse oorlog , een bezetting die noodzaakte tot onderdrukking van een ander volk. Leibowitz waarschuwde tegen de daaruit door hem voorziene ernstige ondergraving van Joodse morele waarden. Hij was sterk geporteerd voor een tweestaten oplossing. Hoe je ook denkt over de staat, de identiteit en de politiek van Israel, je ontkomt er niet aan dat de opvattingen van Leibowitz je verontrusten door hun mogelijke waarheidgehalte. Vlak voor zijn dood was het plan hem de Israel Prize toe te kennen, maar hij trok zich terug toen heftige protesten opriepen om zijn nominatie ongedaan te maken. Recent werd het voornemen om een straat in Jeruzalem naar hem te vernoemen ook na protesten weer ingetrokken. Wie een indruk wil krijgen van zijn betoog moet het youtube filmpje met een interview met hem eens bekijken (4).
Ik kan niet nalaten de woorden van Anat Hoffman uit ‘Joods Nu' te citeren, woorden die hem opeens zo dichtbij halen: “Hij was een zeer bijzondere man. Hij had geen rijbewijs en nam elke dag bus 9 naar de universiteit waar hij werkte. Je kon dan met hem spreken, op de bus. Hij had een lijst en je ging twee of drie haltes naast hem zitten,tot de volgende persoon kwam om met hem te praten. Iedereen nam plaats naast hem in bus 9 met hun vragen en gedachtes: soldaten, professoren, huisvrouwen, Joden, moslims, christenen, mannen en vrouwen. Iedereen mocht plaats naast hem nemen en hij was in iedereen even geïnteresseerd. Het verhaal gaat dat een huisvrouw hem op een dag aansprak, hij luisterde naar haar en gaf zijn antwoord. Men zei: zij weet niet dat hij professor Leibowitz is, maar ook hij wist niet dat hij professor Leibowitz was. ‘Hij was een ware profeet.'”

Noten
(1) Een aardig overzicht biedt de Chabad website ,
(2) Zie Joods nu nummer 5, jaargang 2, september 2015/ 5776
(3) Bv op Wikipedia en op de website Sargasso
(4) https://youtu.be/buQ1C5RJ2Vk of hieronder:

RC 1 okt 2015

Parashat Ha'azinoe Dewarim/Deuteronomium 32:1–52 sept. 2015
Een poëtische laatste oproep

De parasha

In de vorige parasha Wajelech heeft Moshé een vergezicht gehad op de ooit komende afvalligheid van de Israëlieten; in verband daarmee kreeg hij een gedicht ingegeven met de bedoeling om het aan het volk voor te dragen, een epische vermaning om de catastrofe van de verre toekomst te keren, een machtige dichterlijke poging van de terminale leider om over zijn graf heen invloed uit te oefenen op de koers van zijn geliefde maar lastige volk. De parasha Ha'azinoe (‘Hoort!')bestaat grotendeels uit deze poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanenzang. Die bestaat uit vijf episoden (1).
De eerste is een korte aanhef, waarbij hemel en aarde als getuigen worden aangeroepen.
De tweede episode brengt in herinnering dat de Eeuwige Israël als Zijn volk heeft gekozen en dat Hij dit volk Zijn bijzondere bescherming zal geven: " Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt ". Daarna volgt in de tekst dan een schets van een fase van voorspoed waarin Jeshoeroen (=Israël.(2)) vadsig en vet wordt, het verzadigd raakt, dik en rond wordt.
Dan volgt de derde episode: het volk, vadsig en vet geworden, loopt weg van zijn schepper, versmaadt zijn stut en steun, zijn rots. De vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk. Ballingschap (galoet) en diaspora zullen zich gaan afspelen Eerder in Deuteronomium werd eveneens het beeld van de arend gebruikt, nu als agressieve aanvaller: (28:49): " Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt ".
Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden breekt een vierde episode aan, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen uitoefent, in lyrische beelden beschreven. Het motief dat voor deze wending wordt geschilderd is niet zozeer een hernieuwde compassie met het geteisterde Israel als wel de aantasting van de reputatie van de Eeuwige, die op het spel staat. De vijanden van Israël mogen niet misleid worden en hun overwinning op het arme volk aan zich zelf toeschrijven, blind voor het feit, dat hier sprake is van de wil en de hand van de God van Israël. De redenering doet denken aan het argument waarmee Moshé God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf geen prooi van vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?"' In andere passages in Dewariem/Deuteronomium wordt als motivatie genoemd de compassie van de Eeuwige als antwoord op ommekeer, Dat spreekt mij en misschien ook u meer aan (3).
Ten slotte, in de vierde episode wordt de almacht van de Eeuwige nog eens breed uitgemeten.
Als de recitatie van het gedicht is afgelopen krijgt Moshé te horen, dat hij nu de berg Nevo zal moeten gaan beklimmen om er te sterven; daarmee eindigt de parasha.

Wie heeft de schuld?


In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds de keuze door die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of God en zijn geboden af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor afval de vreselijkste rampspoeden, die herhaaldelijk en ook nu weer in geuren en kleuren beschreven worden. Steeds is Moshé 's boodschap daarbij, dat, als het verkeerd gaat, het niet aan God ligt. De termen en beelden van het leerdicht ‘Ha'azinoe', zijn straf en krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Wanneer we door de epische terminologie van God als almachtige oorlogsvorst – in die tijd gebruikelijk – heenkijken en zo ons best doen om een betekenis voor ons te ontwaren, dan horen we een oproep, die steeds weer opnieuw klinkt - de laatste dag van Moshé is steeds de dag van nu, vandaag, hajom - : een herinnering, gekleed in heftige lyriek, een herinnering aan de mogelijkheid tot vrijheid die de mens heeft en een oproep die vrijheid te gebruiken voor verantwoordelijkheid.
Rabbijn Jonathan Sacks zegt (4) iets belangrijks; daarbij vraag ik aan de niet-God-gelovigen en aan de meer het woord God liever vermijdenden (zoals ik) de ‘Gods-taal' van de rabbijn voor lief te nemen en naar de essentie te gaan (vertaling door mij, cursief in origineel):
‘Het is de macht van de hoop, die geboren wordt, als Gods liefde en vergiffenis zich verbinden met de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Het is die macht, die het Jodendom heeft gemaakt tot de morele kracht, die het altijd is geweest voor mensen met een open hart en geest. Maar die hoop, zegt Moshé met een passie die ons bijna zeer doet, als we die opnieuw op ons in laten werken, die hoop gebeurt niet zomaar. Er moet voor gewerkt worden, hij moet worden gewonnen. De enige manier, waarop dat wordt gerealiseerd is door  niet God de schuld te geven . Als wij een betere wereld willen, moeten wij die maken. God onderwijst ons, inspireert ons, vergeeft ons wanneer wij falen en tilt ons op als wij vallen, maar wij moeten het doen. Het is niet wat God doet voor ons, dat ons transformeert; het is wat wij doen voor God.'

noten
(1) Zie ook: Gunter Plaut (ed),The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981
(2) Jeshoeroen, poetische naam voor Israel, hier voor het eerst genoemd; volgens Ibn Ezra afgeleid van ‘jashar', recht(op), rechtvaardig
(3)Bijv. Dew/Deut 30:1 ev
(4) http://www.rabbisacks.org/haazinu-5774-leaders-call-responsibility/
Lees ook zijn discussie in zijn commentaar van 2015/5776

RC herzien 24 sept 2015

Parashat Wajelech sept 2015
Dewariem/ Deuteronomium 31:1-30
Keer terug, Israël! In de parasha Wajelech – de kortste in de Tora, in de meeste jaren gelezen samen met de voorgaande, Nitsaviem – neemt Moshé afscheid van het volk, dat hij veertig jaren over toppen en door dalen heeft geleid naar het moment suprême, dat het op het punt staat het zo lang beloofde land te betreden. Bemoedigende woorden spreekt hij hen toe. God zal jullie niet in de steek laten bij het in bezit nemen van het land. Weest sterk en moedig en laat jullie niet afschrikken door de tegenstanders, die jullie zullen ontmoeten, zulke woorden spreekt hij. Ten overstaan van de verzamelde menigte draagt de oude leidsman het leiderschap over aan Jehoshoea, wees sterk en moedig – chazak we-èmats - voegt hij zijn opvolger toe. De parasha meldt dan, dat Moshé eigenhandig zijn onderricht (letterlijke betekenis van ‘tora') opschreef en dit geschrift overdroeg aan de priesters en levieten. Eens in de zeven jaar, tijdens Soekot, moesten deze de wetsrol voorlezen aan het verzamelde volk, inclusief de kinderen. De boekrol moest naast de ark van het verbond gelegd worden als een eeuwige getuigenis van de juiste weg.

Aan het eind van de parasha vindt er een opvallende wending plaats. De Eeuwige verschijnt bij de tabernakel in een wolkzuil aan Moshé en Jehoshoea en profeteert aan hen, dat nu al Hem bekend is, dat het volk, als het eenmaal gesetteld is en welvarend geworden, zich van de Eeuwige en zijn geboden zal afkeren. De Eeuwige zal zich dan in woede van zijn volk afkeren en vele ongelukken en rampen zullen over hen komen. Hij zal dan zijn gezicht afkeren, verbergen. Anochi hester astir pani . Nogmaals dus wordt herhaald, ik geloof voor de derde keer, dat de afvalligheid en de daarmee samenhangende rampen als onvermijdelijke toekomst worden voorzien. Hiermee zijn de paradoxen geïntroduceerd van Gods voorzienigheid, zijn almacht en de menselijke vrije wil, die door alle eeuwen en ook nu nog de menselijke geest heeft beziggehouden, gepijnigd mag je wel zeggen, niet in het minst de rabbijnen en de theologen. De discussie omvatte het intrigerende fenomeen van de ‘verborgenheid van Gods aangezicht' en wat dat betekende in het licht van al die rampen en met name de Sho'a. Op vele plaatsen elders ben ik daar verder op ingegaan (1). Nu vermeld ik alleen, dat Plaut (2) er op wijst, dat in de tijd, dat Dewariem/Deuteronomium volgens de bijbelwetenschappers in feite werd opgeschreven - vele eeuwen later dan de historische Moshé - al vele rampen Israel hadden getroffen en dat dit in het geschrift doorklinkt als een door bittere ervaring getekende waarschuwing voor de toekomst. Als filosofisch en theologisch probleem werd het toenmaals niet ervaren, maar de teksten hebben er wel aanleiding toe gegeven.

De onthulling van deze komende afvalligheid aan Moshé, die sowieso zijn Israëlieten, zeg maar de mens, goed kende (3), gaf hem in een gedicht te schrijven, een epische wanhoopskreet om de catastrofe van de verre toekomst te keren, zijn zwanenzang, die hij vervolgens ten aanhore van het volk zal reciteren en die de volgende parasha Ha'azinoe zal beslaan.

De shabbat valt tussen Rosh Hashana en Jom Kipoer en wordt Shabbat Shoewa genoemd naar de eerste woorden van de Haftara (profetenlezing), Hoshea 14:2-10, shoewa, keer terug (NBV): Keer terug, Israël, naar de Eeuwige, je God! Door je eigen wandaden ben je ten val gekomen. Kom met woorden van berouw en keer terug naar de Eeuwige. Zeg tegen hem: Vergeef ons al onze misdaden. Noten
(1) Bijv. in mijn commentaar op de parasha Wajigash .
(2) Gunter Plaut (ed) The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981
(3) Bijv. Dew/Deut. 31:27 (NBV): Want, Israël, ik weet hoe opstandig en onhandelbaar u bent: tijdens mijn leven hebt u zich al steeds tegen de Eeuwige verzet, hoe zal het dan niet gaan na mijn dood! Parashat Nitsaviem Dewariem/Deuteronomium. 29:9–30:20      sept 2015
Ommekeer

De parasha

Meestal wordt deze parasha gecombineerd met de volgende parasha Wajelech in verband met de eigenaardigheden van de Joodse kalender. Dit jaar biedt de gang van de kalender ruimte voor een aparte lezing. Die valt op de shabbat vlak voor het begin van het Joodse Nieuwjaar, Rosh Hashana.

Het afscheid van Moshé van zijn volk nadert. Op een van zijn laatste levensdagen heeft Moshé voor een belangrijke toespraak het volk bijeengeroepen, kennelijk om in een kernachtige samenvatting van al zijn voorgaande woorden de sluiting van het verbond tussen Israel en de Eeuwige nog eens te bevestigen. Het begin van de tekst van deze parasha schildert een breed beeld van een enorme massa mensen, die staan opgesteld voor de oude leider, niet alleen de belangrijke mensen, de aanvoerders en officials, maar álle mannen van Israel, en ook de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen, de houthakkers en waterdragers, met andere woorden van hoog tot laag. En niet alleen tot de aanwezigen richt Moshé zich, maar ook met ‘ maar ook tot degenen die hier (nog) niet bij zijn ' (29:13), kortom: de toekomstige generaties; de Tora is voor alle tijden.
Wederom schetst hij omstandig de fatale gevolgen van afvalligheid van de Eeuwige en het in de wind slaan van Zijn voorschriften: hij verwijst naar de eerder beschreven vervloekingen en de verjaging uit het land. Maar steeds heeft het volk de keus, benadrukt de hoogbejaarde voorman: ‘ Zie, vandaag houdt ik je voor het leven en de dood, het goede en het kwade '(30:13). Het is geen onhaalbare zaak, die Tora, want de geboden zijn niet in de hemel, maar hier op aarde binnen het bereik van de mens.
Kennelijk heeft Moshé tijdens zijn gepassioneerde woorden opeens een bijna messiaans visioen, dat ver vooruit reikt tot in een nameloze toekomst, waarin al het denkbare, het kwade en het goede, onvermijdelijk al is gebeurd. ‘ Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de Eeuwige, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt en samen met uw kinderen naar de Eeuwige, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, dan zal de Eeuwige, uw God, in uw lot een keer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen' (30:1-3). (1)
De oude profeet – als middelaar van de Eeuwige - weet, steeds heeft de mens de vrije keus, maar toch zal onvermijdelijk vaak het verkeerde worden gekozen. Drukte Rabbi Akiva deze paradox niet bondig uit in zijn spreuk ‘ Alles is voorzien, toch is de vrije wil gegeven ' (Talmoed, Pirké Avot 3:15).

Teshoewa

De net geciteerde passage is wel de Grote Terugkeer genoemd, het woord voor terugkeren – shoew - komt zeven keer voor in deze parasha ; het volk van Israel zal ooit definitief terugkeren van zijn afdwalingen en verkeerde daden. In de loop van de eeuwen heeft dit fenomeen van collectieve terugkeer ook een individuele inkleuring gekregen; ook ieder persoon kan op zijn verkeerde schreden terugkeren en ommekeer – teshoewa – doen.
De tijd rond en vooral tussen Rosh Hashana en Jom Kipoer is daar speciaal aan gewijd: een samengebalde onderneming om teshoewa , een grote ommekeer teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons heen. Een van de grote thema's daarbij is vergeving. Gedurende de gebeden op en rond Rosh Hashana en Jom Kipoer komen drie woorden voor vergeving steeds steeds terug: selach lanoe, mechal lanoe, kapper lanoe ; alle drie betekenen ze ‘vergeef ons', maar telkens met een andere bijklank. Selach lanu betekent vooral ‘het spijt me oprecht en ik zal het niet meer doen'. Bij mechal lanoe ligt het accent op mijn vraag de verkeerde daad als het ware te wissen en de relatie te herstellen in de oude intimiteit. Ze staan in het teken van de relatie met de medemens. Met ‘ kaper lanoe ' vraag ik om het schuldgevoel en de pijn om het misgedane, die los van al het andere zwaar op het hart kan blijven wegen, weg te nemen. Dat is alleen in de macht van de Ene om te bewerkstelligen: om essentiële troost in het hart te brengen (2). De dagen van Rosh Hashana en speciaal Jom Kipoer roepen ons dus op om naar onze familieleden, vrienden, collega's en misschien wel vijanden toe te stappen en sorry te zeggen voor wat we hun hebben aangedaan. Maar het is mij opgevallen dat er weinig gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór ons aan anderen, die ons wat hebben aangedaan. En dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld, verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen, vrienden en collega's en zo meer. ”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn partner heeft me verraden”. Ga zo maar door.
Een half leven lang kunnen we met wrok blijven rondlopen. Soms was de behandeling of daad aan ons aangedaan inderdaad afschuwelijk en onterecht, soms kan er sprake zijn van projectie van onze gevoelens van boosheid of verdriet op anderen als gevolg van eerder opgedane trauma's, die ons kwetsbaar hebben gemaakt. In beide gevallen kunnen we door onze wrok, trots, kwaadheid of door ons lijden terechtkomen in een vicieuze cirkel, in een slachtofferpositie, die het leven vaak grondig verstoort. De pijn die daarronder ligt schrikt af om er echt naar te kijken. Die zee van pijn, daar willen we niet aan. Toch is dat nodig om verder te komen. De grote vaak onoverkomelijk lijkende stap is : ons los te maken van wrok, trots, lijden of boosheid, er op een afstand van gaan staan, dan schouwen in ons zelf en de pijn aangaan. Want na die soms ongelooflijk moedige stap komt er ruimte voor de volgende stap: de vergeving aan de ander, die het allemaal heeft aangedaan. Dan ontstaat er nieuwe ruimte waarin weer het licht kan binnenvallen (3).
Vergeven doen we voor ons zelf in de eerste plaats en de anderen in onze omgeving zullen er volop van meeprofiteren, als een zware last van ons is afgevallen. We worden een lichter mens en onbespreekbare zaken worden misschien bespreekbaar.
Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen, waarin de spirituele kracht extra voorradig is om dieper te kijken en te werken aan wrok, slachtofferschap, onverzoenlijkheid, die er mogelijk in ons schuilen en die vernieuwing en verlichting van geest en ziel tegenhouden.

Moge het nieuwe joodse jaar licht en goed en zoet zijn!
Lesjana tova oemetoeka tikatvoe ! Noten
(1) In de sfeer van messiaanse visioenen is ook de Haftara (aanvullende profetenlezing), die bij deze parasha wordt gelezen, Jesaja 61:10 - 63:9. Dit is de laatste van de zogenoemde zeven ‘troost-haftarot', die na Tisha be'Av op shabbat worden gelezen, allen uit de profeet Jesaja.
(2) Ontleend aan Rabbi Simon Jacobson
(3) De eerste keer dat het proces van vergeving in de Tora uitgebreid wordt beschreven is in het verhaal van Joseef en zijn broeders, zie bv de parasha Mikeets

RC 11092015

Parashat Ki Tavo Dewariem / Deuteronomium 26:1–29:8.   September 2015
een gruwelijke vermaning

De parasha

De parasha Ki Tavo beslaat Dewariem 26:1–29:8.   Dit bijbelstuk begint heel feestelijk met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem (1), gevolgd door een passage met regels over de tienden. De rest van de parasha is gewijd aan de uitgebreide beschrijving door Moshé van een ritueel van zegeningen en vervloekingen, dat uitgevoerd moest worden, als het volk over de Jordaan was getrokken, een ritueel dat een herbevestiging moest betekenen van het commitment van Israel aan de Eeuwige en zijn geboden(2). Opvallend is de lange reeks vervloekingen over rampen, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam ‘Tochacha' gekregen, vermaning (3). De zesde alija (leesbeurt tijdens de eredienst), die de vervloekingen bevat, is de langste alija van de hele Tora. In sommige synagogen is het gebruik dat degene die deze alija moet lezen bij de oproep niet met name wordt genoemd en dat het stuk met zachte stem wordt gelezen, als het ware om ‘de goden niet te verzoeken'. Het zijn misschien deze vervloekingen, die koning Joshijahoe (Josia) uit het toen net uit de tempelruïne teruggevonden boek Dewariem (Deuteronomium) hoorde voorlezen, en die hem in angst deden uitroepen: ‘ Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de Eeuwige raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de Eeuwige is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven .(2 Melachim/Koningen 22:13)'

De Tochacha

Ze zijn geteld al die vervloekingen, 98 zijn het er; lees ze eens rustig door. Ze zijn met grote vindingrijkheid en literaire begaafdheid bij elkaar gezet, beschreven met een barokke pen, geformuleerd met aan perversie grenzende beeldrijkdom. Lees de beschrijving van de ouders die in de belegerde stad het vlees van hun kind eten en de moeder, die de nageboorte in het geheim opeet. De bedoeling zal waarschijnlijk geweest zijn om de toehoorders in die ongeduldige massa en de latere lezers uit het moreel immer belaagde volk te imponeren, af te schrikken en daardoor te brengen tot navolging van de voor hun bestwil uitgevaardigde geboden.
Hoe vergeefs is deze afschrikking geweest.
In de formulering van vele van de vloeken ligt al welhaast de profetie van hun verwerkelijking besloten. Lees de indrukwekkende beschrijving van het volk Israël dat onder alle volkeren verspreid zal worden en geen verademing zal krijgen, dag en nacht door angst bevangen, omdat het leven niet zeker is. Ze zijn allemaal uitgekomen. Gruwel je eerst van de beelden, even later besef je dat ze allemaal gerealiseerd zijn geweest (en eigenlijk nog steeds worden gerealiseerd op vele plekken van deze wereld) (4).

Als Hij werkzaam is, is Hij dat dóór de mens

Het oude godsbeeld wankelt Deze Tochacha en de bewoordingen waarin al deze vloeken zijn vervat heeft de vraag opgeworpen: bewerkt De Eeuwige dit nu allemaal? Nu eens als een milde vader die het goede kind zegent en dan - in de reeks vloeken - weer als de boze vader, die zijn slechte zonen met afschuwelijke straffen kastijdt? De tijd om alle filosofische en theologische artikelen en boeken van velerlei gezindten over deze vraag naar Gods werkzaamheid (vaak samengevat in de term theodicee) ontbreekt mij en ik veroorloof mij spontaan - met in mijn achterhoofd het bescheiden bezinksel van de paar gelezen regels en gepleegde gedachten hierover - het volgende te zeggen.

In moderne religieuze en geestesstromingen is het beeld van de gepersonifieerde God al lang verlaten. Het beeld van een belonende en straffende God is als het ware gedeconstrueerd. Wat God wél is is onvatbaar - misschien wel op spiritueel niveau te vermoeden als een scheppende en werelddragende energie - , maar één ding is duidelijk: als Hij werkzaam is, is Hij dat dóór de mens heen. De mens is het instrument, waardoorheen de Goddelijke werkzaamheid gestalte wil krijgen en dan moeten we er meteen aan toevoegen: de mens in relatie en in het bijzonder de mens samen met zijn medemensen in gemeenschap. God kan zich openbaren als het diep geweten verlangen om naar het goede voor zich, voor de naaste en de gemeenschap te streven. Wat is het goede? Hierover gaat de Tora . Als wij trachten de grondwaarden uit de vele regels en voorschriften en uit de overvloed aan epoch-gedateerde details te destilleren, dan gaat het over zorg en liefde voor de naaste, het delen van voedsel en goed, wederzijdse hulp, niet achter afgoden (in de ruimste zin) aanrennen, nastreven van rechtvaardigheid in de gemeenschap, trouw, integriteit en eerlijkheid, compassie met en goede daden voor wie nood heeft, zorg voor de natuur en de leefomgeving, een en ander met gezonde waardering voor eigen kunnen en gepaard aan besef van eigen nederigheid..
Het wonderlijke van de Tora is dat dit in deze vorm - zo lang geleden al - zo totaal en samenhangend aan Israël is geopenbaard. Het is eigenlijk een groot recept voor álle naties om als volk in welvaart, overvloed en blijdschap samen te zijn en te werken met een helder besef van de plaats in de kosmos en een gevoel van grote dank voor het leven.
Zo gezien is het niet God die buiten de mens om beloont en straft, maar de mens zelf: hij heeft het aan zichzelf te danken of te wijten. We kunnen dan een poging wagen de Tochacha te parafraseren in een modernere logica: een samenleving, waarin het recht wordt verlaten, waarin oneerlijkheid, leugen, corruptie, onbetrouwbaarheid, puur eigenbelang, bandeloosheid, disrespect, liefdeloosheid de overhand krijgt is gedoemd af te glijden naar anarchie, armoede, geweld, in laatste instantie naar (burger)oorlog. Die samenleving kan de prooi worden van onzegbare verschrikkingen. De voorbeelden in onze wereld passeren dagelijks de revue; vul zelf maar in.

Deze waarheid kreeg Israël al in het begin van haar verbondsbestaan met de Eeuwige voorgeschoteld, onder andere in deze Tochacha. In die vorm valt op, dat de toegesprokene het individu is, een jij. Maar een jij binnen de volksgemeenschap. Dat wil zeggen dat ieder zijn verantwoordelijk heeft gekregen om zijn bijdrage te geven aan het wel en wee van zijn samenleving. Maar daarmee deelt het individu ook mee in het wel evenals in het wee. In die zin gaat het reilen en zeilen van de samenleving boven hem uit. Wij zijn afhankelijk van elkaars goede wil die bijdrage te leven en te leveren. Die ene rechtvaardige in een gemeenschap waar de waarden van rechtvaardigheid en compassie door een kritische massa van kwaadwillenden worden genegeerd, zal worden meegesleept in het afgeroepen onheil ondanks zijn rechtvaardigheid (5) Immers het verval en de ellende in de samenleving treft veelal de gemeenschap met man en muis. Dit maakt de verantwoordelijkheid van het individu om naar zijn beste kwaliteiten aan de gemeenschap bij te dragen juist extra groot. De rechtvaardige tilt zijn gemeenschap op en kan zelfs het verschil malen, maar kwaadwillenden halen de gemeenschap naar beneden en nemen allen mee in hun val. Noten
(1) In een ander commentaar ben ik op de aanbieding van de eerste vruchten ingegaan
(2) Dit is inderdaad uitgevoerd door Jehoshoea (Jozua), zie Jehoshoea 8:30
(3) Het is eigenlijk de tweede Tochacha, een eerdere kleinere reeks staat al in Wajikra/Leviticus, in de parasha Bechoekotai .   Er is wel gezegd, dat die eerste Tochacha in Wajikra betrekking had op de eerste verwoesting van de tempel en de ballingschap die daarop volgde. Deze reeksvervloekingen besluit met de voorzegging dat De Eeuwige zich weer het verbond zal herinneren en na 70 jaar kwam er inderdaad een einde aan de ballingschap. De tweede Tochacha zou dan slaan op de tweede verwoesting van de tempel en de daarop volgende diaspora. De reeks vervloekingen eindigt niet met troostvolle woorden en een happy end. Er is geen suggestie van tijdschema, waarna alles weer goed komt.
(4) Wie uit het boek van Simon Schama ( De geschiedenis van de Joden, deel 1, Atlas Contact, 4e druk, 2014) leest over de uittocht van Joden uit Spanje in 1492:
‘Totdat de nieuwigheid eraf was, kwamen mensen van hun huis of hun akkers om in rijen langs de weg of het pad te kijken naar de lange stoet mensen, die zo goed en zo kwaad als het ging in de verzengende hitte van de Spaanse zomer naar de kust en de Portugese grens liepen. (…) Ze trokken over de wegen en door de velden [...] moeizaam en met veel tegenslag. Mensen vielen en stonden weer op, gingen dood en werden geboren, nog anderen werden ziek en er was geen christen die geen mededogen met hen voelde, (…) en de rabbijnen spraken hun voortdurend moed in en gelastten de vrouwen en meisjes te zingen en op de tamboerijn te spelen om de mensen op te vrolijken' , wie dat leest, wie moet dan ook niet denken aan de Syrische vluchtelingen, die in een eindeloze stroom door de velden van de Balkan trekken?
(5) Zie de beroemde dialoog van Avraham met de Eeuwige over de vernietiging van Sedom en ‘Amorra Bereshiet/Genesis 18:23 ev

RC 3 sept 2015

Parashat Ki Tetsé 28 aug. 3015
Dewariem/Deuteronomium 21:10 - 26
Schaamte

De parasha

Deze parasha Ki Tetsé gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken. Daarnaast zijn nog tal van andere zaken aan de orde. 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasha, de meeste van alle parashot. Er zijn passages die ons verlicht aandoen. De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen maar de moedervogel moet laten vliegen. Anderen roepen vanuit het huidige tijdsgewricht bij de moderne humanistisch georiënteerde mens weerstand op. De bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. De wrede, in moderne ogen disproportionele sancties, waarvoor de latere rabbijnen wegen hebben gevonden om ze te verzachten of buiten werking te laten

Een curieuze en wrede bepaling lokte mij tot nadere beschouwing: 25:11,12. Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van een van hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen, dan moet haar hand worden afgehakt; toon geen medelijden .
Het is een bepaling, die bij de meeste moderne lezer afschuw oproept. Kennelijk betreft het een casus, die zo vaak voorkwam en dan zoveel geschoktheid opriep, dat de Tora er een voorschrift aan wilde te wijden. Een vechtpartij, waarbij de vrouw opkomt voor haar man en, misschien in een emotie van verontwaardiging of wanhoop de vijand van haar echtgenoot bij zijn geslacht grijpt. Dat moet ze bekopen met het afhakken van de delinquente hand. We kunnen dit voorschrift rustig terzijde schuiven en dat doet Rashi dan ook voor het deel van de sanctie in zoverre, dat hij - ondanks dat er staat 'geen medelijden te tonen' – het afhakken van de hand verstaat als een financiële sanctie, een boete.

naaktheid Maar laten we eens dieper kijken en proberen te begrijpen, waarom deze bepaling is geschreven, vanuit een invoelen in hoe in de Tora aangekeken werd tegen seksualiteit in het algemeen en de schaamdelen van man en vrouw in het bijzonder. Ik wil dat doen vanuit een min of meer cultureelantropologisch perspectief (1).
Het valt dan op dat de Tora de wereld van liefde en erotiek - op te vatten als zelfstandige bron van genieting - amper kent (2)(3) Daarentegen valt het accent zwaar op de plicht en de macht van de voortbrenging van nageslacht. Het begint al in het begin, in Bereshiet: De Eeuwige schept de mens naar zijn beeld en in het volgende vers al luidt het: weest vruchtbaar, vermeerdert je. Een enigszins erotische bijbetekenis zou men kunnen zien in het lovende vers dat Adam toezingt aan zijn pasgeschapen vrouw in Bereshiet 2: 23. Veelzeggend is de mededeling daarop, dat zij naakt (' aroemiem ') waren, maar zich niet voor elkaar schaamden.
Maar die onschuld omtrent de naaktheid zal niet blijven.  
In het daaropvolgend gebeuren geschiedt er iets ingrijpends: door het eten van de boom van kennis van goed en kwaad worden man en vrouw zich bewust van de naaktheid, die zij vervolgens bedekken. Kennelijk heeft het weten omtrent goed en kwaad te maken met bewustheid van naaktheid.  Zonder nu uitgebreid in te gaan op alle aspecten van goed en kwaad waag ik te poneren, dat het mede gaat om het ontwaakte weten omtrent de voortbrenging middels de geslachtsdaad, anders gezegd, dat zij ontdekten "waar de kinderen vandaan kwamen" en dat hun naaktheid prominent toonde, welke delen van hun lichaam betrokken waren bij die voortbrenging.  
Hun naaktheid was niet langer meer een esthetisch of sensueel gegeven. Naaktheid getuigde voortaan steeds van de immense mogelijkheid en macht om nieuw leven te kunnen scheppen, maar was tegelijk beladen een bewustwording en besef van de diep ingrijpende consequenties van de volvoering van die macht, het kind.
Het roept bij mij het vermoeden op, dat in deze oerscene van Genesis misschien wel een herinnering van de mensheid resoneert: ooit zal in de oertijd een groepje mensen tot de verbijsterende ontdekking zijn gekomen dat hun geslachtsdaad kinderen tot gevolg had (tot voor heel kort wisten de bewoners van de Trobriand eilanden bij Nieuw Guinea dit nog niet). Ook ieder kind maakt deze oerscene een keertje op zijn eigen microniveau door. Dit weten omtrent procreatie en vruchtbaarheid is bij vrijwel alle volken een intens onderwerp geworden van taboe, rituelen, religieuze ceremonies, magische handelingen en overtuigingen.  Het kenmerkende van de voorschriften van de Tora - in die zin is het een verlicht document - is dat het betrekken van seksualiteit, erotiek en vruchtbaarheid in godsdienstige ceremoniën en religieuze verering strikt worden verboden;  in zekere zin zou je kunnen zeggen dat zaken van seksualiteit en vruchtbaarheid worden ‘geseculariseerd', ontdaan van de duistere wereld van de magie. Een van de redenen waarom de religieuze praktijken van de volken van Kenaän zo worden verketterd.

schaamte De erotiek met al zijn sensualiteit en verleiding tot ritualisering gaat buiten de religieuze wereld van Israel vallen, maar niet de procreatieve organen zelf; die worden het onderwerp van vele voorschriften. Ik breng dit in verband met de primordiale schaamte omtrent de naaktheid, die Adam en Eva al hebben ervaren. We vinden hem ook terug in de scène van de dronken Noach, die brutaal in zijn naaktheid wordt gezien door zijn zoon Cham (Ber/Gen 9:20). Die naaktheid is schaamtevol, omdat Cham zicht had op het geslacht van zijn vader, waaruit hij zich voortgekomen wist. De schaamte moet berusten op de diepe en heilige verwondering omtrent de procreatieve macht van de seksuele organen, die zich uitstrekt tot hun vloeibare afscheidingen, die van de man, zijn zaad, en die van de vrouw, de menstruele afscheiding. Vandaar, dat die organen en hun vloeistoffen omgeven zijn geraakt met een reeks van taboeïserende voorschriften, die tot taak hebben hun scheppende kracht zuiver te houden en te respecteren. Tegelijk wordt daarmee de procreatie, de voortbrenging van nageslacht, beter gereguleerd.  
Alles wat afwijkt van de gerichte aanwending van die scheppende eros tot procreatie van legitiem nageslacht, zoals masturbatie, homoseksualiteit, incest e.d. wordt ervare als een ontheiliging van de oerfunctie van de seksuele organen en is in laatste instantie in die zienswijze op te vatten als het in gevaar brengen van de overlevingskracht van het volk. Een overtuiging die nog steeds doorklinkt in b.v. de opvattingen in vele (ultra)orthodoxe vormen van jodendom, islam en christendom. Dat de sancties in de Tora niet mis zijn wijst op de intense irrationele fundering van deze overtuigingen.  
Nu wordt duidelijk waarom de bepaling omtrent de vrouw, die het geslacht van de vijand van haar man aanraakt, er staat. Het gaat niet om zomaar een brutaliteit. De daad van de vrouw - gezien tegen deze achtergrond - raakt de betrokken man in zijn elementaire waardigheid als voortbrenger van nageslacht, of sterker nog waarschijnlijk, ontneemt hem zijn kracht en vruchtbaarheid; of zijn mannelijke macht wordt op zijn minst onzuiver gemaakt en aangetast.  

Deze en dergelijke bepalingen, die omhuld zijn met de striktheid van het taboe, zijn uiteindelijk ontsproten aan het heilig ontzag voor het raadsel van de voortbrenging. Het raadsel dat gedeeltelijk geweten is geworden, - en door de wetenschap tot op grote hoogte in finesse is ontleed - maar voor een ander deel gehuld blijft in het mysterie, het mysterie dat het Scheppend principe gekozen heeft voor procreatie, voortzetting van het leven, op de manier, waarop het gebeurt: door geboorte en dood, met daartussen in de vereniging van een man en een vrouw in de lustvolle geslachtsdaad. Dit heilig ontzag vertaalt zich op het niveau van de beleving onder meer in: de schaamte. De schaamte is in de loop der eeuwen geïnstitutionaliseerd tot een rigide bastion, in Nederland bijvoorbeeld in de zedigheid van een kleinburgerlijk calvinisme of in katholieke preutsheid. Ook het Jodendom heeft daaraan deelgehad, mede onder invloed van het christendom.  
In de zestiger jaren is dat bastion door mijn generatie behoorlijk gesloopt, in grote mate een verfrissende reactie. Ook ik heb daar in volle overtuiging aan meegedaan (al was ik niet eens zo succesvol in de uitvoering van het programma van de bandeloosheid).  
De schaamte is in de zestiger/zeventiger jaren bij grote delen van de bevolking overbodig verklaard.  Tot op grote hoogte zijn de seksuele organen daarbij ‘onttaboeïseerd', wat op zich een gezonde ontwikkeling mag worden genoemd.
Mij lijkt het, dat onze maatschappij daarin nu veel te ver lijkt doorgeschoten. Het ouderwetse woord bandeloosheid - dat als je het hoort het moderne hoofd grinnikend doet afwenden - dekt toch wel heel goed de lading, als je het woord ontleedt: zonder banden, zonder binding.
De schaamte is lastig; als je het hebt moet de therapeut het maar helpen afslijpen. De schaamte is verouderd, hinderlijk. Overal schreeuwt de naaktheid je toe. De naaktheid is een consumptieartikel geworden. Reclame in de media, series op de buis hebben de naaktheid tot middel gemaakt. De verleidelijkheid van het prikkelend naakte helpt de verkoop. Het meest grof is de ongevraagde porno, waarmee je af en toe wordt geconfronteerd. De naaktheid (en met name dus de schaamdelen, die daarin impliciet verwezen of expliciet geprononceerd worden) is schaamteloos geworden. Het sloopt ons gevoel voor maat, onze sensitiviteit voor de waardigheid van de ander en het respect voor de subtiele wegen van de natuur.
Het is tijd om de schaamte weer naar boven te halen.  
Niet door terug te gaan naar de bekrompen wereld van de kleinburgerlijke preutsheid van vroeger, naar de kwezels die met hel en verdoemenis zwaaien. Niet terug naar vroeger, maar naar een herbezinning op en omarming van de authentieke schaamte, die een menselijke behoefte is, die nu verdrongen en met de voeten getreden wordt.

noten (1) Gebruik is gemaakt van enkele passages uit het boek "Eros and the Jews" van David Biale, University of California Press, 1992
(2) Seksualiteit is een begrip dat pas in de 19e eeuw C.E. ingang heeft gevonden
(3) Een uitzondering is de openlijke erotiek, die het Hooglied ( Shir Hashiriem ) uitstraalt. Hier mengt zich op unieke manier eros en devotie.
Eros als genieting op zich laat zich soms wel afleiden uit de verhalen in Tora en Tenach.
De ontroerende ontmoeting van Ja'akov en Rachel bij de put. De lust, die Juda zocht bij de prostituée, die zijn schoondochter Tamar bleek te zijn. De begeerte van David, toen hij de naakte Batsheva zag.

Parashat Shoftiem Dewariem / Deuteronomium 16:18 - 21:9
Zuiverheid van wapenen Korte samenvatting van de parasha

In deze parasha worden belangrijke elementen geleverd voor de ordening van de maatschappij van de in Kenaän binnengetrokken stammen van Israël. Ordeningspunten die ook nu nog altijd spelen: de rechtspraak (het aanstellen van rechters en beambten en de eis van onpartijdig rechtspreken, bewijsvoering, getuigen (minimaal 2), asielregelingen. Heftig veroordeeld worden dwaalwegen: wichelarij, waarzeggerij, tovenarij, afgoderij wordt bestraf met de doodstraf. Alleen op deze plaats noemt Moshé zich zelf profeet. Ook na hem zullen profeten komen. Wie kan je vertrouwen? Een profeet is hij die waarheid spreekt, als het uitkomt wat hij zegt. De Eeuwige voorziet bij monde van Moshé, dat het volk ooit een koning wil, dat is goed dan. Het merendeel van de rabbijnse geleerden ziet er geen mitswa in, maar een concessie aan een lager volksverlangen. Die koning mag niet te veel paarden, vrouwen, goud en zilver hebben (dit heeft Shlomo ha-melech later vergeten). Verleg niet eigenmachtig de grensstenen van een stuk land.
Er staan regels van oorlogvoering in deze parasha; op zich revolutionair is het in dat millennium voor de westerse jaartelling om de barbaarse krijg enigszins aan banden te leggen; het is een combinatie van mildheid (op het gebied van vrijstellingen) en verstandigheid (begin met vredesvoorwaarden alvorens de oorlog te verklaren) en ouderwetse hardheid: de wrede sancties op overwonnen tegenstanders, waar de moderniteit officieel niet meer achter staat (al komen ze ook nu op deze wereld nog iedere dag voor). Een archaïsch ritueel met een maagdelijk kalf wordt voorgeschreven ingeval een dode in het veld wordt aangetroffen zonder achterhaalbare dader.

Terughoudendheid inzake geweld (1)

Laten we eens de bepalingen inzake het oorlog voeren (hoofdstuk 20) wat nader bekijken. In de eerste plaats is er de uitdrukkelijke en concrete verplichting om het land Kena'an te veroveren en de zeven Kena'anitische volkeren volledig uit te roeien (20: 15-18). We missen hier de kompassionele interventie die Avraham ooit deed ten behoeve van de bevolking van Sedom en ‘Amorra. Deze meedogenloze bepalingen zijn nooit zo uitgevoerd. In feite hebben naast de Joden ook altijd andere volken in Palestina gewoond, tot op heden. Overigens is deze opdracht van de Eeuwige alleen nog van historische waarde en dient dit niet meer als model voor oorlogvoering binnen het Jodendom. Een talmoedrabbijn verklaarde al in het begin van de gewone jaartelling de zeven Kena'anitische volken als niet meer te traceren.
Voor ‘gewone' oorlogen geeft deze parasha andere regels, samengevat:.
De oorlog wordt alleen gevochten door moedige en gelovige mannen, die geen andere zaken aan hun hoofd hebben zoals een nieuw huis, een nieuwe wijngaard of een nieuwe vrouw
Er moet altijd eerst een vredesaanbod met bepaalde voorwaarden worden gedaan.
Wordt dit aanbod geweigerd, dan worden de mannen van de tegenstander omgebracht, vrouwen en kinderen gevangen genomen en de stad geplunderd.
Tijdens de belegering van een stad mogen geen vruchtbomen worden omgehakt. Deze bepaling (vers 19) heeft aanleiding gegeven tot een heel ecologisch leerstuk over zorgvuldige omgang met het milieu en tegen verspilling onder de naam Bal Tashchiet (‘vernietig niet'). Zie daarvoor een ander commentaar van mij. In Tora of Tenach zijn geen grondbeginselen aangegeven voor wat een aanleiding voor oorlog (casus belli) kan zijn. Een vluchtige scan door de geschiedenis van rabbijnse commentaren geeft grond voor de het ontwaren van de tendens om voorzichtig en terughoudend met militaire middelen om te gaan.
Isaac Arama (1420–1494) ziet ook in het verbod om in tijd van oorlog vruchtbomen om te hakken aanleiding om te poneren, dat we des te meer ervoor moeten zorgen geen schade en dood toe te brengen aan mensen.
Isaac Abravanel (1437–1508), geeft in zijn commentaar op vers 20:10 drie redenen om een vredesaanbod te doen nog voor het begin van vijandelijkheden, nl: God wenst geen dood en destructie, maar vergeeft wie berouw heeft; de regeerder, die zonder geweld verovert, toont pas macht en grootmoedigheid; het uitbreken van oorlog heeft een onzekere uitkomst en veelal catastrofale gevolgen (2).
Samuel David Luzzatto (Italie, 1800-1865) verklaarde kort en goed, dat de enige toegestane oorlog de verdedigingsoorlog is. Hij zegt over Dewariem/Deuteronomium 20:10-11: ‘De tekst formuleert niet wat een toegestane aanleiding voor oorlog is of dat Israel een oorlog zonder reden mag voeren alleen maar om te roven en buit te maken. Maar de tekst zegt: “wanneer je ten strijde trekt tegen je vijand“, dat wil zeggen, dat je alleen oorlog mag voeren tegen je vijand; het woord vijand betekent niets anders dan degene, die ons wil schaden, dat wil zeggen, die binnenvalt om ons gebied te veroveren en die ons wil beroven'.

‘zuiverheid van wapenen' De moderne tijd kent tegelijk met de ingrijpende en invloedrijke beweging van de Verlichting ook de uitbraak van barbaarse oorlogen. Het Joodse denken verschuift dan ook van een preoccupatie van Israel versus de wereld van afgodendom naar loyaliteit aan wereld van fatsoen en beschaving versus barbarisme en bijgeloof. De verdediging van democratische, liberale en humanitaire waarden kan daarmee een onderdeel van het mainstream Joods gedachtegoed worden. Wat in dat gedachtegoed een belangrijke invloed blijft hebben is de houding van terughoudendheid ten aanzien van geweld en militaire agressie. In de eerste helft van de 20 ste eeuw voelden de seculiere zionistische pioniers (zoals Vladimir Jabotinski) de noodzaak van zelfverdediging en werd de Hagana opgericht. Tegelijk drongen de religieuze leiders in die tijd, met name Avraham Kook, aan op uiterste terughoudendheid ( havlaga ) in het gebruik van geweld en een jongere rabbinale tijdgenoot ging zover, dat hij “zelfs als hij zeker wist, dat we de Uiteindelijke Verlossing zouden teweeg zouden brengen [door het doden van Arabieren] , dan zouden we met alle kracht zo'n ‘verlossing' moeten verwerpen om niet verlost te zijn door bloed”.
De tweede helft van de 20 ste eeuw heeft vele oorlogen op het pad van de nieuwe staat Israel gebracht, grotendeels voortkomend uit de pure noodzaak van lijfs- en landbehoud. Met dat al heeft het concept van terughoudendheid, ooit gesproten uit Tora en Halacha en ondersteund door het seculiere deel van Israel, stand gehouden als fundament van de officiële militaire ethiek. Men noemt dit concept tohar ha-nesheq of ‘zuiverheid van wapenen', wat betekent de eis van minimale toepassing van geweld om militaire doelen te bereiken en het maken van onderscheid tussen combattanten en non-combattanten. Dit is verder uitgewerkt in een officieel ethisch basisdocument van het Israëlische leger (IDF) (3).
In hoeverre deze nobele beginselen ook altijd de praktijk zijn geweest in de operaties van de IDF is een zaak van veel dispuut en onderzoek geweest – met name sinds de Libanonoorlog - en nog. Hoe dan ook , tohar ha-nesheq blijft als toetssteen overeind en dat kan niet gezegd worden van vele andere militaire groeperingen in het Midden-Oosten. Noten
(1) In de volgende alinea's is dankbaar geput uit het artikel van Rabbi Norman Solomon (June 2005): "Judaism and the ethics of war" (PDF). International Review of the Red Cross. Uit dit artikel zijn een aantal passages vertaald, bewerkt en geciteerd.
(2) Het is interessant tegen de achtergond van dit voorschrift en zijn uitleggingen het recente nucleair akkoord met Iran te beschouwen. Is het akkoord voldoende garantie om af te zien van militaire middelen om de vijand Iran onder controle te houden? Lees de verschillende nieuwssites of Ha'arets hierover. Obama zegt van wel: "How can we in good conscience justify war before we've tested a diplomatic agreement that achieves our objectives?". Hij kiest de positieve invalshoek. Democratisch kopstuk en joodse senator Charles Schumer zegt nee en sombert,” It is because I believe Iran will not change, and under this agreement it will be able to achieve its dual goals of eliminating sanctions while ultimately retaining its nuclear and non-nuclear power.”
Netanjahoe heeft helemaal geen vertrouwen in de deal, "The agreement will allow Iran to arm itself with nuclear weapons either after adhering to the agreement for 10-15 years, or by violating it beforehand. In addition, [the deal] will pump billions of dollars to the Iranian terror and war machine, which threatens Israel and the entire world." De IDF zelf geeft de benefit of the doubt :” the accord poses a large number of risks, but also a number of opportunities for Israel's political leadership”.
Ik zou zeggen, de weerstand vanuit het belaagde Israel tegen het akkoord is begrijpelijk, maar Obama lijkt mij toch het meeste kans op een proces naar vrede te bieden en het meest in lijn met het Joods gedachtegoed over maximale benutting van vredeskansen alvorens een oorlog te beginnen .
(3) https://www.idfblog.com/about-the-idf/idf-code-of-ethics/ en zie ook een artikel over deze code van het Shalom Hartman Institute

Parashat Re'é Deuteronomium / Dewarim 11:26–16:17 .
Zegen en vloek

Kort overzicht Het begin van de parashat Re'é (‘Zie, besef') luidt een derde deel in van de grote laatste rede van de oude leider. Moshé houdt het vergaderde volk de grote keuze voor: Enerzijds de zegen, als het volk de geboden volgt en met name geen afgoden dient. Anderzijds is er de vloek als het volk afdwaalt van de geboden. Verder gaat de parasha over de centralisatie van de eredienst op één plaats (dat werd Jeruzalem), bepalingen rond slachten en vlees eten, tienden, de valse profeet ( navi sheker ), het shemieta-jaar, de vrijlating van de slaaf, het ten offer aanbieden van de eerstgeborenen van de kudde en ook de drie pelgrimsfeesten (Pesach, Shawoeot en Soekot) passeren weer de revue.

Is de zegen een beloning achteraf of een gegeven toestand vooraf? De parasha begint met de grote keuze: (Dewarim 11:26-28 ) Zie, ik houd u heden zegen en vloek voor: de zegen, als jullie luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, die ik jullie heden gebied; de vloek, als jullie niet luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, en van de weg die ik jullie heden gebied, afwijken om achter andere goden aan te gaan, die jullie niet kennen. De mens heeft een vrije wil, impliceren deze woorden. Wie luistert naar de geboden en ze in praktijk brengt wordt de zegen beloofd en wie niet luistert, roept de vloek over zich af. De keuze is aan de mens. De rabbijnse uitleg van deze tekst weet nog een belangrijke verduidelijking aan te brengen over de vraag of de wereld aanvankelijk slecht is en verlost moet worden door 's mensen goede daden of dat de wereld aanvankelijk goed is en dat ongeluk en ellende door de daden van mensen in de wereld worden gebracht. (1) Voor die uitleg moeten we in het Hebreeuws duiken en ik nodig je graag uit daar even voor een keer mee te gaan. We zullen zien, hoe twee voegwoorden – en hun vertaling - een groot verschil kunnen maken. We gaan naar de regels 27 en 28: de zegen, als als jullie luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, die ik jullie heden gebied; de vloek, als jullie niet luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, etc Wat de tekstlezers is opgevallen is dat het woordje ‘als' in deze regels in het Hebreeuws twee verschillende woorden zijn. Het eerste als is in het Hebreeuws ‘ asher ', dat eigenlijk gewoon ‘dat' betekent, het tweede als is in het Hebreeuws ‘ im ', dat ‘indien' betekent.
Heeft dat verschil enige betekenis?
De 19e eeuwse commentator Malbim (2) vindt dat inderdaad en hij legt uit, dat "Een zegen, dat je gehoorzaamt”, inhoudt dat juist die gehoorzaamheid aan het goddelijke voorschrift alleen al de zegen uitmaakt. ‘Denk niet', zegt deze leraar, ‘dat er een beloning in deze wereld bestaat buiten de daad zelf. Het lijkt niet op de meester die zijn slaaf beloont voor zijn trouw en straft voor zijn ongehoorzaamheid, zodat het loon van de slaaf afhangt van de grillen van zijn meester en niet in de handeling zelf zit. Het lijkt meer op de dokter, die zijn patiënt verzekert, dat het goed met hem zal gaan, zolang hij zich houdt aan het voorgeschreven regime en dat hij anders zal sterven. De gevolgen liggen besloten in de daad zelf'.
Het indien van ‘im' bij de vloek is veel voorwaardelijker gesteld. Het ‘asher' bij de zegen is niet zozeer voorwaardelijk maar meer een feit.

Deze duiding wordt ondersteund door de korte verhelderende opmerking van de middeleeuwse bijbelcommentator Rashi (3) bij die tekst over de zegen, ‘een zegen, dat je gehoorzaamt' noteert: Et ha-beracha: al menat asher tisjme'oe . Wat ongeveer neerkomt op: ‘De zegen: op grond van dat zij luisteren'
Hoe zou je al menat kunnen vertalen? Misschien met ‘on account of' of in het Nederlands ‘op grond van' of ‘in verband met'
Dat betekent, dat je aan het ‘on account of 'of het ‘op grond van' een terugwerkende kracht kan toekennen. Vergelijk enerzijds : ‘Ik betaal je uit, indien je een bepaalde taak hebt verricht' betekent een verplichting tot uitbetaling achteraf, na de gedane taak. En anderzijds : ‘Ik betaal je uit op grond van – of in verband met – een taak die je voor mij verricht', dat kan betekenen, dat ik verplicht ben je vooraf te betalen.
Nu komen we weer terug op ‘Een zegen, dat je gehoorzaamt'. Door de verfijning van het woord ‘asher' (‘dat, op grond van') kunnen we het zo interpreteren, dat die zegen de mens al gegeven is voordat hij zijn gehoorzaamheid aan de Goddelijke richtlijnen heeft vervuld.
Want de wereld is gegrond op divine genade. (4) Aan het einde van de scheppingsdagen ‘zag de Eeuwige alles wat Hij had gemaakt en zie, het was heel goed' (Bereshiet 1:31).
Die wereld werd aan de mens geschonken om ervan te genieten en om er te leven volgens de hem gegeven richtlijnen. De vloek – de rampen, oorlogen, misstanden, ellende - komen achteraf als nasleep van de afdwaling van de mens. Eenvoudig een kwestie van oorzaak en gevolg.
Dat betekent, dat de wereld niet van nature vol ongeluk en ellende is. Het goede van de wereld is de oorsprong en die oorspronkelijke goedheid is niet verloren gegaan maar ligt in principe voor de mensen klaar en kan weer worden teruggebracht. Het ongeluk, de ellende en de lelijkheid zijn het gevolg van menselijk toedoen, het is de vloek, ‘indien jullie niet luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, en van de weg die ik jullie heden gebied'.
Zoals wij zingen in de eerste voorbede van het dagelijkse ochtendgebed, het Shema: ‘Hoe talrijk zijn uw werken, Eeuwige; Alles hebt u met wijsheid gemaakt' (psalm 104: 24) Ma raboe ma'asecha, Hashem, koelam be-chochma asita. noten

(1) Richtlijn voor dit commentaar is geweest het commentaar van Nechama Leibowitz of haar Studies in Devarim, WZO, 1980
(2) De Malbim : Meïr Leibush ben Jechiel Michel Wisser (1809 –1879), bekend onder het acronym Malbim, was een specialist in de Hebreeuwse grammatica en bijbel commentator
(3) Rashi, Rabbi Shlomo Yitzchaki, bekend onder zijn acronym Rashi (Februari 22, 1040 – Juli 13, 1105), was een middeleeuwse rabbijn en commentator van Tora en Talmoed en als zodanig hogelijk gewaardeerd
(4) Rabbi Jochanan (overleden plm. 279), een rabbijn in de eerste jaren van de Talmoed, komt met deze zin uit de klaagliederen (3:38): Uit de mond van de Allerhoogste komt niet het kwaad noch het goede en noteert: ‘maar het kwade komt uit zichzelf naar de mens die kwaad doet en het goede naar de mens die goed doet'. Dat gaat meer in de richting van een amorele voorwereld. Het is mijn persoonlijke overtuiging dat we niet blanco ter wereld komen. We zijn geen tabula rasa. We zijn ook niet gepredestineerd. En evenmin inherent slecht of goed. Wel is in ons ieder geplant het zaad van het verlangen naar het goede, dat wil zeggen een verlangen naar ontplooiing van onze competentie en van ontvouwing van het primaire verlangen om – ieder op zijn specifieke manier – goed te doen aan medemens, groep en samenleving. Dit is voor mij de jetser ha-tov . Geleidelijk ontkiemt zich – natuurlijk in een relationeel proces met ouders, omgeving – het zaad van de jetser ha-tov. Natuurlijk worden daarbij vele hindernissen ondervonden. Sprookjes, mythen en ook de aggadische vertellingen uit Tora, Talmoed en midrash zijn daar vol van. De reis van het leven gaat soms door barre landen.

Parashat Ekev Deuteronomium / Dewarim 7:12–11:25
Een veeleisende God

Korte samenvatting van de parasha In de parashat Ekev zet Moshé zijn lange laatste toespraak tot de Bené Jisrael voort. De spreker houdt het volk een God voor die het volk met machtige daden beschermt, liefheeft, vruchtbaarheid van mens, land en vee bevordert, het volk oproept niet bang te zijn, vijanden op de vlucht jaagt en vele andere zegeningen teweeg brengt. Maar die ook voortdurend waarschuwt geen afgoden te dienen en de geboden in acht te nemen, dat is de absolute voorwaarde voor de welvaart en overwinningen, die Hij bij monde van Moshé in het vooruitzicht stelt. De oude leider roept de herinnering op aan de lange woestijnreis , waar er vele beproevingen zijn geweest van honger en dorst, maar dat waren toetsen om te leren, dat niet door brood alleen de mens leeft maar ook de redding van zijn machtige Schepper nodig heeft. Waak voor hooghartigheid en overmoed houdt Moshé zijn mensen voor, want alle rijkdom valt je toe uit de hand van de Ene.
De spreker schildert nog eens de gebeurtenissen op en rond de Sinaj. De machtige stem uit het vuur, de stenen platen, de grote zonde van het gouden stierkalf, de woede van de Eeuwige, Moshé's uiteindelijk effectieve smeekbeden het volk te sparen. Ook andere voorbeelden van verkeerde daden, van de woede van de Eeuwige, maar ook van wonderdaden van uitredding haalt Moshé op, dit alles om het volk in te prenten om de goede weg te volgen van ontzag voor de Ene en het houden van de geboden. Aan het slot van de Parasha keert Moshé terug naar de beschrijving van het land, dat de Israëlieten op het punt staan te betreden, het land, dat vruchtbaar zal zijn en op de juiste tijden beregend zal worden, maar: de hemelpoorten zullen worden gesloten en geen regen zal er meer vallen, als het volk afdwaalt en andere goden gaat dienen. Deze laatste passages (Dewarim 11:13-21) zijn deel uit gaan maken van het Shema gebed als de tweede alinea daarvan.

De boodschap van het Jodendom en de bron van antisemitisme

Deze parasha Ekev is representatief voor de aard van de God van de Tora, die monotheïsme paart aan een tot op dan ongekende opdrachten om als volk en als individu boven zichzelf uit te stijgen tot bijna onhaalbare volmaaktheid. Deze strenge maar rechtvaardige God, die geen andere goden naast zich duldt, maar ook geen tastbare zichtbaarheid in beeld toestaat legt bij monde van Moshé de lat voor de onvolkomen mens bijzonder hoog, niet alleen en zozeer in ritueel opzicht, maar vooral ook in ethisch opzicht. Neem alleen al 'Heb uw naaste lief als uzelf'. De invloed van deze God van Israel op de religieuze praktijk en cultuur rond de Middellandse Zee en Europa in de eeuwen tot op de dag van vandaag is niet te onderschatten. Dat geldt zeker als we het christendom meetellen, het christendom, dat door Paulus en de latere kerkvaders flink wat concessies deed aan het monotheïstisch ideaal , door meer picturale permissies (de drie-eenheid, de figuur van Christus, Maria, de heiligen) maar wel veel van de ethische geboden en psychische attituden om de eigen driften en belangen niet centraal te stellen van het Jodendom overnam (we zien dus even af van het antagonisme tussen Jodendom en christendom).

Heinrich Heine, George Steiner, Abel Herzberg


Vele schrijvers zien in de eis om een nergens visueel bespeurbare God te aanvaarden en daarmee ook de opdracht om een ideaal van beteugeling van driften, impulsieve verlangens en eigenbelang te verwezenlijken als enerzijds het unieke en revolutionaire van de missie van het Jodendom, maar anderzijds ook als de bron van het lot van het Joodse volk om als object van haat en vervolging te fungeren. Hun redenering is niet zozeer een historische, culturele of sociale (hoewel die ook hun gelding hebben), maar een meer theologische poging het antisemitisme te benaderen. De algemene trend van hun redenering:
De last die de Tora aan de (Joodse) mens oplegt is een te zware, zeg maar voor het grote merendeel een onhaalbare. Steeds dringt de drang tot uitleving van de alledaagse verlangens, de drang om met desnoods met geweld de onmiddellijke eigen behoeften te bevredigen. Die drang te beteugelen en in dienst te stellen van een hoger streven is een zware taak. Het gevaar, dat na lange onderdrukking van ‘de heiden in ons' deze op een bepaald moment losbreekt is groot, zo niet haast statistisch voorspelbaar. Moshé zelf besefte dit al, hij houdt niet op het volk te bezweren die last op zich te nemen en niet te vervallen tot de afgoden van de heidenen; tegelijk voorziet hij het grote falen al aankomen, Dew/Deut. 4:27-28: De Eeuwige zal u uiteenjagen en u wegvoeren naar vreemde volken, waar maar een klein aantal van u zal overblijven. Daar zult u dan andere goden vereren, goden van hout en van steen, door mensen gemaakt, goden die niet kunnen horen en zien, niet eten en niet ruiken.
Het Christendom nam deze beteugelende taak van het Jodendom in zijn eigen vormen over, maar slaagde er niet in de ‘heidense' verlangens naar botviering van de eigen driften en de viering van geweld (en de bijbehorende mythen) uit te wissen. Ze leidden lange tijd een broeirig bestaan in het halfbewustzijn, waarin een schuldig besef van tekortschieten zich paarde aan wrok tegen de dictatuur van een opgelegde en onhaalbare ethiek.

De broodkatholieke Joodse schrijver Heinrich Heine besefte al in 1834, dat deze spanning ooit tot een uitbarsting moest komen. ‘ Christendom - en dat is zijn beste verdienste - heeft deze brutale Germaanse vechtlust tot op zekere hoogte gestild, vernietigen kon hij het niet, en als eenmaal de temmende talisman, het kruis, breekt, dan laait weer de wildheid van de oude krijgers op, de zinloze razernij, waarvan de noordelijke dichters zoveel zingen en spreken. Die talisman is broos geworden, en komen zal de dag dat hij jammerlijk breekt. De oude stenen goden stijgen dan op uit het puin en wrijven zich het duizendjarig stof uit de ogen en uiteindelijk springt Thor met zijn gigantische hamer op en breekt de gotische kathedralen (1)

De veroorzaker van en schuldige aan al deze onaangename spanningen was niet ver te zoeken. Hij stond al eeuw in eeuw uit klaar: de Jood. George Steiner zegt - in zijn weidse, controversiële cultuuranalyse (2) - onomwonden: ‘ Er lag een gemakkelijkere wraak voor de hand , een eenvoudiger manier om de eeuwen van mauvaise foi goed te maken, eeuwen van onderbewuste maar pijnlijke wrok tegen het onbereikbare ideaal van de ene God . Door het doden van de Joden , zou de westerse cultuur hèn uitroeien, die God had " uitgevonden", die hoe gebrekkig en weerspannig ook Zijn ondraaglijke Afwezigheid hadden bekendgemaakt.
De Holocaust is een reflex, heftiger naarmate langer onderdrukt, van natuurlijke zintuiglijke gewaarwording, van polytheïstische. instinctieve en animistische behoeften. Hij getuigt van een wereld, die zowel ouder als nieuwer is dan Nietzsche'. Gelijke geluiden laat Abel Herzberg horen in zijn vlak na de oorlog verschenen prachtige bundel ‘Amor Fati' in het gelijknamige essay (3). Hij zegt o.a.: ‘Want het doel van Hitler bestond in het afschaffen van de beschavingsfactor, die door het jodendom in de wereld was gebracht en met het christendom door Europa was aanvaard. Zijn ideale mens was niet zozeer de Germaan, als wel in het algemeen de mens zoals hij was, voordat hij voor de eerste maal (voor zover wij ons tenminste historisch bewust zijn) door de monotheïstische idee aan banden was gelegd. Daarom had hij ook groot gelijk wanneer hij beweerde, dat er geen groter tegenstelling bestond dan tussen nationaal-socialisme en jodendom'.
De 'heiden' in de mens verlangt zijn vrijheid terug en haat daarom de Jood die hem gebonden heeft. 'De heiden haat de Jood omdat de christen hem knevelt.'
De ‘heiden' is te vinden in ieder mens, atheïst, christen, moslim, ook in de Jood, ook in jou en mij. Herzberg: ‘Hij wacht, als een huurling in reserve, totdat er op een goede dag een doffe roffel wordt getrommeld, die hij zich herinnert uit de dagen zijner vrijheid. Dan treedt hij aan de dag met zijn onbedwingbaar heimwee naar het oerwoud, waarvan hij zulke schone mythen te vertellen weet. Zijn gastheer luistert en geeft toe'.

De twee tegenpolen hebben elk hun eigen rol. Het antisemitisme wordt een primitief verlangen terug te keren naar een amoreel bestaan, een onbeteugeld driftleven. Het Jodendom wordt het verlangen naar moraal, beschaving, zelfoverwinning. Het zijn twee tegenstrijdige verlangens die in elk mens leven, ongeacht geloof of wat dan ook, en die ten eeuwigen dage in gevecht zullen zijn. Dat te beseffen is amor fati. De Jood beseft de hem toegevallen rol in de geschiedenis en aanvaardt hem steeds weer. Voor mij betekent dat allerminst apathie, maar steeds weer een positieve stellingname met kracht. Het werk is nooit voltooid, maar je mag je er ook niet aan onttrekken.

noten (1) Heinrich Heine uit: Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland (2) George Steiner In: Bluebeard's Castle. Some Notes Towards the Redefinition of Culture (2)

(3) Abel J. Herzberg, Amor fati, 1946

Parashat Wa'etchanan Dewariem / Deuteronomium 3:23-7:11
Een schurk op gezag van de Tora Korte inhoud

Na de inleidingen van Moshé in de eerste parasha van het boek Dewariem begint in de tweede parasha Wa'etchanan de eigenlijke wetgeving. Vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4:1,4:44, 5:1 ), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid.
Als prelude klikt het verzoek van Moshé om toch mee de Jordaan over te mogen steken, wat de Eeuwige niet toestaat, maar wel mag hij het Cis-Jordaanse landschap, dat hij nooit zal betreden, aanschouwen van de bergtop van de Pisga (1).
Dan volgen een aantal fundamentele teksten, met als hoogtepunt de Tien Woorden in een in detail afwijkende versie van Exodus 20. Ook de tekst van het Shema – het centrale dagelijkse Joodse gebed - is hier te vinden en de regels op grond waarvan de geboden om gebedsriemen (tefillin) te gebruiken en om mezoezot aan de deurpost te slaan zijn gebaseerd. De oude leider voorziet overigens al, dat ooit zijn volk in de fout zal gaan en verstrooid zal worden onder vele volken. Maar dan zal zult u daar de Eeuwige, uw God, zoeken en u zult Hem vinden, als u Hem met heel uw hart en met heel uw ziel zoekt (4,29). Tenslotte verbiedt de Eeuwige exogamie en laat hij bij monde van Moshé even het nobele ethische standpunt varen en laat Hij zijn oude stammengodgezicht zien in het gebod om de zeven Kena'anitische volken te doden (7:2, of met de ban staan, de vertalingen verschillen) of vernietigen/doden (7:16, in de volgende parashat Ekev), wat trouwens nooit zo is uitgevoerd.

Voorbij aan de maat van het recht

Een van de vele aansporingen om de voorschriften te volgen, die in deze parasha te vinden zijn bevat een aantal woorden, die aanleiding zijn geweest tot het destilleren van een belangrijk beginsel in de praktische toepassing van die voorschriften. Dat beginsel wordt gevonden in uit Dewariem/Deut. 6:17-18   Leef de geboden, de bepalingen en de wetten die de Eeuwige, uw God, u heeft voorgehouden, zorgvuldig na en doe wat recht en goed is in Gods ogen.
Dat laatste doe wat recht en goed is in Gods ogen , omvat dat nu alle in de Tora gegeven regels of is dat nu een heel nieuwe en zelfstandige bepaling? Dat was de vraag, waar geleerden uit alle eeuwen mee bezig zijn geweest.
De gezaghebbende middeleeuwse bijbelcommentator Rabbi Shlomo ben Jitschak (Rashi, 11 e eeuw) vindt het laatste: het is een nieuwe bepaling. Rashi zegt: Recht en goed, dat betekent een compromis, handelen voorbij aan de strikte eisen van de wet. ‘ zè peshara, lifniem mishoerat ha-dien ' . Dat is het principe , lifniem mishoerat ha-dien, voorbij aan de maat van het recht.
Nachmanides (13 e eeuw) is het daarmee eens en licht verder toe. ‘Tora schrijft vele richtlijnen voor. Je kunt je daar in alle details aan houden, aan de voedselwetten, aan de huwelijkswetten etcetera en je toch als gulzigaard te buiten gaan aan voedsel en drank en je vrouw slecht behandelen. Je bent dan een ‘ naval bi resjoet ha-Tora ', een schurk op gezag van de Tora.' Je houdt je keurig aan alle regels, je kan zelfs met je vroomheid te koop lopen, maar bent in feite een grote egoïst. Waar gaat het nu om? Dat je ook op dat enorme gebied, waar de Tora of het recht geen gedragsregels of richtlijnen geven je toch handelt in de geest van de Tora. Soms is het zelfs nodig om af te zien van de regels en rechten die de Tora of het recht je formeel geven, als ze leiden tot onrechtvaardigheid of onmenselijkheid. Soms doe je meer dan de Tora vraagt, soms vraag je minder dan de Tora toekent.
Anekdote uit Talmoedische tijd:  Rav Safra had een hoeveelheid wijn te koop en een potentiele koper kwam langs, net toen hij het Sjema zei. De koper zei: ik bied zo en zoveel, maar Rav Safra wildezijn gebed niet laten onderbreken en bad door. De koper, kennelijk een niet-jood, dacht dat zijn bod werd afgewezen, dus hij deed een hoger bod. Dat ging zo nog een tijdje door, het bod werd steeds hoger.  Toen Raf Savra klaar was met zijn gebed, zei hij: ‘Al bij je eerste bod besloot ik, dat ik dat aanvaardde, dus meer dan dat mag ik niet nemen'. ( Sheiltot Vayehi , No. 38)(2)
Rabbijn Yehuda Aschkenasy z.l. omschrijft in zijn afscheidscollege als hoogleraar: lifniem meshoerat hadien , naar aanleiding van een andere anekdote uit de Talmoed (Bava Metsia 83a): ‘“Rabba bar bar Chanan gebeurde het dat sjouwers [door onvoorzichtigheid] een vat wijn aan duigen lieten vallen. Hij nam bun kleren in beslag [om daarmee de prijs van de wijn vergoed te krijgen]. Men ging Rav vertellen wat bij gedaan bad. Die zei hem: geef ze bun kleren terug. Hij wierp tegen: Is zo de wet?! Hij antwoordde: la, want er staat (Spr. 2,20): opdat je gaat in de weg van de goeden. Hij gaf bun hun kleren terug. Ze zeiden hem: We zijn arm en we hebben de hele dag gesloofd en we zijn hongerig en hebben niets. Daarop zei Rav tegen Rabba bar bar Chanan: Ga en geef ze hun loon. Hij wierp tegen: Is zo de wet?! Hij antwoordde: ja, want de tekst gaat aldus verder: En hoedt de wegen van de rechtvaardigen”. Rav besliste aldus, ook al is heel goed vol te houden dat de sjouwers door hun onvoorzichtigheid aansprakelijk waren en misschien niet langer recht hadden op loon. Het verhaal wil zeggen dat van ons meer gevraagd wordt dan we strikt volgens bet recht verplicht zijn. De Talmoed duidt dat aan met de uitdrukking lifniem meshoerat ha-dien, dat wil zeggen: dat we bet strikte recht steeds moeten duiden naar de actuele situatie. Het komt erop neer dat ik tot meer verplicht ben dan de ander en dat de ander meer van mij mag vragen dan ik van hem. De Frans-Joodse filosoof Levinas noemt dit de asymmetrische verantwoordelijkheid. In de woorden van de zojuist besproken tekst: opdat we 'doen wat goed en recht is in Zijn ogen'. Antropocentrisme en theocentrisme vallen dan samen' (3)
Marcel Poorthuis haalt in het herdenkingsnummer rond Yehuda deze passage aan en redeneert hierop door: ‘Er is iets bijzonders met dit beginsel van Lifniem mishoerat ha-dien aan de hand. Geldt de wet voor allen, het beginsel van lifniem mishoerat ha-dien kan niet worden afgedwongen, het spoort ieder individu persoonlijk aan om zijn verantwoording te nemen in iedere concrete situatie, om meer te doen of te laten dan waartoe hij juridisch of volgens de wet verplicht is. Deze rabbijnse ethiek en de Bergrede ademen dezelfde sfeer; beiden houden een correctie in op het idee, dat ik mag doen wat ik wil, zolang ik de ander niet schaadt. De ander is dan slechts een stoorzender van mijn vrijheid. Het gaat er dan om mijn medemens te zien als constitutief voor mijn vrijheid en niet als een bedreiging'. (4)
Hoe belangrijk dit principe al werd gevonden in het begin van de gangbare jaartelling, blijkt uit het gezegde van de alom gerespecteerde Talmoedgeleerde Rabbi Jochanan (3 e eeuw), dat Jeruzalem alleen maar verwoest was, ‘ omdat de joden (strikt) handelden volgens de letter van het recht (Tora) en niet voorbij wilden gaan aan de maat van het recht' (Bava Metzia 30b).(5)

noten

(1) Over de smeekbede van Moshé zie een ander commentaar van mij
(2) De casus van Rav Safra is uit de website My Jewish learning
(3) Rabbijn prof. Y. Aschkenasy: Herorientatie van de theologie, een doorgaand leerproces, openbaar afscheidscollege, 1989
(4) prof. Marcel Poorthuis: Binnen de maat van het recht, in: Tenachon, augustus 2012
(5) Mogelijk klinkt een echo van dit beginsel door in Mattheüs 5:20: Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan die der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan. Weliswaar worden al die schriftgeleerden en Farizeeën hier wel op een hoop gegooid volgens de anti-Joodse strekking van dit evangelie, Maar de strekking is conform Dewariem/Deut. 6:17-18  dat louter formeel vroomheidsgedrag allerminst voldoende is.

RC juli 2015

Parashat Dewariem Dewariem / Deuteronomium 1:1–3:22
De week van Tisha be-Av, katastrofe en veerkracht

Het boek en de parasha Dewariem

Dewariem is het vijfde en laatste boek van de Tora. Soms is wel gesproken over een Tora van vier boeken, een ‘tetrateuch' in plaats van een ‘pentateuch' en Dewariem is dan een tweede Tora; dat betekent de naam ook eigenlijk: Deuteronomium = tweede wet. Dewariem is ook wel genoemd Mishné Tora = herhaling van het onderricht. Inderdaad, qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische, een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden vergaderd.
Dewariem is ook de naam van de eerste parasha van het boek Dewariem, naar de eerste woorden, die luiden: “Dit zijn de woorden, ‘ eileh ha-dewariem' , die Moshé etc.” De parasha begint haar verhaal op het moment, dat het volk van Israël na ruim veertig jaar omzwerving gelegerd is bij de Jordaan, klaar om de rivier over te steken. Moshé beklimt als het ware het spreekgestoelte en begint met een terugblik op de afgelopen veertig jaar. In een ander commentaar ga ik daar verder op in.

Tisha be-Av, de negende van de maand Av

Waar in de parasha Dewariem Moshé erugblikt op veertig jaar reizen door de woestijn, kijken wij nu terug op drieduizend jaar reizen door de tijd; in deze week valt de rouwdag, die een aantal grote rampen in drie milennia herdenkt, Tisha be-Av, de negende van de Joodse maand Av . Tisja be-Av is een rouw- en vastendag – dit jaar valt het vasten op zondag 26 juli, aangezien op shabbat niet wordt gevast. De voorschriften zijn dezelfde als die voor Jom Kippoer. Naast niet eten en drinken ook niet wassen of leren schoenen dragen.
Vele tragische gebeurtenissen in de afgelopen drieduizend jaar vonden plaats in de maand Av (plm eind juli-augustus) en de overlevering heeft de negende dag gepind als de dag waarop dit alles plaats vond. Laten we deze rampzalige gebeurtenissen eens de revue passeren middels een aantal getuigenissen uit vroeger tijden. Op de negende Av besloot – volgens de Oude Wijzen - de Eeuwige, dat de Israelieten veertig jaar in de woestijn moesten blijven alvorens het beloofde land te mogen binnentrekken, dit als gevolg van de zonde van de verspieders (1) Op de negende Av werd eerste Tempel   verwoest, 586 voor de gewone jaartelling .
Jeremia (Jirmejahoe) vertelt (2): ‘Op de tiende dag van de vijfde maand, in het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babylonië, trok diens vertegenwoordiger Nebuzaradan, de commandant van zijn lijfwacht, Jeruzalem binnen. Hij stak de tempel van de Eeuwige in brand, en ook het koninklijk paleis en alle andere huizen van Jeruzalem; alle huizen van de welgestelden gingen in vlammen op. Het Chaldese leger, dat onder zijn bevel stond, haalde de stadsmuren van Jeruzalem neer. De mensen die nog in de stad overgebleven waren, onder wie de armen, werden door commandant Nebuzaradan als ballingen weggevoerd, evenals degenen die naar de koning van Babylonië waren overgelopen en de overgebleven handwerkslieden. Slechts de allerarmsten liet hij achter om voor de wijngaarden en akkers te zorgen.

De tweede Tempel werd verwoest, 70 in gewone jaartelling .
In de Joodse oorlog van het jaar 70 in gewone jaartelling bereikt de Romeinse generaal Titus de Tempelberg. Op de 9de Av wordt de Tempel vernietigd. De geschiedschrijver Josephus beschrijft de vernietiging van de Tempel: ‘Terwijl de Tempel in brand stond, werd er van alles geplunderd en tienduizenden die werden gepakt werden afgeslacht; iedereen werd afgeslacht ongeacht leeftijd, kinderen en oude mannen...en priesters, allen werden op dezelfde manier afgeslacht. Er was geen medelijden voor leeftijd, geen respect voor rang; kleine kinderen en oude mannen, leken en priesters allenl werden afgeslacht; elke bevolkingsgroep zat geklemd in de ijzeren greep van de oorlog, of ze zich nu verdedigden of schreeuwde om genade'.
In de Talmoed wordt gevraagd: ‘waarom werd de Tweede Tempel verwoest, waar toch Tora werd geleerd, mitzwot werden gedaan en goede daden? Het antwoord: Omdat er binnen redeloze haat (" sinat chinam ') was' (3).
Een dergelijk uitspraak is ook te vinden in het Tweede Testament, waarin Jezus voorzegt over Jeruzalem: Want er zal een tijd komen dat je vijanden belegeringswerken tegen je oprichten, je omsingelen en je van alle kanten insluiten. Ze zullen je met de grond gelijkmaken en je kinderen verdelgen, en ze zullen geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend.' (4)

Betar, het laatste fort dat de Romeinen weerstond tijdens de opstand van Bar Kochwa viel op 9 AV in het jaar 135 .
De Joden, geprest door de onbarmhartige verboden van keizer Hadrianus – o.a. om te besnijden – en zijn plan om een Romeinse tempel op de plaats van de in 70 verwoeste tempel te bouwen, waren in het jaar 132 een nieuwe oorlog begonnen onder militaire leiding van Shimon bar Kochwa en onder spirituele leiding van Rabbi Akiva. Ruim twee jaar was er even weer een Joods Rijk, van 133 tot 135. Shimon bar Kochwa werd door velen als Mashieach gezien en hij kreeg de titel ‘nassi', vorst. Maar de Romeinen rukten ten slotte met overmacht op en belegerden het hoofdkwartier en laatste toevlucht van Bar Kochwa, het fort Betar. Dat werd, zo wil de overlevering op 9 Av 135, ingenomen. Duizenden en duizenden Joden werden door de Romeinse legers afgeslacht. Rabbi Akiva werd gekruisigd.
De Talmoed geeft nog een echo van de verschrikkingen: ‘Rabbi Zera zei in de naam van rabbi Abbahu, die rabbijn Jochanan citeerde: “Dit zijn de tachtigduizend strijdtrompetten, die in de stad Betar waren verzameld toen de stad werd ingenomen en mannen, vrouwen en kinderen werden gedood, zodat hun bloed in de grote zee stroomde. (Denkt u dat het vlakbij was? Het stroomde zes kilometer ver)”' en ‘(…) In een baraita (uitspraak buiten de Mishna) is onderwezen: ".. zeven jaar lang hebben de Romeinen hun wijngaarden bevrucht met het bloed van Israël zonder mest te gebruiken'”(5)
Een jaar na de val van Betar werd het gebied van de Tempel omgeploegd , de voorzegging van de profeet Micha waarmakend: 'Daarom, door jullie toedoen, zal de Tsion als een akker worden omgeploegd, zal Jeruzalem een ruïne worden en de tempelberg een overwoekerde heuvel' (6).
Tot nu volgen wij de opsomming van deze gebeurtenissen zoals die als de te herdenken rampen op 9 Av wordt gegeven in de Talmoed, die niet lang daarna is opgetekend,(7). Wij vullen nog aan: In 1492, vaardigde Koning Ferdinand van Spanje het besluit uit dat de Joden het land moesten verlaten met de negende Av als uiterste datum,
Historicus Simon Schama geeft verslag: ‘Totdat de nieuwigheid eraf was, kwamen mensen van hun huis of hun akkers om in rijen langs de weg of het pad te kijken naar de lange stoet mensen, die zo goed en zo kwaad als het ging in de verzengende hitte van de Spaanse zomer naar de kust en de Portugese grens liepen. Deze keer werden de Joden niet achtervolgd door kreten van haat en dood, zoals in de tijd van de onlusten, maar trokken ze voort in een gelouterde, verbaasde stilte. Zelfs een verbitterde judeofoob als de priester Andres Bernaldez was onverwacht aangedaan, niet het minst door de waard igheid en kracht van zovelen onder de beproeving.
Ze trokken over de wegen en door de velden [...] moeizaam en met veel tegenslag. Mensen vielen en stonden weer op, gingen dood en werden geboren, nog anderen werden ziek en er was geen christen die geen mededogen met hen voelde, en waar ze ook gingen, smeekten (de christenen] hen om zich te laten dopen, en sommigen bekeerden zich in hun ellende en bleven, maar dat waren er heel erg weinig, en de rabbijnen spraken hun voortdurend moed in en gelastten de vrouwen en meisjes te zingen en op de tamboerijn te spelen om de mensen op te vrolijken.' (8)

De Eerste Wereldoorlog , waarmee het neerwaartse proces naar de Shoa inzette, begon op Tisha be-Av
Een persoonlijke getuigenis (9): ‘Hetwas op de dag van 9 Av - Tisj'a be'Av - de dag waarop er getreurd wordt om de verwoesting van de tempel te Jeruzalem. Met grote "koppen" brachten de kranten het bericht dat de Russen samen met Engeland en Frankrijk aan Duitsland en Oostenrijk de oorlog hebben verklaard. De rouw om de verwoesting van de tempel veranderde ineens in een grote verontrusting over wat ons, Joden, in Rusland en in Polen nu te wachten stond. Want de ervaring had ons geleerd dat bij elke wijziging van de situatie de Joden het slachtoffer ervan werden. En inderdaad brachten de eerste berichten over de overwinningen die de Duitse troepen op de Russen behaalden, een golfvan ellende over de Joden in Polen. Uit de kleinere plaatsen werden de Joden verdreven met achterlating van al hun bezittingen. Vooraanstaande Joden werden door de Russen als gijzelaars gevangen genomen, waarvan velen zonder enige vorm van proces doodgeschoten of opgehangen werden. De smadelijke nederlagen van de Russische legers werden op de Joden gewroken. De grote steden, zoals Warschau en Lodz, kregen een stroom van vluchtelingen te verwerken. Want alleen omdat het ondoenlijk was de honderdduizenden Joden uit de grote steden op de vlucht te jagen mochten deze blijven. Maar de Russische overheid legde aan hen zware "brandschattingen" op. Om de paar weken kwam er een nieuwe order om millioenen roebels te betalen, zogenaamd vanwege de sabotage door de Joden gepleegd. Aan de Joden werd ten laste gelegd da1 zij de militaire telefoondraden doorknipten en meer van dat soorl lasterpraatjes. Honderden joodse jongelui boden zich aan als vrijwilligers om dag en nacht wacht te lopen en te letten op de telefoondraden dat zij niet doorgeknipt zouden worden. Het bleken uit de duim gezogen praatjes te zijn, die alleen maar ten doel hadden om de Joden te vernederen en hen te dwingen geld op te brengen voor het Russische oorlogsapparaat.
In de wintervan 1915 hadden de Duitse troepen heel het Russische deel van Polen veroverd en bezet. Na een drieweekse belegering veroverden de Duitse troepen ook Lodz.

Veerkracht

Deze selecte bloemlezing van katastrofes vindt een tegenhanger in een mogelijke lijst van voorbeelden van de enorme veerkracht van het Joodse volk om zich na en ondanks alle vervolgingen weer op te richten en nieuwe plekken te creeeren waar volgende generaties konden leven en zelfs tot nieuwe bloei komen. Mijn eigen voorouders vonden na 1492 een nieuw thuis in Italie, in Florence, waar Moïse Cassuto – weliswaar in het getto – een bloeiende juwelenhandel heeft opgezet. Niet in de slachtoffer modus blijven steken, maar zonder het verleden te vergeten altijd weer de toekomst ingaan met oog voor nieuwe mogelijkheden, is het motto.
Niet in de laatste plaats noem ik het wonder van de staat Israel, waar berooiden uit Europa, Afrika en Azie na de Tweede Wereldoorlog samen met de pioniers van voor die oorlog een moderne natie hebben gesticht. Een moderne natie, zoals alle andere naties, met alle deugden en ondeugden vandien; niet altijd hebben de vaak ongelooflijk dapperen acties om temidden van een harde en hatende omwereld te overleven de schoonheidsprijs verdiend. De vraag is, hoe hoog mogen zowel anderen als de Joden zelf de (ethische) lat leggen voor een Joodse staat? Dat deze vraag blijft leven en onderwerp van discuaaie blijft is misschien wel belangrijker dan een definitief antwoord.
Ergens blijft in mij waarschuwend doorzingen het Talmoedische antwoord op de vraag waarom de Tweede Tempel verwoest werd. Niet omdat men niet vroom of religieus genoeg was, maar omdat er binnen de stad redeloze haat heerste.

noten
(1) Bemidbar/Numeri 13 en 14, zie parashat Shelach Lecha
(2) Jirmejahoe/Jeremia 52
(3) Talmoed, Joma 9B
(4) Lucas 19: 43
(5) Talmoed, Gittin 57a-b
(6) Micha 3:12. Lees ook het verhaal van Rabbi Akiva, die lachte toen een hij een vos zag glippen uit de ruïne waar eens het heilige der heilige was, terwijl zijn metgezellen huilde. Want de ene [profeet (Micha, Uria) had de ruines voorspeld en dat was uitgekomen; dus zou ook de voorspelling van Zecharja uitkomen, dat eens (8:4): ‘Opnieuw zullen er op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten, steunend op hun stok vanwege hun hoge leeftijd, en de straten zullen krioelen van de spelende kinderen (Talmoed, Makkot 24b)
(7) Talmoed, Ta'anit 29a. Rabbijn Simon Jacobson geeft de uitleg, dat we in deze 5 tragedies een proces kunnen zien van de steeds verder teloorgegane verbinding tussen spirit en materie, een les die oproept dieze verbinding weer te herstellen.
(8) Simon Schama, De geschiedenis van de Joden, deel 1, Atlas Contact, 4 e druk, 2014
(9) uit: Bladen uit mijn levensboek, S.P. Tabaksblatt

RC juli 2015

Parashat Matot
Bemidbar/Numeri 30:2–32:42
De kracht van woorden

Deze week worden om redenen van de kalender de parshiot Matot en Mas'é ( Bemidbar/Numeri 33:1–36:13) tezamen genomen. Wij richten ons nu alleen op de parashat Matot. De parashat Mas'é rond het boek Bemidbar af en komt een andere keer aan de orde.

korte inhoud


De parashat Matot (‘stammen') begint met het onderwerp van de gelofte en de eed. Speciale aandacht krijgt - na omschrijving van het algemene voorschrift een eed of gelofte ook gestand te doen - de gelofte of de eed die dochters en vrouwelijke echtgenoten doen ter onthouding van iets; daarbij wordt uitgebreid de macht omschreven van vaders en echtgenoten om wanneer zij ervan op de hoogte rakn in de gelofte of eed te berusten of deze teniet te doen. In dat opzicht is in deze patriarchale samenleving de juridische positie van de vrouw vergelijkbaar met een minderjarige.
In de daaropvolgende passages wordt de oorlog tegen en de overwinning op Midjan verhaald, inclusief de dood van Bil'am. Vooral in het oog valt de uitgebreide behandeling van de reiniging van de soldaten en de door hen gebruikte voorwerpen, die bij het ombrengen van zoveel tegenstanders in contact met dode lichamen zijn geweest. Vuur en water moesten eerst hun zuiverend werk doen, voordat de krijgslieden weer onder het volk konden komen. Gedetailleerd wordt de verdeling van de buit geregeld. De slag met Midjan moet een historisch beslissende gebeurtenis zijn geweest die een gedetailleerde kroniek rechtvaardigde. Opvallend is, dat het feit dat de schoonvader van Moshé een prieser van Midjan was geen rol meer speelt.
Tenslotte wordt veel aandacht gegeven aan het speciale verzoek van de stammen Re'oeven en Gad om tegen de oorspronkelijke plannen in een groot stuk van het transjordaanse in bezit te mogen nemen; na aanvankelijke aarzeling stemt Moshé toe op voorwaarde dat de mannen wél deelnemen aan de verovering van het oorspronkelijk beloofde land.

eed en gelofte Ik ga verder in op de eerste regels (30, 3) van deze parasha:
" Wanneer iemand een gelofte tegenover de Eeuwige doet of een eed aflegt om zich van iets te onthouden, laat hij zijn woord niet schenden, al wat over zijn lippen is gekomen moet hij doen ." Gelijke bepalingen vinden we in Wajikra/Lev. 19:12 en Dewariem/Deut. 23: 22 en 23. In het oude Israel was het een ware rage om geloften af te leggen. Het bracht de vaak overijlde afleggers van geloften in moeilijkheden en bezorgde hen materiële en psychische problemen. Al in de Tora zelf wordt de status van geloften gerelativeerd en terughoudendheid aanbevolen. Zie Dewariem/Deuteronomium 23:23: Maar als u ervan afziet een gelofte te doen, is er geen zonde in u. Die bepaling heeft niet echt geholpen. In de loop der eeuwen ontstond er dan ook een ritueel om van geloften ontslagen te worden door een rabbijn. Maar het kwam toch vaak voor, dat geloften onbedoeld werden gebroken of zelfs vergeten, zodat men met een bezwaard gemoed. het Joods Nieuwjaar (Rosh Hashana) tegemoet ging..
In de vroege middeleeuwen is daarom het beroemde gebed Kol Nidré (‘alle gloften') ontstaan en toegevoegd aan de eredienst op Grote Verzoendag; in het gebed werden alle religieuze geloften van het afgelopen jaar geannuleerd. Voor de geschiedenis van Kol Nidré zie verder andere bronnen (bv de Jewish Encyclopedia ).

In de rabbijnse en vroomjoodse sfeer van de eerste eeuwen van de westerse jaartelling ging men een radicale weg en velen wilden geheel afzien van eden en geloften om zo een omheining op te werpen tegen de overtreding van het breken ervan.
Ook was er een afkeer gegroeid om Gods heilige namen voor de eed of de gelofte te gebruiken omdat dit grensde aan niet-inachtneming van het gebod om “ de Naam van de Eeuwige, uw God, niet ijdel (te) gebruiken ” (Shemot/Ex 20:7). Ook omschrijvingen als ‘de hemel', de ‘de Barmhartige' , of de ‘Genadige' of ‘Jeruzalem' vielen op den duur in ongenade.

Jezus en de rabbijnen


Ook Jezus bekent zich een aanhanger van de weg der vromen, die via verzwaringen zo ver mogelijk van overtreding van voorschriften weg wilden blijven ten einde zo een opperste zuiverheid te bereiken. Ook de sekte van de Essenen, die invloed op Jezus had, weigerde te zweren. In de Bergrede (1) zegt Jezus: Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af, voor de Heer gedane geloften moeten worden ingelost.” En ik zeg jullie dat je helemaal niet moet zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning; zweer evenmin bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken. Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad . ( Mat. 5:33-37) 
Jezus doelt hier op de genoemde voorschriften van Bemidbar/Numeri 30.3 en Wajikra/Leviticus 19:12, Dewariem/Deuteronomium 23:22 en 23 betreffende eden en geloften, waaromtrent gemaand wordt die naar waarheid te doen, respectievelijk na te komen. Dat placht men dan te doen onder aanroepen van de hemel, of andere heilige zaken zoals die, waarvan Jezus in dit vers voorbeelden geeft.
Interessante parallellen zijn te vinden in Tenach en rabbijnse geschriften.
Prediker/Kohelet zei al onomwonden: Je kunt beter geen gelofte doen dan een gedane gelofte niet inlossen. Sta je mond geen loze, zondige geloften toe en zeg niet naderhand tegen de priester dat ze een vergissing waren (Koh/Pred 5:4,5).
In de kringen van Talmoedgeleerden werd er flink over gediscussieerd. Een voorbeeld: En er is ook geschreven: Beter geen gelofte te doen dan een gelofte doen en niet betalen. En er is onderwezen: beter dan beide is hij die helemaal geen belofte doet, dat is de mening van Rabbi Meïr. Rabbi Juda zegt: beter dan beide is hij die een gelofte doet en betaalt. Maar Rabbi Juda doelt alleen op het geval van iemand die een offer aan de Tempel belooft. (Choellin 2a)

Veel in Tora, Tanach, midrash en Tweede Testament waarschuwt dus voor de lichtvaardigheid waarmee eden en beloften worden gedaan en roept op de kracht van woorden te respecteren. Ook de eigen levenservaring, een blik in de politiek, de kennisneming van plots en scenario's van roman en drama overladen ons met voorbeelden van de relativiteit, kortstondigheid en lichtvaardigheid van beloften, toezeggingen, eden.
Daarom laat ik nu weer even het licht vallen op de woorden: " lo jacheel dewaro ke-chol hotsé mipaw ja'asé ": laat hij zijn woord niet schenden, al wat over zijn lippen is gekomen moet hij doen.
Deze zinsnede verwijst toch vooral ook naar de scheppende kracht van exacte woorden. Met woorden kan je een nieuwe realiteit voor jezelf en anderen creëren, ze hebben de macht nieuwe gebieden te openen maar ook om grenzen te in het leven te roepen, bijna even krachtig als de geboden en richtlijnen van de Tora zelf. Navenant is de destructieve kracht, die niet ingeloste, onjuiste of zelfs kwade woorden kunnen losmaken.
Zoals De Eeuwige met de tien scheppingswoorden van Bereshiet de schepping heeft geschapen en nog steeds schept, zo zijn wij, jij en ik, in onze woorden medeschepper van de wereld. Wanneer je je dat realiseert ga je anders met de taal om. Als je schrijft, maar ook als je spreekt. Je woorden worden minder slordig, minder nonchalant. Je verlangen is je woorden te richten, te focussen, in overeenstemming te brengen met je intentie medeschepper te zijn. Zodat je aandacht geeft aan wat over je lippen komt, ervoor zorgt dat dat exacte woorden zijn omdat ze ook zo gedaan moeten worden. De oorsprong van elk conflict tussen mij en mijn medemensen is dat ik niet zeg wat ik bedoel, en dat ik niet doe wat ik zeg (Martin Buber). (2)

RC juli 2015 Noten
(1) Zie ook mijn artikel over de Bergrede
(2)Geraadpleegd: dr. Marcus van Loopik: Balk en Splinter, Joodse achtergronden van de Bergrede , Pardes, 2011
Peter J. Tomson, ‘Als dit uit de hemel is... ', B. Folkertsma Stichting voor Talmudica, 1997

Parashat Pinchas Bemidbar / Numeri 25:10–30:1
breekt nood de wet?

Het verhaal

De vorige parasha Balak besloot met het begin van een nieuw drama: de ontucht van de Israëlieten met de meisjes van Mo'av in het kader van de afgodendienst aan Ba'al Pe'or. Dat wekt de woede van de Eeuwige. Een dodelijke ziekte verspreidt zich onder ht volk en leidt tot een rampzalige sterfte. Er wordt een belangrijke vergadering belegd om de crisis het hoofd te bieden en ‘ Moshé (zei) tegen de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben (Bem. 25:5)'. In die raadsvergadering spitst het gebeuren zich dramatisch toe als één van de prinsen uit de stam Sjim'on, Zimri genaamd, een bijzonder provocerende daad verricht. Tot verbijstering van Moshé en de vergaderde rechters voert deze prins een Midianitische prinses openlijk naar zijn tent om met haar de bijslaap te verrichten
De heetgebakerde Pinchas kan dit niet langer aanzien en neemt zijn toevlucht tot eigenrichting. Hij pakt zijn speer en gaat naar de tent waar de prins Zimri en de Midjanitische Kosbi inmiddels de bijslaap bedrijven en doorsteekt met dat wapen hun onderlichamen. De sterfte is toen gestopt. Vierentwintigduizend slachtoffers waren er gevallen. Voor de medische wetenschap is het verleidelijk te veronderstellen dat het een geslachtsziekte betrof, die de Israëlieten had besmet tijdens hun deelname aan de tempelprostitutie van de meisjes uit Mo'av en Midjan.

Pas nu begint onze parasha met:
25:10 Toen sprak de Eeuwige tot Moshé: 11 Pinchas, de zoon van El'azar, de zoon van de priester Aharon, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver (be-kan'o, (1)) voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver (be-kin'ati) vernietigd heb. 12 Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede: 13 hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.

Pinchas stelt met zijn verhaal de vraag actueel: wanneer is een recht en wet doorbrekende daad, die in aller belang lijkt te worden verricht en vele levens spaart, gerechtvaardigd? Kennelijk heeft God de impulsieve daad van eigenrichting achteraf goedgekeurd en zelfs beloond met de promotie van het eeuwig priesterschap.

fanatisme De vurige dienstbaarheid, die tot extremisme kan leiden, was ook al te vinden bij de zonen van Aharon, Nadav en Avihoe, die zich te buiten gingen in geestdriftige maar ongevraagde rituelen (Shemot/Ex. 10:1). Volgens de Midrash speelden de zielen van deze twee dan ook door in de persoon van Pinchas. De ziel en de ‘zeal ‘ van Pinchas ging volgens de midrash weer over naar de profeet Elijahoe, die ook door dienstwillige ijver werd bezield. Niet voor niets treedt hij op in de Haftara – toegevoegde profetenlezing – van deze week (1 Meelachim/Koningen 18:46-19:21 ). Nadat Elijahoe de vierhonderd profeten van Ba'al had laten ombrengen en het volk door zijn regenwonder weer tot erkenning van de ware God had bewogen, kwam hij, opgejaagd door koningin Izèwèl, terecht in de grot op de berg Chorew waar ooit onder gedonder de tien woorden waren gegeven. De Eeuwige vraagt daar aan Elijahoe ‘Wat heb jij gedaan?', en de ‘zeloot' antwoordt: Ik heb met ijver geijverd voor De Eeuwige, de God van de hemelse machten' (1 Melachim/Koningen 19:10 ev: kan'o kineti ,). Dan gaat de Eeuwige voorbij aan de grot en Hij is niet in de donder, niet in het vuur en niet in de storm. Hij is in een subtiele stilte ( kol demama daka ). De Eeuwige herhaalt zijn vraag: ‘ Wat heb jij gedaan ?', en de ‘zeloot' geeft het zelfde antwoord: Ik heb met ijver geijverd voor De Eeuwige, de God van de hemelse machten. Deze vraag aan Elijahoe die een vraag naar rekenschap lijkt, wordt twee maal gesteld. Na de tweede maal klinkt de vraag als een berisping, de fluistersfeer maakt de vraag tot een oproep tot zelfreflectie en tot matiging van fanatisme (3). Is het toeval, dat meteen na dit gebeuren Elijahoe de opdracht krijgt Elisha als zijn opvolget te zalven? Later zal in de legende Elijahoe bekleed worden met de taak als profeet ooit de messiaanse vrede aan te kondigen.

Het fanatisme gaat vaker wel dan niet over de schreef. In het geval van Pinchas was er sprake van een acute noodsituatie (in dit geval de om zich heen grijpende epidemie), een acute maatschappelijke ontwrichting (de anarchie van normen en waarden) en het overweldigende levensreddende karakter van de daad, i.c. twee slachtoffers versus de duizenden levens van de volksgenoten. Zijn dat voldoende criteria?
Vele commentatoren hadden en hebben moeite met de beoordeling van de daad van Pinchas. Ook de vaststellers van de uiteindelijke Hebreeuwse tekst in de vroege middeleeuwen, de Masoreten; dat blijkt wellicht uit het schrift in de Torarol (sefer Tora) en in de Hebreeuwse tekst van de Tora in boekvorm (de Choemash). Daar is in vers 11 de naam Pinchas met een heel kleine jod geschreven en de vav (klinkend hier als o) in ‘ briti shalom ', mijn verbond van vrede, is gebroken in twee stukken, leest u het maar na. De eigenlijke durende vrede kan op deze wereld nooit door geweld worden bereikt, is mijn favoriete uitleg.

noten (1) In een midrash, verhaald in de Talmoed (Sanhedrin 82a en b), wordt het provocatieve karakter van deze daad nog benadrukt in een schilderachtige uitweiding over hoe dat zich mogelijk heeft afgespeeld.
Zie voor een parasfrase hier .

(2) Dat Pinchas een fanatiekeling was is m.i. ook in de tekst af te leiden uit het veelvuldig gebruik in vers (pasoek) 11 van de woordstam kan'a ) ,dat zowel de betekenis ijver als naijver in zich draagt, het best weer te geven in het Engels als ‘zeal'. Het woord kin'a betekend jaloersheid, naijver (voortlevend in het Jiddische kinnesinne < Kin'a sin'a , naijver en haat) ). Het Hebreeuws voor ‘zeloten' is kana'im . Pinchas heeft - letterlijk vertaald – ‘met zijn ijver mijn naijver verjaagd want anders had ik in mijn naijver de kinderen van Israel vernietigd'.

(3) aldus ook Rabbijn Jonathan Sacks in zijn commentaar

Parashat Balak Bemidbar / Numeri 22:2-25:9
Bil'am, tovenaar of profeet? De Israëlieten zijn in hun omtrekkende beweging rond het land Kena'an aangeland bij het land Mo'av. Ze hebben intussen door hun overwinningen op koning Sichon en zijn Emorieten, op koning Og van Bashan en anderen een geduchte naam gekregen. De koning van Mo'av, Balak, en zijn Moabieten waren bang geworden voor de overmacht van het volk dat in hun gebied was neergestreken; Ze waren er misselijk van geworden (vertaling Dasberg). Daarom zocht koning Balak hulp in de magische sector. Alvorens een militaire confrontatie aan te gaan wilde hij de kracht van zijn tegenstander spiritueel ondermijnen.
Het was in die tijd niet ongebruikelijk daarvoor je toevlucht te nemen tot vervloekingen en bepaalde magiërs waren daar specialist in; koning Balak ontbood een sjamaan in het oosten, uit Babylonië, die beroemd was om de kracht van zijn vervloekingen: Bil'am.

Het verhaal van Balak en Bil'am vormt een van de hoogtepunten uit de Tora, zowel uit narratief oogpunt als wat betreft de onderliggende thema's die in het verhaal verweven zitten. Spanning, humor en verhevenheid, al die elementen maken het verhaal tot een pakkende vertelling.
Bijbelwetenschappers veronderstellen, dat het oorspronkelijk een apart boek was, dat in de Tora is opgenomen.

De hoofdpersonen zijn Bil'am en de stem van de Eeuwige. Een diepgaande ambiguïteit kenmerkt de relatie tussen hen.
Kennelijk heeft Bil'am het voorrecht rechtstreeks te kunnen spreken met de Eeuwige; hierin evenaart de shamaan Moshé, van wie gezegd wordt dat hij de enige is die ‘van mond tot mond' contact kon hebben met de Allerhoogste . De heersende rabbijnse opvatting schildert hem niettemin af als een verdorven persoon, de verpersoonlijking van het kwaad ( ). Midrashiem beschrijven, hoe hij zijn gave had geleerd van in de hel gevallen engelen. Bil'am heeft vanaf het begin van dit verhaal weet van wat het juiste is om te doen: het verzoek van Balak om Israel te vervloeken meteen afwijzen, dat doet hij, want, zoals de stem van De Eeuwige hem voorhoudt, het volk ‘is immers gezegend' ( ki baroech hoe ).

Het verhaal wordt spannend, als onder pressie van hooggeplaatsten en beloften van goud en zilver de profeet toch toestemt. Begeerte, haat tegen Israel en berekening winnen het echter – in de mainstream opvatting - en hij gaat toch op weg. God geeft zelfs toestemming aan Bil'am voor zijn tocht. De Eeuwige ontpopt zich in het verhaal als een grillige tegenspeler, even ambigu als de dubieuze profeet. Even later blokkeert Hij in de gestalte van een dreigende engel met zwaard de weg. Hilarisch zijn de scenes met de ezelin, die tot driemaal toe ondanks boze klappen van zijn berijder de weg niet wil vervolgen omdat niet Bil'am, maar wel de ezelin de weg verspert ziet door deze dreigende engel, iets wat de ziener met al zijn gaven niet ziet; door zijn ezel wordt de magiër terecht gewezen. Echt gelachen wordt er zelden in de Tora, maar humor kan je deze scene niet ontzeggen. Dan krijgt Bil'am toch weer toestemming om door te gaan. Uiteindelijk blijkt hij in drie sessies het volk van Israel niet te vervloeken; integendeel, hij verheerlijkt en zegent na een overdaad aan rituelen Israel in verheven vergezichten, conform de woorden die De Eeuwige hem in de mond legt, iets waarvoor Bil'am van te voren al heeft gewaarschuwd: ‘Alleen wat God mij in de mond legt kan ik spreken'.
Hoe is het te rijmen, dat een als in-slecht afgeschilderde tovenaar ondanks zijn slechte voornemens toch het goede verricht? Kan het kwaad toch uiteindelijk het goede bewerkstelligen? Een vraag waar eeuwen mee is geworsteld en nog. De oplossing is vaak gezocht in de richting van een ondoorgrondelijk plan Gods. In de hele geschiedenis van de theologie is gefilosofeerd en getheologiseerd over hoe het bestaan van het kwaad is te rijmen met een God, die uiteindelijk het goede beoogt. Is ook het kwaad soms een middel om het goede te bereiken? Bil'am heeft met al zijn kunsten zijn persoonlijke kwade bedoelingen, maar is uiteindelijk is hij een instrument van de grotere wil van de Eeuwige, is dan de verklaring. Hij spreekt zijn profetieën over Israel uit als een marionet, een buiksprekerpop. Eigenlijk staat hij niet achter zijn visionaire woorden..

Toch, als je de tekst van de Tora over Bil'am in deze parasha nog eens onbevooroordeeld naleest is er weinig tot niets wat rechtvaardigt de persoon van Bil'am zo zwart af te schilderen. Aanvankelijk wijst Bil'am erop, dat ‘ Ook al gaf Balak me al het zilver en goud uit zijn paleis, dan nog zou ik niets maar dan ook niets kunnen doen dat ingaat tegen het bevel van de Eeuwige, mijn God' .
Over de hele linie blijft Bil'am ondanks de beloofde schatten trouw aan zijn principe: hij zal alleen zeggen wat God hem ingeeft, onomkoopbaar zal hij blijken te blijven. Nadat hij tot woede van zijn opdrachtgever al driemaal het volk van Israel heeft met rijke vergezichten gezegend in plaats van vervloekt zegt hij wederom aan Balak: ‘ Ik heb al tegen uw gezanten gezegd: “Ook al gaf Balak me al het zilver en goud uit zijn paleis, dan nog zou ik niets kunnen doen dat ook maar enigszins ingaat tegen het bevel van de Eeuwige. Uit mezelf kan ik niets ondernemen; alleen wat de Eeuwige zegt, zal ik zeggen ”. Waarna de langste vierde profetie volgt. Als begeerte niet zijn drijfveer was en wel een vastbeslotenheid om de stem van de Eeuwige trouw te zijn, wat zou dan de motivatie kunnen zijn om toch de opdracht van Balak te aanvaarden? Een antwoord zou kunnen zijn: hij deed gewoon zijn werk als beroemde magier. Hij wilde zijn reputatie als beroemde professional gestand doen. Zijn twijfel om wel of niet te gaan en zijn discussies met God zijn menselijke processen, die op zich niet van verdorvenheid getuigen. In de eerste visionaire sessie spreekt de magier zelfs zijn verlangen uit tot dit gezegende volk te mogen behoren (23:10). In deze visie maakt Bil'am sterk de indruk achter zijn woorden te staan. Hij neemt er verantwoording over. Hij doet zijn werk als een goed en integer profeet.
Aan mijn zijde bevindt zich Maimonides, de nuchtere topgeleerde uit de Middeleeuwen.
Hij noemt de profetieën van Bil'am als ware godsuitspreken, die alleen uit de mond kunnen komen van een ware profeet. "Profetie valt alleen ten deel aan iemand, die een groot geleerde is en zijn natuur volledig weet te beheersen”, kortom een persoon van hoog moreel niveau (1 )

Maar wat moeten we dan aan met een Bil'am, die later Balak adviseerde om de Moábitische meisjes in te schakelen om de Israelieten tot ontrouw en afgoderij te verleiden(31:15 ev) ? Een listig plan, want daarmee zouden de Israelieten zich zelf in het verderf storten.
In de hopeloos verdorven variant van Bil'am zou hij volgens de midrash dat gedaan hebben om door dit advies alsnog zijn honorarium binnen te slepen. Maimonides constateert uit de tekst en overeenkomstig zijn opvattingen over profetie een morele neergang van Bil'am in de loop van de parasha. De omslag van zijn persoonlijkheid vindt plaats na de weidse vierde profetie, als hij zijns weegs is gegaan. Tot dan heeft in de ogen van Maimonides Bil'am de status van een moreel hoogstaande man. Daarna begint er een morele aftakeling en zakt die status beneden peil (2). Of die opduikende slechtheid pure boosaardigheid was of meer een actie om zijn deconfiture goed te maken, om zijn geschonden reputatie weer te herstellen? Of is het – op de keper niet minder slecht = de onverschilligheid van een consultant, die de effectiviteit van zijn adviseurschap alsnog aan zijn teleurgestelde machtige baas wil bewijzen? Zonder dat dat persoonlijk bedoeld was ten opzichte van Israel, hoor. (1) O.a. in Maimonides' Guide to the Perplexed p. 242
(2) Ook in de Talmoed is druk gediscussieerd over Bil'am. In de lijn van Maimonids zei, bv R. Yochanan over Bi'ám: 'in het begin een profeet, later een tovenaar' (Sanhedrin 106a).

Parashat Korach Numeri/Bemidbar 16:1–18:32.
Verborgen agenda's

De in deze parasha beschreven crisis rond het leiderschap van Moshé en Aharon is niet de eerste tijdens de ruim twee jaar geleden begonnen woestijnreis. Sinds het opbreken van het kamp bij de Sinaj is de tocht de stammen van Israel niet meegevallen. Als we alle gebeurtenissen nog eens in ogenschouw nemen zien we dat er veel ontberingen hebben plaatsgevonden en dat het volk veel heeft geklaagd en gejammerd. Er zijn veel slachtoffers gevallen door rampen en tegenslagen, die de Tora vaak beschrijft als uitingen van de woede van de Eeuwige over de weerspannigheid van Zijn volk, Die woede werd dan door een belaagde Moshé met veel smeekbeden ternauwernood getemperd.
Het begon al met het vuur, dat de rand van het kampement had verwoest, het vuur van Taw'era.
Vervolgens vielen er veel slachtoffers doordat ze stierven als gevolg van hun gulzigheid bij het eten van het kwakkelvlees, dat door Moshé in wanhoop werd afgesmeekte en door God met veel tegenzin gegeven; ze werden begraven in Kivrot-hata'awa.
Een grote tegenslag was het ontmoedigende verslag van de verkenners over het beloofde land.
Een deel van het volk wilde zelfs Moshé als leider afzetten. De daarop volgende veertigjarige verbanning naar de woestijn betekende een diepgaande teleurstelling voor de uit Egypte vetrokken generatie, niks land van melk en honing. Een ondanks dit vonnis begonnen veldslag tegen de Amalekieten leidde tot een smadelijke nederlaag bij Chorma.
Het niveau van frustratie was onder grote delen van het volk hoog zijn gestegen. Het is niet verwonderlijk, dat met dit alles een voedingsbodem was geschapen voor hernieuwde strubbelingen en opstandigheid tegen de leiders onder wie al die tegenslagen hadden plaatsgevonden, Moshé en Aharon. Als spreekbuis van de onvrede stelt zich de leviet Korach tegenover Moshé.

Wat volgt is het archetype van een opstand, die machtswisseling beoogt. De condities zijn een ontevreden en gefrustreerd volk en een aantal leiders, die hier hun kans zien. Ze exploiteren de frustratie om op de golven van algemene onvrede omhoog te komen. Het zijn of blijken later leiders met een twijfelachtige integriteit. Hun vermeende opkomen voor welzijn gaat meestal gepaard met persoonlijke ambities en belangen. Ze hebben een dubbele agenda.

In dit geval zijn het Korach van de stam Levi en Datan en Aviram uit de stam van Re'oeven. Het drietal wist kennelijk 250 vooraanstaande mannen aan hun kant te krijgen.
Korach valt het leiderschap van Moshé en vooral Aharon aan. Hij lijkt wel een punt te hebben. De aanklacht een redelijke indruk (16:3) : ‘ U matigt u te veel aan. Alle leden van de gemeenschap zijn heilig ( ki kol ha-eda koelam kedoshim ), en de Eeuwige is in hun midden. Waarom voelt u zich dan boven de gemeenschap van de Eeuwige verheven?' Korach lijkt op te komen voor de gelijkwaardigheid van iedereen, iedereen is heilig, de een is niet heiliger of hoger dan de ander. Hij lijkt gesteund door eerder uitspraken bij monde van Moshé zelf (uit Exodus en Leviticus). ' Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk ”. Breng deze woorden aan de Israëlieten over .' en ‘ Zeg tegen de gemeenschap van Israël: “Wees heilig, want Ik, de Ene, jullie God, ben heilig. '. Maar heiligheid niet een cadeautje is, dat de Israëlieten per definitie is gegeven. Het is een veeleisende weg is die is te gaan; een opdracht, waartoe de Tora richtlijnen geeft. Zelfs Moshé blijkt niet heilig te zijn. De heiligheid waar Korach zich op beroept is een façade. Er is sprake van een oneigenlijk argument, waarachter materiële belangen van macht, status en prestige schuilgaan. Het schijnbaar theologische argument dekt een heel persoonlijke agenda van Korach. Verdere verzen (16:8 ev) en diverse midrashiem wijzen op gevoelens van miskendheid bij Korach en op zijn politieke ambitie om zelf het hogepriesterschap van Aharon te bekleden. In verschillende midrashiem beroept hij zich op aanspraken op grond van zijn afkomst. Korach vertegenwoordigt wat in veel psychologie het ‘ego' wordt genoemd. Korach acteert ' le-atsmo' , voor zichzelf. Discussie le-atsmo dekken altijd persoonlijke of groeps-belangen.

Datan en Aviram, de twee Rubenieten, hebben een heel andere agenda. Ze vallen rechtstreeks het leiderschap van Moshé aan. Hij heeft als leider gefaald. Het volk is misleid. Moshé heeft het willens en wetens weggevoerd uit Egypte - dat zij nota bene een land van melk en honing noemen – naar de ondergang in de woestijn. De midrash schrijft hen als Rubenieten een oude wrok toe; als afstammelingen van de eerstgeboren zoon van Ja'akov, Re'oeven, komt hen het leiderschap over het volk toe met alle rechten en plichten van dien. Moshé heeft hen die grotendeels ontnomen door de levieten hun plaats te laten innemen (1). Ook achter hun politieke aanklacht schuilt een egocentrisch motief, het is l e'atsmo.
Het leiderschap van Moshé is van heel andere aard. Het is juist ontdaan van ieder eigenbelang, Moshé's leiderschap houdt zich niet bezig met macht, materieel eigenbelang, status, prestige. Hij is van dat alles als het ware ontledigt om ruimte te hebben, ruimte om te horen wat de situatie werkelijk vraagt om gedaan te worden; hij acteert ‘leshem shamajim' , uit naam van de hemel.

Een bloedige nasleep heeft deze strijd nog. De drie rebellen en hun aanhangers worden met familie en al door de aarde verzwolgen. Dit rigoureuze gericht wekt weer een volgende rebellie van het volk. Nog eens 24.000 Israelieten laten het leven door een ziekte epidemie, toegeschreven aan de boosheid daarover van de Eeuwige. Vele smeekbeden van Moshé moeten de aanzwellende rampen afwenden. Rituelen bevestigen het leiderschap van Moshé en Aharon. We laten deze latere fasen in deze parshe rusten, het vraagt om een eigen commentaar.

Het patroon van de rebellie van Korach in een de halfnomadische situatie van zo lang geleden lijkt duidelijk te herkennen in latere eeuwen, ook in soms radicale, soms subtiele vormen in de huidige complexe wereld van naties, besturen van grote organisaties en commerciële bedrijven. Korach vertegenwoordigt het leiderschap zoals dat in de wereld over het algemeen voorkomt: gedreven door vaak agressieve ambitie en nauw verholen eigenbelang of groepsbelang, motieven die vaak medebepalend zijn, zo niet overheersend. Misschien kan je zelfs zeggen, het is over de hele linie het gangbare leiderschap geworden. Het lijkt er wel op of leiderschap à la Korach – le'atsmo - in deze wereld onvermijdelijk is, om de zaak draaiende te houden.
Zijn ze er wel, leiders zonder enig - of vooruit, minimaal - eigenbelang, leshem shamajiem ? (2)

noten
(1) Zie ook een eerder commentaar op parashat Bemidbar , waarin ik op het fenomeen van de oudste zonen inga.
(2) Dit commentaar maakt gebruik van een eerder commentaar van mij op deze parasha en een aantal andere commentaren, w.o. dat van Rabbijn Sachs.

RC 18072015

Parashat Shelach lecha
Numeri/Bamidbar 13:1-15:41
Aan de grens van het geloof Ruim twee jaar na de uittocht uit Egypte komen de Israelieten aan bij de grens van het beloofde land Kena'an. De Eeuwige gebood Moshé verkenners uit te zenden. Shelach lecha , zo begint de parasha. De meeste vertalingen (NBG, NBV, HSV) gaan voorbij aan de extra nadruk van het ‘lecha', letterlijk: (Zend) voor jezelf.
Dasberg vertaalt: ‘Stuur, als je dat wilt'. Dat is meer in overeenstemming met de uitleg van Rashi, die benadrukt, dat het hier gaat om een beslissing op menselijk niveau uit vrije wil genomen en niet om een goddelijk bevel. Want strikt genomen zou die verkenning niet gehoeven hebben, als het volk standvastig had blijven geloven, dat de Eeuwige hen zou leiden overeenkomstig zijn belofte in Shemot/Exodus 3:17: Ik heb besloten om jullie uit de ellende in Egypte weg te halen en je naar een land te brengen dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten . De Eeuwige schikt zich als het ware naar de wensen van het volk: Ik, Eeuwige, heb geen opdracht gegeven, strikt genomen is het niet nodig, maar als je per se wilt, ga je gang en stuur die verkenners, met alle consequenties.
Vele rabbijnse commentatoren zien hier de eerste zonde in deze parshe, gebrek aan geloof.
Nachmanides is het daar niet mee eens. Hij zegt: Moshé vond het een goed idee (het uitzenden van verkenners),want de Tora wil niet, dat mensen afhankelijk zijn van wonderen, maar verwacht dat zij die strijden zich zelf helpen door de wacht te houden en hinderlagen te leggen, zoals ook Joshoea en vele anderen later deden. God helpt wie zich zelf helpen. Dat is meer naar mijn hart! Volgens Nachmanides komt de zonde in het verkennersverhaal pas later.

Aldus werden twaalf belangrijke stamleiders gekozen met deze taak, het land verkennen en verslag uitbrengen. Van zuid tot noord trokken zij veertig dagen rond. Bij hun terugkomst waren de verslagen van tien van de twaalf uitgezonden mannen bijzonder ontmoedigend gekleurd. Ze spraken van een fantastisch land, maar wel met reusachtige bewoners en onneembare vestingen van steden. ‘ Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn .'
Zoveel mismoedigheid is besmettelijk. Het volk begon te jammeren, een nacht lang. De positie van Mosjé en Aharon wankelde. Het volk wilde terug naar Egypte, ondanks de aanmaningen van Kalev en Joshoea, van de twaalf verkenners de twee die het niet zo somber inzagen.
De Eeuwige ziet deze angstige en ontmoedigende berichten van de tien verkennersop als het zoveelste gebrek aan geloof en vertrouwen. Het gejammer van het door deze rampberichten gedemoraliseerde volk vat Hij bij monde van Moshé op als verzet. Moshé weet Hem nog net af te houden van vernietiging van de Israëlieten, zoals hij dat al eerder tegenover de Eeuwige heeft gedaan bij het gouden kalf, gepleit voor het voortbestaan van zijn volk. Alleen: nog veertig jaren zal het duren, voordat het volk het land Kena'an zal binnentrekken; een hele generatie zal het beloofde land niet zien, de taak van verovering zal toevallen aan de kinderen. Beeldend schildert de Eeuwige het lot af van deze eerste generatie (14:29): Hier in de woestijn zullen jullie lijken liggen, de lijken van allen die ingeschreven zijn, allen van twintig jaar en ouder, niemand uitgezonderd, omdat jullie je tegenover mij beklaagd hebben.

Een milder oordeel over het gebeuren en een misschien zowel realistischer als dieper inzicht verwoordt Nechama Leibowitz in een van haar commentaren: ‘Je kan niet verwachten, dat mensen, die slaaf zijn geweest en hebben gezwoegd met bakstenen en stro en zo meer, hun vuile handen wassen en onmiddellijk daarna met reuzen gaan vechten. Het was een onderdeel van de Goddelijke wijsheid om hen in de woestijn te laten rondzwerven tot ze hadden geleerd om moedig te zijn. Want het is welbekend, dat een nomadisch bestaan onder spartaanse omstandigheden moed kweekt en het tegendeel, lafhartigheid. Bovendien groeide er nu een nieuwe generatie op, die geen vernedering en slavernij had gekend.'

Op deze manier wordt het gebeuren wat uit die sfeer van zonde en die boze straffende God, die ons niet meer aanspreekt, gelicht en teruggebracht tot proporties die in de moderne tijd een even wonderlijk verhaal opleveren dat toch zowel voor hart als verstand aanvaardbaar is en dat als synopsis aldus zou kunnen luiden.

Mozes stuurt een aantal belangrijke mannen uit om het land te verkennen. Ze komen terug met een verslag over een fantastisch land, maar wel bewoond door vele sterke bewoners in versterkte steden. Misschien hebben de uitgezonden hoofdmannen – gewend aan de primitieve leegte van de woestijn - gewone forse mensen in dit dichtbevolkte en cultureel ontwikkelde land opgeblazen tot reuzen en versterkte steden tot onneembare vestingen. Misschien waren Joshua en Kalev reëler in hun waarneming. Zij als minderheid willen toch aanvallen – maar ja, als alle Israëlieten zo dapper waren en godsvertrouwend waren geweest dan zou dat wellicht hebben gekund.
Maar het grote merendeel van het volk is niet zo bijzonder, ze zijn geen helden, maar teleurgesteld als kinderen en uit het veld geslagen. Mosjé ziet met een bedroefd hart en tegelijk met een grote, bovenmenselijke – als u wilt met een vanwege God ingedaalde – wijsheid in, dat het volk zo geen kans maakt om succesvol het beloofde land te veroveren en besluit, dat er een generatie overheen moet gaan alvorens een kans te maken. Zowel moreel als militair is de schare van slaven waarschijnlijk dan uitgegroeid tot een volwassen volk.
Een parallel met het heden dringt zich op. De Joden hebben zich na alle omzwervingen en catastrofes weer opgericht. De Staat Israel is weer verrezen op de oude grond. Militair is Israel meer dan volwassen geworden, gelukkig maar. Maar hoe is het met de ontwikkeling van het morele proces?

Noot
Gebruik is gemaakt van de commentaren van Nechama Leibowitz, zie o.a.
http://www.jewishagency.org/nechama-leibowitz/content/23925

RC 11062015

Parashat Beha'alotcha Numeri/Bamidbar 8:1-12:15
Op zoek naar de vrouw uit Koesh

De laatste episode in deze parasha beschrijft de aantijgingen van Moshé's zuster en broer, Mirjam en Aharon, tegen Moshé: 1 Mirjam nu sprak, en Aharon, tegen Moshé, naar aanleiding van de vrouw, de Koeshitische, die hij genomen had; want hij had een Koeshietische tot vrouw genomen. 2 En zij zeiden: Heeft dan de Heere maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de Eeuwige hoorde het! ''
Het is een duistere passage, want wat was nu het verwijt van Mirjam en Aharon. En wie is nu die vrouw uit Koesh, de oude naam van Ethiopië in die tijd. Laten we dat eerst bekijken


In de parasha Beha'alotcha nadert de vorming van de uit Egypte weggetrokken volksmassa van een jaar geleden de voltooiing tot een goed georganiseerde en reisvaardige gemeenschap. 
Het weerbare manvolk is geteld, het kampement georganiseerd, de marsorde bepaald en last but not least, de levietendienst nauw omschreven. De laatste bepalingen omtrent de Levieten staan in deze parasha. Nadat de uittocht voor de eerste keer is herdacht is het volk klaar om verder te trekken. 
De zilveren trompetten klinken en de imposante karavaan begint zijn lange reis. Maar al spoedig vinden er een aantal incidenten plaats en blijkt de tocht niet zonder ontberingen. In een ander commentaar ga ik verder op deze gebeurtenissen in.

De laatste episode in deze parasha beschrijft de aantijgingen van Moshé's zuster en broer, Mirjam en Aharon, tegen Moshé: 1 Mirjam nu sprak, en Aharon, tegen Moshé, naar aanleiding van de vrouw, de Koeshitische, die hij genomen had; want hij had een Koeshietische tot vrouw genomen. 2 En zij zeiden: Heeft dan de Heere maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de Eeuwige hoorde het! ''
Het is een duistere passage, want wat was nu het verwijt van Mirjam en Aharon. En wie is nu die vrouw uit Koesh, de oude naam van Ethiopië in die tijd. Laten we dat eerst bekijken.

Twee beroemde rabbijnen uit de middeleeuwen hadden twee totaal verschillende antwoorden.
Eén van die rabbijnen is Rabbi Shlomo ben Jitschak – acroniem Rashi - , de beroemde commentator uit het elfde-eeuwse Troyes. Hij gaat er zonder meer vanuit, dat de vrouw uit Kush identiek is met Tsipora, al vele jaren de echtgenote van Moshé en de dochter van de priester Jitro uit de landstreek Midjan. Het verwijt van Mirjam is dus niet, dat hij een nieuwe vrouw heeft genomen, maar dat hij van Tsipora gescheiden is. Moshé is dus weer single. Hoe is Mirjam dit aan de weet gekomen? Rashi haalt een verhaal uit de midrash aan (uit de verzameling Tanchoema): Miriam stond naast Tsipora , toen ze hoorde hoe Eldad en Medad als profeten het kamp rondgingen, eerder in deze parshe verhaald (11:26 ev). Tsipora zei toen: “Wee hun vrouwen, als ze de taak krijgen profeet te zijn, want ze zullen scheiden van hun vrouwen, net zoals mijn echtgenoot (Moshé) van mij scheidde” Mirjam ving dat op en vertelde het door aan Aharon.
Maar er staat toch Koeshitische ( Koeshiet ) en niet Midjanitische, immers Tsipora komt uit Midjan? Rashi zegt dan zoiets als: vroeger gebruikt men Koesjitisch ook als ‘mooi, schoon', zo mooi als de zwartheid van een vrouw uit Koesh. Kennelijk was er toen veel waardering voor een donkere huidskleur!
Wanneer Tsipora de vrouw uit Koesh is, dan zou de scheiding van Moshé de consequentie zijn van diens opvatting , dat hij als profeet zijn zienersgave alleen kan uitoefenen bij de gratie van seksuele abstinentie. Dat is Rashi's gevolgtrekking. Mirjam en Aharon zijn het daar niet mee eens. Mirjam komt op voor haar seksegenoot, maar zeker ook voor de opvatting, dat om profeet te zijn je geen celibaat hoeft te beoefenen! Zij en Aharon zijn wel getrouwd en net zoals Moshé zijn ook zij profeten met zienersgaven! Dat verklaart hun uitroep in het tweede vers van hoofdstuk 12: Heeft dan de Eeuwige maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? W aaraan Rashi toevoegt: En wij hebben ons toch niet onthouden van echtelijke gemeenschap! Geforceerd klinkt het allemaal wel.

Rashi had een kleinzoon, ook een beroemde geleerde, die een hele andere opvatting had. Dat was Samuel ben Meir (Troyes, 1085 – c. 1158), met als acroniem Rashbam. Rashbam zei: de vrouw uit Koesh was de eerste vrouw van Moshé! Het was de dochter van de koning van Koesh en ze had een naam: Tharbis. Hoe komt de Rashbam aan dit verhaal? Het is een midrash, een van de vele legenden, die de periode invullen van het leven van Moshé als adoptief-prins van Egypte; Moshé was immers als tachtig jaar ten tijde van de Exodus. Vóór zijn vlucht naar Midjan had hij al een heel leven achter zich. De legenden schilderen hem af als held en veldheer voor de Farao, iets waar de Hollywood-films over de Exodus van Cecil B. DeMille tot Ridley Scott dankbaar gebruik maken. Rashbam heeft zijn versie kennelijk uit Josephus' boek over de Joodse geschiedenis (1). Daarin staat het verhaal over de veldtocht van Moshé tegen de Koeshieten (Ethiopiërs). Toen hij de Koeshieten had verslagen en hun hoofdstad Saba in de tang had, zag prinses Tharbis, de dochter van de koning, de stoere held, werd verliefd op deze kundige generaal en bood hem aan de stad over te leveren, als Moshé haar wilde trouwen en zo geschiedde.
Het motief van Mirjam en Aharon om Moshé dit kwalijk te nemen berust dan op het feit, dat hij een niet- Joodse vrouw heeft getrouwd. Dat het tweetal dit nu pas doet maakt de case van de Rashbam niet sterker. Ook nergens is in Exodus deze vrouw en dit huwelijk verder vermeld. De Rashbam brengt het verwijt rond de vrouw uit Koesh niet in verband met de woede van de Eeuwige, die op het tweetal neerdaalt.

De twintigste-eeuwse filosoof Martin Buber gaat er evenals vele andere commentatoren van uit, dat Moshé na Tsipora eenvoudigweg een tweede vrouw heeft genomen, een vrouw uit Koesh. In zijn boek over Moshé (2) ziet hij de twist tussen Mirjam en Aharon en Moshé als een familiekwestie rond het zienerschap. Van celibataire neigingen is bij de oude leidsman geen sprake. De familie van Moshé is traditioneel een familie met zienersgaven en Moshé zou de overerving van deze gave in gevaar brengen door een buitenlandse Ethiopische vrouw te nemen.

Even verderop in deze parshe (12:5 ev) komt de Eeuwige als woedende wolk tussenbeide en stelt het verwijt van Mirjam en Aharon als hoogmoed aan de kaak. Want hoogmoed is de pretentie dat de twee als zieners en profeten op dezelfde hoogte staan als hun broer Moshé; hen wordt klip en klaar te verstaan gegeven, dat Moshé "een klasse apart" is. De leidsman heeft niet de bemiddeling nodig van droom of visioen, met hem heeft de Eeuwige rechtstreeks contact, "van mond tot mond, peh el peh ". Op de vrouw uit Koesh wordt helemaal niet teruggekomen. Dit punt was niet de hoofdzaak, maar alleen maar een aanleiding voor het opduiken van al lang bestaande spanningen in de familie omtrent het leiderschap. Wie de vrouw uit Koesh was laten we maar in het midden, maar misschien heeft u als lezer wel een idee.

Mirjam wordt als initiatiefneemster van deze kwaadspraak met melaatsheid gestraft.
Maar voor Moshé is dit al te gortig en hij smeekt om haar genezing: ‘ El na refa na la ' (God als 't U belieft, genees haar toch!). Ik heb er een melodie op gemaakt en een paar akkoorden eronder gezet en ik zing het als mantra voor genezing.

noten
(1) Flavius Josephus , Antiquities of the Jews - Book II, chapter 10
(2) Martin Buber, Mozes , Servire, 1970; oorspr.: Moses, 1965; meer dan een biografie ook een beknopt commentaar op de Tora

parashat Naso Numeri/Bamidbar 4:21–7:89

de priesterzegen

Als jongetje van zo'n jaar of twaalf ging ik naar de kerk, de protestante kerk, waarbij mijn vader zich had aangesloten. Ik herinner mij van die diensten vooral hoe lang ze duurden.  
Het eerste dat ik deed bij binnenkomst van de hoge bakstenen ruimte was kijken naar het psalmen- en gezangenbord, hoeveel stond erop, hoeveel lange verzen moesten wij doorwerken. Vervolgens schaamde ik mij altijd een beetje over mijn vader, over hoe hard hij meezong met het traag zich voortslepend gezang van de gemeente. En dan de langdurige preek van de dominee; naarmate hij vorderde met zijn preek probeerde ik verlangend aan de intonatie van zijn zinnen af te leiden of hij aan het eind van zijn betoog was gekomen.  
De dominee zond zijn kudde tenslotte naar huis met een zegenspreuk die hij met geheven handen uitsprak. Die maakte toen op een of andere manier enige indruk, ik was toch gevoelig voor de schoonheid en verhevenheid van die woorden.  
Het was de priesterzegen uit de parasha Naso, die ook in de protestante kerk door de voorgangers wordt gebruikt.
Nu ik sinds jaren teruggekeerd ben naar mijn jodendom hoor ik hem weer in de synagogedienst en lees ik hem weer in deze parasha. Hij staat daar wat plotseling tussen allerlei ingewikkelde voorschriften over het test van de al dan niet overspelige vrouw (de z.g. Sota ), middeleeuws aandoende bepalingen, waar wel mystieke uitleggingen voor zijn gegeven, de regels over het nazireërschap, een soort monnikengelofte, die ook wel associaties oproept met een kuur tegen alcoholverslaving, en die lange opsomming van de door Israels stammen gebrachte inwijdingsoffers voor het tabernakel. Opeens staan daar die schone woorden, die al duizenden jaren worden uitgesproken en vast wel nog duizenden jaren zullen meegaan:  

' Zo moeten jullie (Aharon en zijn zonen) de kinderen van Israël zegenen door te zeggen': "De Eeuwige zal u zegenen en u behoeden. De Eeuwige moge Zijn gelaat over u doen lichten en u Zijn gunst verlenen. De Eeuwige moge Zijn gelaat naar u opgeheven houden en u vrede geven". Zij zullen Mijn naam op de kinderen van Israël leggen en Ik zal hen zegenen. ' (Bemidbar 6, 23-27).  

Oude wijzen vroegen zich af wie er nu zegent: zijn het de priesters of is het de Eeuwige zelf?  
De meeste commentatoren komen tot de logisch aandoende conclusie, dat het de Eeuwige is die zegent, maar Hij gebruikt de priesters als medium. De gemeente roept de zegen van de Eeuwige af door middel van het vocale instrument van de priesters (zo ongeveer Hirsch, geciteerd door Nechama Leibowitz ).  
Net zoals in het algemeen de Eeuwige de samenwerking met de mens nodig heeft. De commentatoren geven ook betekenis aan de volgorde van de respectievelijke ‘zegenzinnen'. Nechama Leibowitz noemt er een paar (heel kort samengevat):   •  De Eeuwige zal u zegenen: slaat op (materieel) succes •  en u behoeden: om gespaard te blijven voor rovers, diefstal e.d. en niet af te dwalen van het juiste pad b.v. in zaken en Tora-studie. •  Zijn gunst verlenen: meer in spiritueel opzicht.   •  Zijn gelaat naar u opgeheven houden en u vrede geven: dit is de climax, vrede is een preconditie voor alles.  

Nechama Leibowitz signaleert een opklimmende orde en toenemende stuwing in de reeks zegeningen: materieel, dan spiritueel en de combinatie van deze twee elementen in de vrede. Dat komt tot uiting in taal en ritme. De eerste zin (in het Hebreeuws) bestaat uit drie woorden, de tweede uit vijf en de derde uit zeven.  

Voor mij hebben alle drie zinnen zowel een individuele als een gemeenschapskant en zowel een materiële ‘buitenkant' als een spirituele ‘binnenkant'.  
Ze hebben een onvergelijkelijke en onvergankelijke poëzie en kracht.  
Het is in mijn beleving het hoogtepunt van de dienst, als ze worden ze uitgesproken.  
"Ja-eer Adonaj panav eleicha", korter en intenser kan het niet. Je kan het eigenlijk niet goed vertalen. De dominee zei altijd, conform de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap van 1951: "De HERE doe zijn aangezicht over u lichten". In de recente nieuwe bijbelvertaling staat: "moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen". Dat vind ik toch minder. "De Eeuwige zal u Zijn stralend gelaat toewenden" uit de in liberaaljoodse kring gebruikte vertaling van Jitschak Dasberg haalt het ook niet echt.  
Laat de echte dichter-vertaler opstaan!  

De bijbehorende haftara uit Richteren 13:2-25 gaat over de geboorte van de Nazireeër Shimshon. Geraadpleegd:
het commentaar van Nechama Leibowitz op de parashat Naso, Studies in Bemidbar/Numeri, WZO.

Rob Cassuto juni 10 '05 / herzien mei 2013 Parashat Bemidbar Bemidbar/Numeri 1:1-4:20
Met het boek Bemidbar is een nieuwe fase in het verhaal van de Israelieten aangebroken. Het boek Shemot /Exodus behandelde de bevrijding uit de slavernij en de uittocht uit Egypte naar de berg Sinaj, waar onder de spirituele leiding van Moshé de Israëlieten hun belangrijkste voorschriften deelachtig werden en waar de volkswording een feit werd, dit alles bekroond met een prachtige uitgebreid beschreven tabernakel. In het boek Wajikra /Leviticus wordt uitgebreid beschreven hoe in de tabernakel ritueel te werk te gaan en hoe in familie en met de naaste goed om te gaan. Twee jaar zijn bij de heilige berg verstreken en het is tijd om alles klaar te maken om verder te gaan op de tocht naar het beloofde land. Het bijbelboek Bemidbar /Numeri beschrijft die tocht, die veertig jaren zal beslaan. Het boek begint in de gelijknamige eerste parasha met het gebod aan Mosjé een volkstelling uit te voeren, althans een telling van de mannen boven de twintig, die in aanmerking komen als soldaat.
Niet geteld worden de Levitische mannen, waarom is dat?


Oudste zonen

korte inhoud

Met het boek Bemidbar is een nieuwe fase in het verhaal van de Israelieten aangebroken.
Het boek Shemot /Exodus behandelde de bevrijding uit de slavernij en de uittocht uit Egypte naar de berg Sinaj, waar onder de spirituele leiding van Moshé de Israëlieten hun belangrijkste voorschriften deelachtig werden en waar de volkswording een feit werd, dit alles bekroond met een prachtige uitgebreid beschreven tabernakel. In het boek Wajikra /Leviticus wordt uitgebreid beschreven hoe in de tabernakel ritueel te werk te gaan en hoe in familie en met de naaste goed om te gaan. Twee jaar zijn bij de heilige berg verstreken en het is tijd om alles klaar te maken om verder te gaan op de tocht naar het beloofde land. Het bijbelboek Bemidbar /Numeri beschrijft die tocht, die veertig jaren zal beslaan. Het boek begint met voor te schrijven wat er allemaal moet gebeuren om ordelijk en goed toegerust op te breken. Daarbij is het onontbeerlijk om een goede verdedigingsmacht te organiseren. Daarom begint het bijbelboek Bemidbar in de gelijknamige eerste parasha met het gebod aan Mosjé een volkstelling uit te voeren, althans een telling van de mannen boven de twintig, die in aanmerking komen als soldaat. (1)

De levieten

Niet geteld worden de Levitische mannen, zij zijn uitgezonderd van legerdienst: de Levieten zijn voortaan belast met onderhoud en vervoer van de tabernakel en de verrichting van de eredienst. Uitvoerig worden de taken van de verschillende levietengroepen beschreven. In de volgende parasha, Naso, gaat dat door.
De Levieten hebben een bijzondere positie. Die komt voort uit het feit dat zij worden bestempeld als lossing van de oudste zonen van het hele volk, de oudste zonen, die immers gespaard bleven voor het zwaard van de doodsengel tijdens de tiende plaag, toen in de Pesachnacht alle oudste zonen van de Egyptenaren en de eerstgeborenen onder het vee omkwamen: Bemidbar 3:11: De Eeuwige zei tegen Moshé: ‘Ik maak de Levieten tot mijn eigendom. Zij zullen mij toebehoren in plaats van alle eerstgeboren Israëlieten, allen die als eerste de moederschoot verlaten. Elke eerstgeborene komt mij immers toe: op de dag dat ik de eerstgeborenen in Egypte doodde, heb ik alle eerstgeborenen van Israël, zowel van de mensen als van de dieren, voor mijzelf bestemd. Mij behoren ze toe. '  De levieten betalen met hun lijf en leven als het ware de losprijs voor de wonderlijke uitredding van de eerstgeborenen en nemen hun taak – dwz de priesterlijke diensten, die op de schouders van de oudste zonen zouden rusten - van hen over. Iedere Leviet staat borg voor een eerstgeborene. Vandaar dat hun telling een aparte is: de mannelijke Levieten worden geteld vanaf babies van één maand (die dus levenskrachtig zijn gebleken). Daarnaast worden ook alle mannelijke eerstgeborenen van de overige Israëlieten geteld en de aantallen worden vergeleken, er blijken 22000 Levieten te zijn tegen 22273 overige eerstgeboren Israëlieten. Voor de overschietende 273 moet er 5 shekel per hoofd een losprijs worden betaald aan Aharon en de zijnen. Nog steeds wordt in de orthodoxe rite de oudste zoon ritueel losgekocht voor 5 shekel in een ritueel, dat pidjon ha-ben wordt genoemd.

Oudste zonen

Wat mij al lange tijd heeft geïntrigeerd is de rol van de oudste zoon in Tora en Tanach. Ik kies even een aparte optiek om dit onderwerp uit te diepen. Het is mijn overtuiging, dat onder de verhalen van de Tora - en van vele verhalen uit de mythologie van de Grieken en andere volken – een archaIsche laag zit die verband houdt met de menselijke – fysieke en spirituele – evolutie. Het gaat om een soort primordiale dispositionele aanleg, die is verankerd in het grensgebied tussen lichaam en psyche.
Bij dieren, m.n. bij de primaten is deze aanleg in gedrag al waarneembaar. Sporen van herinnering aan ooit gangbaar gedrag en magische denk- en belevingsvormen uit primordiale tijden zijn als onderlaag te bespeuren in vele oude en uiteenlopende narratieven, o.a. in de joodse verhalen en instituties van de Tora. Die antropologische visie uit zich bij mij in soms in de literatuur ondersteunde speculaties. Het is als het ware een aparte taal. Deze redeneringen staan los van en doen niets af aan de zeggingskracht en ethische waarden van de Tora en de gangbare hermeneutiek en midrash.

Gaat u een eindje mee op een pad van freudiaans gekleurde antropologische speculatie.
Aan de ene kant is de oudste zoon in de oude patriarchale samenleving de erfgenaam van zijn vader en voortdrager van de eer van de familieclan, voorman in religieuze plichten. Aan de andere kant kan de vader hem als een bedreiging ervaren voor zijn macht als patriarch van de clan. De oudste zoon scheelt het minst in leeftijd en als jonge man kan zijn ambitie zich al vurig ontwikkelen in de richting van de macht van zijn vader en diens beschikking over de vrouwen. Daar komt opdoemen het beeld, dat Freud in zijn boek ‘Totem en Taboe' introduceert: de oerhorde waarin de machtige vader over de zonen heerst en hen uitsluit van de vrouwen. De broeders zweren in dit archetypisch beeld samen onder leiding van de oudste zoon om de vader te vermoorden, wat zij wellicht ooit gedaan hebben. Maar later besluiten zij uit angst voor zijn macht (om hen te castreren) om dat plan op te geven. De wrok en de schuld om hun euvele plan duiken onder, maar blijven daar wel smeulen. Dit beeld, dat Freud als hypothese opdiste, is wetenschappelijk niet houdbaar, maar blijft voor mij wel een mythisch metafoor, dat volgens mijn intuïtie ergens in onze collectieve ziel nog naresoneert. In veel verhalen dynamiseert het beeld onderhuids de vertelling, ook in de Tora. Het beeld van de patriarchale vader, die zich door zijn zoon bedreigd voelt en de wens koestert hem – soms een baby nog - uit de weg te ruimen (en vaak dit ook tracht uit te voeren, meestal echter zonder succes), zou je als een soort pendant van het Oedipuscomplex kunnen betitelen, het Laioscomplex naar de naam van de biologische vader van Oedipous, Laios. We zien het thema herhaaldelijk terug in verschillende gedaanten. (2)
Het begint al in Genesis; God, schepper en ‘vader' van de mens, is bevreesd is dat zijn creatie even machtig als hijzelf zal worden, wat zal gebeuren als deze met de pas verworven kennis ook de vruchten van de levensboom gaat plukken en het eeuwig leven zal verkrijgen (Bereshiet/Genesis 3:22). Mede daarom kan de mens niet in het paradijs blijven en zal hij zijn moeizame gang door de ondermaanse materiële wereld moet maken.
De eerste oudste zoon, Kajien, wordt van huis en haard verbannen en trekt nog verder met zijn Kajins-teken op het hoofd, ‘dood mij niet'.
In een bekende legende over Avraham ziet Nimrod de koning van Babylon in de hemel de voortekenen van de geboorte van Awraham en hij gebied hij de vroedvrouwen iedere pasgeboren zoon te doden. Dat lukt niet want Awrahams moeder bracht haar kind in het geheim ter wereld, in een grot, waar hij wonderlijk snel opgroeide. Het verhaal spiegelt zich waarschijnlijk niet toevallig in de legende over koning Herodes en zijn bevel om alle kinderen van Betlehem te doden om de gevreesde voorspelling rondom het kind Jezus de pas af te snijden.
Misschien ligt onder Avrahams offer van Jitschak ook onder meer dit thema verborgen. Het is een belangwekkende vraag of het aan Avraham gevraagde offer van Jitschak niet de sporen draagt van een ooit gebruikelijke offering van de oudste zoon als een ‘preventief' ritueel ter voorkoming van de vadermoord. Het lemmet flitste boven de jongeman Jitschak maar Avraham in een divine ingeving doorzag de primitieve en perverse magie van dit gebruik.
Re'oeven, de oudste zoon van Ja'akov, heeft zelfs het Freudiaans beeld van de zoon die met de vrouw van zijn vader slaapt werkelijk uitgevoerd. Ja'akov is op zijn sterfbed nog woedend - Hij heeft mijn bed beslapen! – en voorspelt hem zijn degradatie (Shemot/Exodus 49: 3 ).
Het verhaal van de Egyptische farao, die zich door het ooit gastvrij binnengehaalde Israelitische volk levensgevaarlijk bedreigd voelde en daarom opdracht gaf de mannelijke baby's van de Israelieten ter dood te brengen, draagt de sporen van dit thema, inclusief de wonderlijke uitredding van de'zoon', belichaamd door Moshé en zijn rieten mandje . (3)
De tiende plaag, de dood van alle eerstgeborenen van de Egyptenaren, ook de oudste zoon van de farao, lijkt bezwangerd met de doem, die steeds boven de oudste zoon hangt als een zwaard van Damocles. In antropologisch freudiaanse redenering is de geboorte van de oudste zoon is voor de vader (en natuurlijk ook voor de moeder) een zegen en tegelijk een potentiële bedreiging. De dankbaarheid voor zijn aankomst in het leven gaat gepaard met een in de allermeeste gevallen diep onder de oppervlakte in archaïsche lagen plaats vindende opwelling de oudste zoon te doden. Daarom moet de gunst om te leven hem expliciet worden verleend en die ooit geëiste dood worden afgekocht met offers. Avraham doet dat met een ram. In Shemot/Exodus en Bemidbar/Numeri zijn de oudste zonen voor het offer door de almachtige vader (de doodsengel van de Eeuwige) gespaard.
Maar dat is niet allemaal gratis. Daarom zijn deze zonen gewijd aan de Eeuwige met de daarbij behorende godsdienstige taken en plichten. Maar waarom worden die taken en plichten in deze parasha allemaal overgeheveld naar de mannen van de stam Levi? Omdat de eerstgeborenen van het hele volk gezondigd hebben door mee te doen aan de aanbidding van het gouden stierkalf, terwijl de Levieten trouw bleven aan de zijde van Moshé, zo zegt de midrash bij monde van Rashi.

Het spanningsveld van Vaders en (oudste) zonen weerspiegelt zich iedere keer weer in de strijd tussen de oude en de jonge generatie. Aan de ene kant verwelkomen de senioren van de samenleving als goede vaders de jongere generatie die hen gaan aflossen op de posities van macht en cultuur. Maar altijd zijn er veel minder goedbedoelende vaders, koppige en kwade senioren, die de nieuwe generatie als bedreiging zien en koppig hun plaats vaak met psychisch en fysiek geweld verdedigen tegen de opkomende ambitieuze nieuwelingen. Niet zelden heeft dat in de geschiedenis bloedige fasen te zien gegeven. Toch is het steeds weer een wonder hoe de cultuur en structuur van de samenleving met veel barensweeën van de oude generatie overgaat op de jongere.

noten

(1) In een ander commentaar ga ik in op de volkstelling
(2) Freud heeft laat in zijn leven ook zijn theorieën losgelaten op het leven van Moshé, wat een speculatief, controversieel, maar wel interessant boekje opleverde, De man Mozes en de monothei¨stische religie (Boom). Een uittreksel is op mijn website te lezen, zie bv deze pagina
(3) Vergelijkbaar met de verhalen van Lajos-Oedipous en (in Herodotus) de Medenkoning Astyages en zijn kleinzoon Cyrus. Zie ook het nog altijd voor de geïnteresseerde leesbaar boek van Otto Rank, The Myth of the Birth of the Hero ,(Vintage Books, New Tork), waarin ook ingegaan wordt op de geboorte van Moshé en Jezus.

RC mei 2015

Parashat Tazria-Metsora Wajikra 12-14 en14-16)
Het verhaal van de vier lepralijders

Korte inhoud van de parashot


De parasha Tazria (“zij die zwanger wordt”) handelt over de reinigingshandelingen die de vrouw na de geboorte van haar kind moet verrichten; vervolgens gaat het hoofdstuk verder grotendeels over procedures rond de huidziekte ‘tsara'at', vermoedelijk een vorm van melaatsheid. Wanneer is daarvan sprake, het is aan de priester om dat te bepalen; in het bevestigende geval is de lijder onrein en moet hij buiten het kampement verblijven tot de priester concludeert, dat genezing heeft plaats gevonden. Tsara'at wordt door veel bijbelgeleerden gezien als een fysiek gevolg roddel en kwaadspraak.
In de volgende parsje Metsora volgen vergelijkbare voorschriften voor de aantasting van muren, gebouwen en kleden met tsara'at en tenslotte zijn er de regels voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en de bijbehorende reinigingshandelingen.
Hoe men met de moderne wetenschappelijke kennis van nu hierover moge denken, men kan de Israëlieten van toen een intuïtie voor het belang van hygiëne voor gezondheid en welzijn niet ontzeggen, al zien de oude wijzen tsara'at vooral als een uiting van en een sanctie op een ‘ innerlijke spirituele verstoring in de relatie tussen de lijder en zijn Schepper' (1 )

Dit maal richt ik de schijnwerper verder op de haftara. In de liberaaljoodse cyclus in Nederland is dat 2 Kronieken 26:1-23, het verhaal over hoe koning Oezijahoe (Uzzia) melaats werd, toe hij de offerwetten in de wind sloeg en zelf het reukoffer wilde brengen in plaats van de hogepriester. In veel andere gemeenten is echter de haftara 2 Koningen 7:3-20, het verhaal van de vier melaatsen.
Het is een interessant klein drama, dat waarachtig wel een toneelstuk of film waardig is en ook stof tot morele overdenking biedt.

Het verhaal van de vier lepralijders

Het voorspel is de langdurige belegering van de hoofdstad van het koninkrijk Israel, Shomron (Samaria) door de koning van Aram, De bevolking is uitgehongerd en zelfs een ezelskop en een zakje duivenmest (waarin soms nog graankorrels zijn te vinden) is onbetaalbaar geworden. De koning, loopt over de muur loopt en hoort hoe een vrouw haar kind heeft gekookt en opgegeten. Hij scheurt hij zijn gewaad en het volk ziet hoe hij een boetekleed op de naakte huid draagt. De wanhopige en razende vorst zweert wraak, niet aan de Eeuwige, maar aan zijn aardse vertegenwoordiger, profeet des vaderlands, Elisha, wiens hoofd die avond nog van zijn romp gescheiden moet zijn, aldus de vorst.
Maar zo'n vaart loopt het niet.
Volgende scene, de kamer van Elisha. De koning en zijn adjudantkomen bij Elisha aan en meteen neemt de man Gods het woord: ‘Luister naar wat de Eeuwige te zeggen heeft: morgen om deze tijd zal een schepel tarwebloem in de stadspoort van Shomron één shekel kosten, en twee schepel gerst ook één shekel.' De adjudant van de koning zegt: ‘Zelfs al zou de Eeuwige de ramen van de hemel (voor voedsel) openzetten, wat u daar zegt is toch onmogelijk!' Maar Elisha antwoordt de man: ‘U zult het met eigen ogen zien, maar u zult niet de kans krijgen ervan te eten.'
Met deze raadselachtige woorden gaat de scene over naar de poort van de stad Shomron. Vier melaatse mannen, lepralijders, die immers buiten stad en gemeenschap zijn gestoten, steken de koppen bij elkaar. Ze besluiten over te lopen naar het Aramese kamp. ‘of we sterven hier of de Arameeers brengen ons om, maar misschien hebben we daar nog een kans', zeggen ze. Maar als ze bij het vallen van de avond bij het kamp komen blijkt het uitgestorven, geen mens te bekennen. De paarden en ezels staan er nog, de tenten zijn nog vol spullen, maar geen Arameeërs.
Flash back in het kamp: De Aramese soldaten horen een enorm geraas, het geluid van wagens en paarden, die naderen. Een gemeenschappelijke massahypnose heeft hen bevangen. ‘De legers van Egypte en de Hittieten zijn in aantocht, gechartered door Israel!', schreeuwen ze tegen elkaar en halsoverkop stormen ze het kamp uit om het vege lijf te redden met achterlating van paarden, ezels, have en goed.
Het Aramese kamp. Terug naar de lepralijders. Het is nacht en ze doen zich tegoed aan het achtergelaten voedsel en ze pakken goud en zilver, kleding en dekens uit de eerste tent en verstoppen de buit. Maar in de tweede tent, die ze betreden, overvalt hun de twijfel. Hun geweten of angst voor straf brengen hen terug naar de stadspoort.
De stadspoort. De lepralijders verwittigen de poortwachters van hun wonderlijke bevinding. Die brengen het nieuws midden in de nacht naar de koning.
Het paleis. De koning hoort het nieuws en schrikt zich dood. Het is een hinderlaag, denkt hij. Maar een adviseur stelt een experiment voor. Er zijn nog vijf paarden over, laat die met hun berijders naar het kamp gaan om uit te vinden wat er aan de hand is. Zo gebeurt het.
Het kamp van de Arameers. Twee wagens rijden uit en arriveren in het kamp. Wat blijkt, de Arameeers hebben inderdaad spoorslags het kamp verlaten, tot aan de Jordaan liggen hun kleren en stukken van hun wapenrusting, in paniek weggeworpen. Bericht hiervan aan de koning.
De stadspoort. Het is ochtend geworden. Een massa van opgewonden stadsbewoners stormt naar buiten om voedsel in het Aramese kamp te bemachtigen. De adjudant van de koning - de adjudant die in de kamer van Elisha met zijn cynische grap kwam - heeft het commando over de poortwacht gekregen en moet erop toezien, dat het buitgemaakte voedsel goed wordt verhandeld. Nog net hoort hij: ‘een schepel tarwebloem één sjekel , en twee schepel gerst ook één sjekel' . Dan wordt de man onder de voet gelopen door de uitzinnige menigte en laat het leven. In dit mooie en wrede verhaal zijn de helden geen koningen, moedi ge militairen of hoogstaande ridders maar verworpenen van de samenleving, uitgestoten lepralijders. De personages hebben geen naam en geven het verhaal een universele strekking (2). Wat geeft dit verhaal u als lezer in? Misschien: de uitredding of verlossing hoeft niet te komen uit de politiek, uit militaire strategie, op het niveau van regeringen en hoogwaardigheidsbekleders, maar uit onverwachte hoeken, van onderop, misschien wel uit de laag van verworpenen en lijdenden (3).

De Mashieach als lepralijder

Zelf had ik een associatie met een merkwaardige anekdote uit de Talmoed (4), waarin de Talmoedleraren een discussie hebben over wanneer en hoe de Mashieach zal komen. Rabbi Joshua ben Levi stond eens bij het graf van R. Shimon bar Jochaj toen de profeet Elijahoe (Elia) aan hem verscheen. Rabbi Joshua haastte zich zijn brandende vraag aan de profeet te stellen: ‘wanneer komt de Mashieach?', ‘Vraag het hemzelf', ‘Waar kan ik hem dan vinden?', ‘Hij zit tussen d arme lepralijders buiten de poort van Rome. De lepralijders verbinden hun wonden allemaal tegelijk, maar hij doet iedere wond apast, de een na de ander, zodat hij onmiddellijk, zonder vertraging klaar is om te komen, wnneer de tijd daar is', antwoord Elijahoe. Rabbi Joshua reist naar Rome, herkent de Mashieach tussen de andere lepralijders en stelt hem de essentiele vraag: ‘wanneer komt u?'. ‘Vandaag' antwoordt de Mashieach. De rabbi reist terug en als hij Elijahoe weer ontmoet zegt hij hem: ‘Hij heeft mij voorgelogen, hij zei, dat hij vandaag zou komen, maar dat heeft hij niet gedaan!'. Elijahoe antwoordde, ‘Dit is wat hij heeft gezegd: vandaag, als je Zijn stem zal horen'.
Er was dus een voorwaarde aan verbonden, die de goede verstaander zou weten te verstaan als verwijzing naar psalm 95:7: ‘ (Want Hij is onze God, en wij zijn het volk van Zijn weide, en de schapen van Zijn hand.) Vandaag, als je Zijn stem zal horen' ( Hajom iem bekolo tisma'oe ). En dat laatste is nu nog steeds niet het geval.
Beetje flauwe ontknoping, zou je kunnen zeggen, maar wat treft is dat hier ook het element van verlossing en bevrijding wordt gesitueerd in de sfeer van de ‘verworpenen der aarde' (5). Noten (1) Aldus het commentaar van Nechama Leibowitz op de parasha Tazria, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 115 ev (2) Het verhaal zelf bevat geen namen. Enig verder lezen onthult dat het gaat om koning Benhada II van Aram en koning Jehoram van Israel. Rashi veronderstelt, dat het bij de vier lepralijders gaat om Gehazi, Elisha's assistent, die na malversaties is geslagen met lepra, en zijn zonen. (3)  Zie Nechama Leibowitz' uitgebreide behandeling van dit verhaal, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 141 ev (4)  Talmoed Bavli, Sanhedrin 98a (5)  Emmanuel Levinas gaat uitgebreid in op het gegeven van de lijdende Mashieach in zijn Messiaanse Talmoedlezingen, zie Marcel Poorthuis, ‘Het gelaat van de Messias, Messiaanse Talmoedlezingen van Emmanuel Levinas', B. Folkertsma Stichting voor Talmoedica, 2 e druk, 1993. RC, april 2015

Parashat Shemini    Wajikra/ Leviticus 9:1 - 12:1)
Vreemd vuur
Deze week zijn we in het begin van het boek Wajikra ofwel Leviticus: De rampzalige dood van Nadav en Avihoe heeft menige bijbelgeleerde voor vragen gesteld. Wat heeft de Eeuwige aan hun zo toegewijd gebracht reukoffer niet behaagd? Wat hebben ze verkeerd gedaan? De moeilijkheid om een bevredigend antwoord wordt geïllustreerd door de menigte aan uiteenlopende oplossingen, die zijn aangedragen.

Korte inhoud

Het is de achtste dag ( jom ha-sjemini ) van de inwijding van de tempel , een gedenkwaardige afsluiting van een lange periode van nijvere arbeid aan de bouw van de mishkan.
De voorgeschreven offers worden gebracht, voor het eerst door Aharon als hogepriester. Aharon en Mosjé zegenen het volk. De Eeuwige staat het volk toe om Zijn majesteit ( kawod ) waar te nemen in de vorm van een vuur, dat het offer verteerde, een spektakel, dat het volk deed schreeuwen van ontzag en op de knieën bracht.
Maar dan slaat schrik en ontsteltenis toe. Nadaw en Awihoe, de twee oudste zonen van Aharon brengen impulsief en in extase een reukoffer met ‘vreemd vuur' ( eesh zara ), dat de Eeuwige niet gevraagd had. Weer gaat er een vuur van de Eeuwige uit, maar nu een vuur, dat de twee overenthousiaste zonen verteert. Het lijkt een afstraffing voor het ongevraagd afwijken van de exacte omschrijving van de offerregels, zoals Moshé die heeft opgedragen. Moshé spreekt Aharon toe, die in stilte treurt om dit plotse en zware verlies.
De parasha gaat verder. Moshé geeft de kohaniem instructies. Hij waarschuwt hen dat zij geen sterke drank mogen drinken voordat zij in het Misjkan dienst gaan doen.
Een groot deel van de parasha wordt ingenomen door de belangrijkste regels over wat koshere dieren zijn en welke niet kosher, regels die de basis vormen voor rabbijnse uitwerking tot de complexe voedingsleer van het Jodendom, het kashroet .
Tenslotte worden details gegeven over het reinigingsproces nadat men in contact is gekomen met ritueel onreine dieren. Allerlei reinheidsregels worden verder beschreven in de dan volgende parshiot.

Vreemd vuur De rampzalige dood van Nadav en Avihoe heeft menige bijbelgeleerde voor vragen gesteld. Wat heeft de Eeuwige aan hun zo toegewijd gebracht reukoffer niet behaagd? Wat hebben ze verkeerd gedaan? De moeilijkheid om een bevredigend antwoord wordt geïllustreerd door de menigte aan uiteenlopende oplossingen, die zijn aangedragen.
In Wajikra Rabba – een verzameling midrashiem op Wajikra uit de zesde eeuw – lezen we bijvoorbeeld (1):

Bar Kappara zei in de naam van Jirmija ben Elazar:
De zonen van Aharon stierven om vier dingen:
omdat ze te dicht bij de heilige plaats kwamen
omdat ze een (ongevraagd) offer brachten
om het vreemde vuur
en omdat ze niet met elkaar hebben overlegd. ‘omdat ze te dicht bij de heilige plaats kwamen', aangezien ze het heilige der heilgen betraden ‘omdat ze een (ongevraagd) offer brachten ‘, aangezien ze een offer brachten, waartoe ze geen opdracht hadden gekregen
‘om het vreemde vuur ‘, ze hadden het vuur gebruikt uit de keuken (ipv van het altaar)
‘en omdat ze niet met elkaar hebben overlegd', omdat er staat “ieder zijn vuurpan”, wat erop duidt dat ieder op zijn eigen initiatief heeft gehandeld en ze elkaars raad niet hebben gevraagd.
Nog een reeks andere mogelijk begane zonden worden benoemd, al dan niet min of meer vaag ondersteund door nogal gezochte schriftteksten: Ze zouden wijn hebben gedronken, incorrect (zonder priesterkleed) gekleed zijn geweest, hun handen en voeten niet hebben gewassen. Ook worden als redenen genoemd, dat ze ongetrouwd waren en geen kinderen hadden (sic!).
Zelfs is de veronderstelling geuit, dat het hier een late retributie zou betreffen voor het feit, dat destijds de twee als uitverkoren metgezellen van Moshé op de berg Sinaj de Eeuwige hadden aanschouwd, hetgeen op den duur niet onbestraft mag worden gelaten (Shemot/Exodus 24: 9-12) (2).
Een over brede linies gedeelde slotsom is wel, dat Nadav en Avihoe – overigens zeer gerespecteerde en vooraanstaande mannen – zich door een overstromende bezieling en blind enthousiasme geleid hebben gestort in een hyper individuele daad, die het zorgvuldig opgezette systeem om heiligheid te benaderen, fataal heeft doorbroken. Kennelijk is blinde extase niet iets dat past in de Joodse eredienst (3).

Twee sferen

Rabbijn Jonathan Sacks (4) heeft getracht nog een slag dieper door te dringen in deze toch moeilijk te duiden gebeurtenis. Hij onderscheid duidelijk de wereld van mens en materie als een ruimte die door de Eeuwige is geschapen door zijn aanwezigheid daaruit terug te trekken. Hij heeft als het ware zichzelf daaruit weggecijferd, enigszins in de sfeer van het kabbalistische begrip tsimtsoem. Dat geeft de mens de mogelijkheid te bestaan, zijn vrije wil uit te oefenen en zijn ratio te gebruiken. Daarnaast (of daarboven) heeft de Eeuwige zijn eigen rijk van absolute presentie, waarin de wetten van de materie en de mens – en zijn wetenschap - niet gelden. Om de nabijheid van de Eeuwige te zoeken moet de mens als het ware op zijn beurt zichzelf wegcijferen, zijn ‘ik ben' en tijdelijk uitschakelen en in absolute overgave zijn eigen wil voor een tijdje helemaal opzijzetten. Eigen initiatieven = in de materiële wereld misschien zeer prijzenswaardig - zijn dan niet op hun plaats en zelfs levensgevaarlijk; dat is spelen met vuur. En dat hebben Nadav en Avihoe gedaan door vurig hun ‘egoistisch project' te lanceren, dat werd tot vreemd vuur.

Bij het maken van dit stuk schoot mij een couplet binnen uit een lied van Bob Dylan, uit zijn jonge jaren, (uit ‘It's allright ma' )

Disillusioned words like bullets bark
As human gods aim for their mark
Make everything from toy guns that spark
To flesh-colored Christs that glow in the dark
It's easy to see without looking too far
That not much is really sacred

Inderdaad, niet veel is heilig, nu misschien nog wel minder dan toen Dylan rondkeek in zijn wereld van de jaren zestig. We zijn vergeten hoe het heilige te vinden, te benaderen en we spelen met vuur. (5)

noten (1) Wajikra Rabba 20: 8 en 9. Een besprking hiervan , die ik heb gebruikt is te vinden op http://etzion.org.il/vbm/english/archive/midrash69/24midrash.htm

(2) Shemot/Exodus 24:10, En zij (Moshé, Aharon, Nadav en Avihoe en de 70 oudsten ) zagen de God van Israël en het was alsof onder zijn voeten een plaveisel lag van lazuur, als de hemel zelf in klaarheid etc. lijkt in strijd met Shemot/Exodus 33:20, Hij zeide: Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leve n. Buber oppert dat in hoofdstuk 24 niet De Ene werkelijk gezien is maar wel een overweldigende uitstraling, die met de goddelijke presentie gelijkgesteld en als zodanig ervaren werd.

(3) Zie ook het commentaar van Nechama Leibowitz op deze parasha, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 63 ev

(4) Zie het diepzinnig commentaar van Rabbijn Jonathan Sacks op
http://www.rabbisacks.org/fire-holy-and-unholy-shemini-5775/
Niet op alle punten ga ik met hem mee, maar dat uit te leggen zou te ver voeren

(5) Donderdag 16 april was het Jom Ha-Shoa, donderdag 23 april is het Jom Ha-Atsma'oet (onafhankelijkheidsdag). In de liberale cyclus is de haftara (toegevoegde profetenlezing) daarom Zecharja 8:1-20, die gaat over de voorspelde hergeboorte van Israel, met veel poëzie door Zecharja beschreven, waarbij een ethische noot , die schrijnt met de harde politieke werkelijkheid, niet ontbreekt: 16 Dit moet gij doen: spreekt waarheid onder elkander, oefent eerlijke en heilzame rechtspraak uit in uw poorten; 17 beraamt in uw hart elkanders onheil niet, en hebt geen valse eed lief, want dit alles haat Ik, luidt het woord van de Ene .

Rob Cassuto april 2015

Parasjat Beresjiet Beresjiet/Genesis 1:1-6:8

De meesten van ons hebben de letterlijke opvatting van het scheppingsverhaal achter ons gelaten. Voor wat betreft het verslag van de creatie van onze kosmos en onze aarde, daarin geeft de wetenschap een verbazend en aan alle kanten door onderzoek geschraagd verslag, dat nog steeds wordt uitgebouwd.
We kunnen het verhaal van het eerste hoofdstuk van Bereshiet/Genesis nu lezen als een bondig onder woorden gebrachte, krachtige allegorie. En juist dan valt op, dat er in het scheppingsverhaal van Beresjiet 1 een frappante parallellie met de ontdekkingen en hypothesen van de wetenschap te vinden is.

De meeste fysici accepteren eveneens een begin, een schepping uit het niets: de theorie van de Big Bang, voor het eerst in 1946 door George Gamow voorgesteld. Een creatio ex nihilo, die begon met een onvoorstelbare hoeveelheid samengebalde lichtenergie (‘er zij licht'), waarvan nog steeds een minuscule achtergrondstraling te bespeuren is, zoals Penzias en Wilson ontdekten.
Tevens is er in het scheppingsverslag een bepaalde ontwikkeling te bespeuren, die doet denken aan de evolutionaire ideeën van Darwin: eerst de planten en dan van de waterdieren naar de landdieren en dan de mens.

Nu gaat het er niet om met alle macht wetenschappelijke bewijzen aan te dragen om de juistheid van de bijbel/Tora aan te tonen. En ook niet om aannemelijk te maken dat er een soort intelligent design aan het werk is.
Wetenschap en de verhalen van de religie zijn verschillende talen, die niet door elkaar gehaald mogen worden (hoogstens kunnen zij elkaar inspireren).
Maar de parallelliteit tussen wetenschappelijke ontdekkingen en die eerste passages van de Tora zouden een aanwijzing kunnen zijn dat deze passages toch bezield zijn van een diepergaande boodschap dan alleen het droge rapport van scheppingsdaden. Daarvan geven eeuwen van midrashiem en kabbala getuigenis.

Mij viel bij herlezing een speciaal aspect op; een groot deel van de scheppende activiteit van hoofdstuk 1 houdt niet zozeer in het uit het niets tevoorschijn roepen; het bestaat veeleer uit het scheiden, het uit elkaar halen, het een plaats geven, een groot deel van Bereshiet hoofdstuk 1 bestaat uit ordenen en differentiëren.

In het begin is er chaos, ‘tohoe wa-bohoe'. Het primordiale licht maakt het mogelijk scheidingen en positioneringen aan te brengen, licht en donker, water en hemel, de zee en het droge. Ook het aardse licht wordt geconcentreerd in een zon en een maan en de sterren.

Men zou kunnen zeggen dat als het dan zover is - aarde, water, hemel, zee en land zijn dáár - het Scheppend Principe zijn scheppende kracht delegeert, investeert in wat hij geschapen heeft: want vanaf de planten is de uitspraak, die deze scheppingen in gang zet: laat de aarde ….(1, 11), laat het water ….(1, 20), laat de aarde ….(1, 24) om tenslotte uit te monden in 1, 26: laat ons mensen maken naar ons beeld, onze gelijkenis.

In het hier volgend commentaar van de 19e-eeuwse Isbitzer rebbe op de betreffende scheppingspassages komt dit ook tot uiting: “Toen de schepping dus zijn gemis besefte, bewerkte hij een bewustwording van beneden af voor de schepping van de mens. “God sprak, laten wij mensen maken”, met andere woorden (“laten wij”, want God spreekt alle geschapen wezens aan), God, Hij zij gezegend, sprak tegen de hele schepping, opdat ieder onderdeel van zijn kracht iets zou geven en mee zou doen in de schepping van de m ens, zodat de mens deel zou hebben in al die onderdelen”.
(‘Living Waters', a commentary on the Torah, R, Mordechai Yosef of Isbitza)

Een originele duiding van het “laten wij” of “laat ons”, mij meer aansprekend dan de midrasjiem die zeggen: wij = God die tot zijn engelen spreekt.
Benadrukt wordt in deze passage, dat scheppen niet is iets uit niets maken, maar dat de kosmos bezield is van en gedreven wordt door een haar ingeplante scheppende oerkracht – die steeds weer uit chaos – tohoe wa-bohoe – orde schept, ordent, scheidt, formeert, differentieert en uit oude vormen nieuwere en mooiere, nog complexere vormen maakt, een proces, dat immer doorgaat en voortschrijdt. (gedachtig aan de tweede wet van de thermodynamica komt het beeld op van de ontworsteling van orde aan de entropie). De tien uitspraken waarmee de schepping is in het leven is geroepen klinken steeds door en geven onze dynamische wereld nog weer opnieuw gestalte en steeds weer nieuwe gestalten.

Als in een versnelde film krijg je even het visioen van een caleidoscopische uitbarsting in een beurtelings feestelijke dan wel helse vormenrijkdom.
Wel is er af en toe een pauze. Na “zes dagen” – zes scheppingsfasen of –episoden – rust de oerkracht, verademt De Schepper en zijn schepping; dat is het 'sjabbateske' ritme van Worden en Zijn (dat in laatste instantie één geheel is).

Vanaf hoofdstuk 2, vers 4 verandert de focus van het scheppingsverslag opeens. Als in de nieuwe Google-mogelijkheid om vanuit buitenaards perspectief in te zoomen naar je eigen achtertuin zoomt het Bereshiet-verhaal vanuit kosmische view opeens pijlsnel naar de mens, naar zijn binnenkant, vanwaaruit hij zich alleen bevindt in de schepping, de mens die van vlees is, uit verlangen gebouwd, die nieuwsgierig is en wil kennen, al valt hij daardoor uit zijn hemelse en zorgeloze paradijs – want hij is geschapen met een zeer lastige oriëntatie: naar het beeld van zijn Schepper.